direct naar inhoud van 4.1 Milieu
Plan: Delden-Noord, herziening St. Elisabeth e.o.
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1735.SDxElisabeth-OP10

4.1 Milieu

4.1.1 Bedrijven en milieuzonering

Algemeen

Indien door middel van een plan nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, of bestaande gevoelige functies worden uitgebreid of verplaatst, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie.

Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden met één stap worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten het betreffende perceel.

Toetsing

Bedrijvigheid vanuit het plangebied

Het plangebied valt onder het omgevingstype 'gemengd gebied'. Dit is een gebied met een matige tot sterke functievermenging, waarbij direct naast woningen andere functies voorkomen, zoals winkels, horeca en maatschappelijke voorzieningen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' kan voorliggend initiatief worden gecategoriseerd als 'Verpleeghuizen'. De VNG-brochure geeft de volgende minimaal aanbevolen richtafstanden aan voor deze functie ten opzichte van hindergevoelige functies:

  • Geur: 10 meter;
  • Geluid: 30 meter.

In gemengde gebieden kunnen de richtafstanden met één stap worden verminderd. De richtafstand voor geur bedraagt in dat geval 0 meter en de richtafstand voor geluid 10 meter. De afstand tussen het verpleeghuis en omliggende hindergevoelige functies is in alle gevallen groter dan 10 meter.

Overigens is er in onderhavige situatie sprake van de handhaving van een reeds bestaande functie. Dit bestemmingsplan heeft uitsluitend betrekking op aanpassing van het bouwvlak.

Bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied

Naast voorgenoemde toetsing moet onderzocht worden of de functies in het plangebied hinder ondervinden van hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven of functies gelegen die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de gewenste ontwikkelingen in het plangebied.

4.1.2 Bodem

Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet aangetoond worden dat de bodem- en grondwaterkwaliteit ter plaatse van het plangebied geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Daarom is door Tauw bv in oktober 2012 een verkennend bodem- en asbestonderzoek1 uitgevoerd.

Toetsing

Zintuiglijke waarnemingen

Bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk puin- en kooldelen waargenomen, plaatselijk zeer sterk. Dit kan duiden op de aanwezigheid van bodemverontreiniging.

Grond

In de mengmonsters van de bovengrond waar zintuiglijk puindelen zijn waargenomen overschrijden de gehalten van enkele metalen (kobalt, kwik, lood en zink), PAK, PCB's en minerale olie de achtergrondwaarden. In het mengmonster van de bovengrond waar zintuiglijk veel puindelen zijn aangetroffen overschrijdt het gehalte van PCB's de tussenwaarde. Na uitsplitsing van het mengmonster blijkt dat in de bovengrond van boring 5 een tussenwaardeoverschrijding aanwezig is.

In het mengmonster van de bovengrond welke visueel schoon is zijn geen van de geanalyseerde parameters aangetroffen boven de achtergrondwaarde of rapportagegrens.

In het mengmonster van de ondergrond welke visueel schoon is zijn geen van de geanalyseerde parameters aangetoond in gehalten boven de achtergrondwaarde en/of rapportagegrens. In het mengmonster van de ondergrond waar zintuiglijk puindelen zijn aangetroffen overschrijdt het gehalte van lood de achtergrondwaarde.

In het grondmonster van de ondergrond van boring 5 waar puin, slakken en kooldeeltjes zijn aangetroffen overschrijden enkel de gehaltes van kobalt en lood de achtergrondwaarde. De overige geanalyseerde parameters zijn niet verhoogd aanwezig.

In het grondmonster van de boring van de laag met kooldeeltjes ligt het gehalte van PAK beneden de rapportagegrens.

Grondwater

In het grondwater ter plaatse van peilbuis 2 overschrijden de concentraties aan barium en cis de streefwaarden. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 3 overschrijden de concentraties aan barium en nikkel de streefwaarden. In het grondwater van peilbuis 1 zijn alle geanalyseerde parameters gemeten in concentraties beneden de streefwaarde en/of rapportagegrens.

Asbest

Uit de analyseresultaten van de vier mengmonsters is gebleken dat er in de grond geen asbest is aangetroffen.

Conclusie

Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden gesteld dat op de locatie enkele stoffen zijn aangetroffen waarvan de concentraties de tussen-/achtergrondwaarden (waarden die van nature voorkomen) of streefwaarden (gewenste waarden) overschrijden. Daarnaast overschrijdt in het bovengrondmonster van boring 5 het gehalte aan PCB's de interventiewaarde (maximaal toelaatbare concentratie van een stof). In de bovengrond op de gehele locatie is het gehalte van PCB's verhoogd.

Het terrein ter plaatse van boring 5 is verhard met klinkers en is in gebruik als openbare tuin. Uit een worst case risicobeoordeling (gerekend met maximale gehalten) blijkt dat er geen sprake is van risico's. Bij het huidige gebruik is het derhalve niet noodzakelijk een verdere afperking van de verontreiniging uit te voeren. Echter gezien de plannen om het terrein opnieuw in te richten waarbij graafwerkzaamheden worden uitgevoerd, is een nader onderzoek uitgevoerd2 waarbij is nagegaan wat de omvang van de verontreiniging met PCB's in de grond is.

Uit dit Aanvullend grondonderzoek blijkt dat er slechts op één plek sprake is van geringe bodemverontreiniging. Er is geen sprake is van ernstige bodemverontreiniging. De verontreinigingsspot zal voorafgaand aan de realisatie van de nieuwbouw verwijderd moeten worden. Hiertoe dient een plan van aanpak ter goedkeuring aan de gemeente te worden voorgelegd.

4.1.3 Geluid

Algemeen

De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen.

Toetsing

Het plangebied is gelegen binnen de zone van wegen met een 30 km/uur regime. Formeel is het plangebied van akoestisch onderzoek vrijgesteld. In onderhavige situatie is echter sprake van verhoogde verkeersintensiteiten door de ligging in een centrumgebied die in het kader van de ontwikkeling moeten worden beoordeeld.

Door SAB is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai3 uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat het verpleeghuis buiten de 48 dB-contouren, vrije-veldsituatie, liggen van de Langestraat, de Molenstraat en 't Kip. De geluidsbelastingen zullen daardoor 48 dB of minder bedragen. Hiermee voldoet het verpleeghuis aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, ex artikel 82 van de Wgh. Het verpleeghuis ligt hierdoor akoestisch gunstig geprojecteerd. Er zijn in het kader van de Wgh geen nadere acties nodig om het verpleeghuis te realiseren.

Conclusie

Gesteld kan worden dat het akoestisch onderzoek heeft aangetoond dat de Wet geluidhinder geen beperkingen oplegt aan de realisatie van onderhavige ontwikkeling.

4.1.4 Luchtkwaliteit

Algemeen

Op 15 november 2007 is de 'Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen)' in werking getreden. Vanaf dat moment zijn in de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10).

Nieuw zijn het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)'. Voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet langer te worden getoetst aan de grenswaarden. In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als 'niet in betekenende mate' worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek, indien de toename van stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) door de realisatie van het plan minder bedraagt dan 1,2 µg/m3 (3% van de grenswaarde).

Toetsing

Door de realisatie van het plan neemt het aantal cliënten in het verpleeghuis af van 156 naar 88 cliënten in het nieuwe verpleeghuis. Doordat er minder cliënten in het plangebied verblijven na de realisatie van het plan, zal ook de verkeersaantrekkende werking van het plangebied hierdoor verminderen. Doordat het verkeer van en naar het plangebied afneemt zal door de realisatie van het plan een verbetering van de luchtkwaliteit door de realisatie van het plan plaatsvinden. Dit plan zal dan ook Niet In Betekenende Mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit.

Conclusie

Het aspect lucht vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.1.5 Externe veiligheid

Algemeen

Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval met slachtoffers waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (bijvoorbeeld een chemische fabriek, een lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (bijvoorbeeld een route gevaarlijke stoffen of buisleidingen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Daarnaast wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde.

Groepsrisico

Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. In het Bevi (stb. 250, 2004) wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld (art. 13). De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico's acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico's te verkleinen.

Toetsing

In het plangebied wordt het huidige verpleeghuis gesloopt en een nieuw verpleeghuis gebouwd. Een verpleeghuis is een kwetsbaar object. Op de navolgende uitsnede van de Risicokaart Nederland is dit ook als zodanig aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.SDxElisabeth-OP10_0016.jpg"

Gezien het feit dat onderhavig plan enkel voorziet in de sloop en nieuwbouw van het verpleeghuis op de bestaande locatie, vindt er geen verandering plaats ten opzichte van de externe veiligheid. Bovendien behelst het nieuwe plan minder verpleeghuisplaatsen (van 156 naar 88) dan in de huidige situatie aanwezig. Daarnaast vinden er in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle activiteiten plaats.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de ontwikkelingen in het plangebied.