direct naar inhoud van 4.3 Flora en fauna
Plan: Delden-Noord, herziening St. Elisabeth e.o.
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1735.SDxElisabeth-OH10

4.3 Flora en fauna

4.3.1 Algemeen

Aanleiding en methode

Voordat de ruimtelijke ingrepen mogen plaatsvinden, dient er eerst een onderzoek worden uitgevoerd in het kader van de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet en eventueel andere geldende natuurregelgeving. In voorliggend onderzoek zijn op basis van een gebiedsanalyse, beschikbare soortgegevens en een eenmalige veldverkenning, uitspraken gedaan over de mogelijke aanwezigheid van beschermde planten en dieren in het projectgebied. Het veldbezoek heeft nadrukkelijk niet de status van een volledige veldinventarisatie; zowel tijdstip (deels buiten het groeiseizoen van planten en deels buiten het actieve seizoen van diverse diergroepen) als het eenmalige karakter is hiervoor niet toereikend.

De quick scan5 is uitgevoerd op basis van de momenteel geldende uitwerking en interpretatie van beleid en wetgeving.

Gebiedsbeschrijving en beoogde ingrepen

Het plangebied aan de Langestraat is gelegen binnen de bebouwde kom van Delden. De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door stenen bebouwing met een intensief gebruik. Het plangebied is bebouwd en verhard. Aan de zuidzijde van de te slopen bebouwing bevindt zich een parkeerplein en een kerk. Aan de oostzijde bevindt zich een vleugel van het verpleeghuis waar geen ingrepen plaats zullen vinden (De Wieken). Aan de noordzijde bevinden zich enkele woningen. Ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een begraafplaats. Bij de uitvoering van de ingrepen wordt het oudste deel van het verzorgingshuis gesloopt, evenals het noordelijker gelegen deel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.SDxElisabeth-OH10_0017.png"

Figuur 1: ligging van het plangebied in Delden. Links: topografische kaart 1:25000, de rode cirkel geeft het plangebied weer. Rechts: luchtfoto (Google Earth), de rode omlijning geeft het plangebied weer.

4.3.2 Toetsing

Gebiedsbescherming

Bij gebiedsbescherming is er onderscheid gemaakt tussen de Natuurbeschermingswet en de Ecologische Hoofdstructuur. In de Natuurbeschermingswet worden Vogel- en Habitatrichtlijngebieden en beschermde Natuurmonumenten beschermd. De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is niet opgenomen in de natuurwetgeving, maar dient bij de planologische afweging te worden meegenomen.


Het plangebied aan de Langestraat te Delden ligt niet in een gebied dat is aangewezen in het kader van de Natuurbeschermingwet. Het dichtstbijzijnde beschermde gebied in het kader van de Natuurbeschermingswet bevindt zich op een afstand van meer dan drie kilometer van het projectgebied. Gezien de afstand en het ontbreken van overeenkomstig habitat, zijn geen negatieve effecten te verwachten op het beschermde natuurgebied.


Het plangebied ligt niet in, maar op een afstand van 325 meter van een gebied dat is aangewezen als onderdeel van de EHS. Door de aard van de ingreep, het huidige en toekomstige gebruik en de barrièrewerking van het tussenliggende gebied (verkeerswegen en bebouwing) ontbreekt een relatie met de EHS. Gezien het lokale karakter van de ingreep worden zowel directe als indirecte negatieve effecten op de EHS niet verwacht. Gebiedsbescherming is voor dit project niet aan de orde.


Soortenbescherming

Soortenbescherming is altijd van toepassing. In Nederland is de bescherming van soorten opgenomen in de Flora- en faunawet. De Flora- en faunawet is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Als een ruimtelijke ingreep rechtstreeks kan leiden tot verstoring of vernietiging van bepaalde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Flora- en faunawet. Voor het beoordelen van de doorwerking van het aspect soortenbescherming moet worden nagegaan of het plangebied beschermde soorten (zowel planten als dieren) herbergt. De mogelijke negatieve effecten van de ingreep op betreffende soorten moeten worden beschreven. Hiervoor is op 23 maart 2011 een verkennend veldbezoek uitgevoerd.


Vaatplanten

Tijdens de veldverkenning op 23 maart 2011 zijn geen beschermde vaatplanten gevonden. Het plangebied bestaat uit verhard terrein met enkele groene delen. De groene delen bestaan uit grasvelden of parkachtige beplanting. Alles wordt net beheerd en regelmatig gemaaid. Soorten waarvoor een ontheffing nodig is in het kader van de Flora- en faunawet, worden dan ook niet verwacht.


Zoogdieren

Volgens verspreidingsgegevens (Broekhuizen et al., 1992, waarneming.nl, telmee.nl) komen in de omgeving verschillende soorten zoogdieren voor. Het plangebied voldoet niet aan de habitateisen van beschermde zoogdieren. Er zijn ook geen sporen aangetroffen.

Algemeen voorkomende soorten worden wel verwacht maar voor deze soorten, die onder het eerste lichte beschermingsregime vallen, geldt een algemene vrijstelling voor het verstoren en/of aantasten van vaste rust- en verblijfsplaatsen.


Vleermuizen

Vleermuizen komen volgens verspreidingsgegevens uit de ‘Atlas van de Nederlandse Vleermuizen’ (Limpens et al., 1997) en volgens waarneming.nl ook in de omgeving voor. Vleermuizen zijn strikt beschermd volgens tabel 3 van de Flora- en faunawet.

Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en laatvlieger en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis. Daarnaast zijn soorten die van beide elementen gebruik maken.

De hoogbouw aan de zuidzijde van het plangebied is voorzien van isolatie door middel van polystyreen balletjes. Door de aanwezigheid van dit isolatiemateriaal is het uitgesloten dat nog geschikte vaste rust- of verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten aanwezig zijn.

Het noordelijke deel van de te slopen bebouwing is voorzien van glaswolisolatie. Hierdoor blijft een luchtspouw aanwezig die geschikt kan zijn als vaste rust- of verblijfplaats. Bovendien zijn op veel plaatsen in het gebouw openstootvoegen en gevelbetimmering aanwezig. Vaste rust- of verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten zijn in dit deel van de bebouwing dus niet uit te sluiten.


Vogels

De bomen en struiken in het plangebied zijn geschikt als broedgelegenheid voor veel vogelsoorten. Alle broedgevallen zijn beschermd gedurende het broedseizoen (globaal half maart tot half juli). Als actieve broedgevallen niet aanwezig zijn, mag ook in het broedseizoen met de werkzaamheden worden begonnen.

Jaarrond beschermde vogelsoorten worden niet verwacht. Hiervan ontbreekt de juiste habitat en er zijn ook geen sporen aangetroffen.


Amfibieën

In het plangebied bevindt zich geen geschikte biotoop voor amfibieënsoorten waarvoor een ontheffing nodig is. Beschermde amfibieën zijn voor hun voortplanting afhankelijk van geschikt water. Ook buiten de voortplanting blijven de dieren in de omgeving van het water. Aan de zuidzijde van de te slopen bebouwing bevindt zich een kleine vijver. Deze is niet geschikt om te dienen als vaste rust- of verblijfplaats van strikt beschermde soorten amfibieën.

De meer algemenere soorten, zoals gewone pad en bruine kikker zouden wel in het plangebied voor kunnen komen. Deze soorten stellen minder kritische eisen aan de biotoop en kunnen buiten de voortplantingsperiode overal worden aangetroffen. Aantasting van deze soorten is echter mogelijk op basis van een algemene vrijstelling.


Reptielen

Reptielen komen volgens verspreidingsgegevens (www.ravon.nl) in de omgeving van het plangebied voor. Gezien het ontbreken van een verbinding met geschikt biotoop en het ontbreken van geschikt habitat in het plangebied is het onwaarschijnlijk dat reptielen hier voorkomen. Negatieve effecten op vaste rust- of verblijfplaatsen van reptielen zijn niet te verwachten.


Vissen

In het plangebied is slechts een aangelegde vijver aanwezig. Deze vijver zit vol met goudvissen. Beschermde soorten komen hier niet voor. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten. De aanwezige goudvissen vallen wel onder de zorgplicht. Bij de bouwwerkzaamheden moet dus rekening gehouden worden met deze dieren. Het is aan te raden de dieren tijdelijk elders onder te brengen.


Insecten en overige soorten

Beschermde insecten en soorten uit de overige soortgroepen worden, op basis van beschikbare verspreidingsgegevens en de aangetroffen biotopen (grotendeels verhard en bebouwd), niet in het plangebied verwacht.

4.3.3 Conclusie
  • 1. Gebiedbescherming in het kader van de Natuurbeschermingswet en de Ecologische Hoofdstructuur is gezien de afstand en de bestaande barrièrewerking van het tussenliggende gebied niet van toepassing;
  • 2. De meeste (mogelijk) voorkomende beschermde soorten vallen onder de lichte beschermingscategorie van de Flora- en faunawet. Vaste rust- en verblijfsplaatsen van deze soorten mogen op basis van een algemene vrijstelling worden aangetast, zonder dat sprake is van procedurele consequenties;
  • 3. Op basis van verspreidingsgegevens, biotoopeisen en de veldverkenning is het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van strikt beschermde soorten uit de soortgroepen amfibieën, reptielen, vissen, grondgebonden zoogdieren, vogels, vaatplanten en insecten onwaarschijnlijk. Strikt beschermde soorten uit de soortgroep vleermuizen kunnen mogelijk wel gebruik maken van het plangebied. Om met zekerheid aan te kunnen geven of vleermuizen gebruik maken van de te slopen gebouwen is een nader onderzoek uitgevoerd.
  • 4. Verder is altijd de zorgplicht van toepassing, op basis waarvan door iedereen voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit kan bijvoorbeeld door buiten kwetsbare periodes (het voortplantings- en winterslaapseizoen) te starten met werkzaamheden en het gefaseerd werken om dieren de kans te geven om te vluchten;
  • 5. Vogels kunnen broeden binnen en in de omgeving van het plangebied. De kap van bomen of het verwijderen van struweel mag daarom niet worden uitgevoerd binnen het broedseizoen (globaal half maart tot half juli) tenzij voorafgaand aan het kappen kan worden uitgesloten dat broedgevallen aanwezig zijn. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect flora en fauna geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de gewenste ontwikkelingen in het plangebied.

4.3.4 Nader onderzoek vleermuizen

Naar aanleiding van bovenstaan conclusies is door Laneco6 een nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen. De conclusie wordt hieronder weergegeven:

In het plangebied zijn tijdens onderzoek in de zomer en het najaar 4 vleermuissoorten aangetroffen: de gewone dwergvleermuis, de rosse vleermuis, de gewone grootoorvleermuis en de laatvlieger. Voor de laatvlieger, de gewone grootoorvleermuis en de rosse vleermuis heeft het plangebied nauwelijks een functie.

Het plangebied doet zowel in de zomer als in het najaar alleen dienst als foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis. Verblijfplaatsen of belangrijke onderdelen van het leefgebied zijn tijdens de 4 onderzoeksrondes niet in het plangebied aangetroffen. Hoewel in de omgeving zowel kraamverblijfplaatsen, paarplaatsen als een massa winterverblijf aanwezig zijn, is het gebruik van het plangebied door deze soort relatief beperkt.

Er zijn gezien de onderzoeksresultaten geen effecten op vleermuizen te verwachten als gevolg van de voorgenomen ingrepen in het plangebied. Wel dient gezien de aanwezigheid van kwetsbare verblijfplaatsen in de nabijheid, te allen tijde de verlichting aan de zuid- en westzijde te worden beperkt.