direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied Hof van Twente
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeente Hof van Twente heeft besloten om het bestemmingsplan buitengebied, dat op 18 december 2012 is vastgesteld te herzien. Directe aanleiding hiervoor is het besluit van van de gemeenteraad om de inhoud van woningen in het buitengebied en de roodvoorrood-regeling aan te passen. Ook worden in dit plan de omissies die zaten in het vastgestelde bestemmingsplan buitengebied en de partiële herzieningen van het bestemmingsplannen buitengebied die vastgesteld zijn na 18 december 2012 opgenomen in dit bestemmingsplan.

Er zijn geen nieuwe ontwikkelingen opgenomen in dit bestemmingsplan. Dit is een consoliderend bestemmingsplan waarin het hele bestemmingsplan buitengebied opnieuw wordt opgenomen. In hoofdstuk 2 de toelichting is beschreven welke wijzigingen er worden doorgevoerd.

1.2 Het plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0001.jpg"

Begrenzing van het plangebied op luchtfoto

Het plangebied bevat de gehele gemeente Hof van Twente, met uitzondering van het stedelijk gebied (inclusief de bedrijventerreinen) van de kernen Goor, Delden, Markelo, Diepenheim, Hengevelde en Bentelo. De exacte begrenzing komt tot uitdrukking op de verbeelding bij dit bestemmingsplan.

1.3 De te vervangen bestemmingsplannen

Dit plan buitengebied vervangt het bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente met uitzondering van de locaties waartegen beroep is ingesteld. Daarnaast zijn er 11 partiële herzieningen en wijzigingsplannen opgesteld. Deze worden in hoofdstuk 2 benoemd en zijn integraal verwerkt in voorliggend plan.

1.4 Doelen van dit bestemmingsplan

Het bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente dient verschillende doelen.

Ten eerste biedt het bestemmingsplan rechtszekerheid. Eigenaren, gebruikers en belanghebbenden van gronden of gebouwen in het landelijk gebied krijgen zekerheid door de regels die in het bestemmingsplan staan. Deze zekerheid houdt verband met het vastleggen van functies die op hun eigen terrein of in de omgeving van hun terreinen mogen worden gerealiseerd en de bebouwing die daar mag worden opgericht. Ten tweede biedt het bestemmingsplan inzicht in ontwikkelingsmogelijkheden die worden geboden. Het gaat om uitbreiding van bebouwing, maar ook om het starten van nevenfuncties of het volledig veranderen van functies. Ten derde biedt het bestemmingsplan een bescherming van natuur- en landschapswaarden, archeologische en cultuurhistorische waarden, het woon- en leefmilieu, enzovoort.

1.5 Leeswijzer

In de toelichting van het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente 2013" is na dit inleidende hoofdstuk als volgt opgebouwd:

Hoofdstuk 2 Toelichting wijzigingen regels en verbeelding

In dit hoofdstuk staat een overzicht van de wijzigingen die zijn aan gebracht in de regels en op de verbeelding van het bestemmingsplan buitengebied Hof van Twente zoals dat op 18 december 2012 is vastgesteld.

In hoofdstuk 2.1 is een overzichtslijst opgenomen met alle wijzigingen die opgenomen zijn.

2.1 Overzichtslijst wijziging regels en verbeelding

Regels/verbeelding
 
Nr.   adres   wijziging regels   wijziging verbeelding   toelichting  
1   Niet van toepassing   Regels in overeenstemming brengen met de IMRO 2012 standaarden   Geen aanpassingen   Het op 18 december 2012 vastgestelde bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente' is conform IMRO 2008 standaarden opgesteld. Inmiddels is de IMRO 2012 standaarden van toepassing. Daar waar nodig zijn in het plan aanpassingen gedaan.  
2   Niet van toepassing   Toevoegen Artikel 3.3.2 lid c indien voor de bedrijfsvoering noodzakelijk; en Artikel 4.3.2 lid c indien voor de bedrijfsvoering noodzakelijk;   Geen aanpassingen   Voor sommige agrarische bedrijven is het nodig dat de afrastering hoger is dan 1 meter.  
3   Niet van toepassing   Artikelen
- 3.1 lid s
- 4.1 lid q
- 8.1 lid i
- 9.1 lid j
- 17.1 lid d
- 19.1 lid l
- 21.1 lid f
verwijderen  
Geen aanpassingen   Conform uitspraak Raad van State
Evenementen zijn niet meer bij recht opgenomen. Per evenement kan op grond van de Bro een buitenplanse afwijking worden aangevraagd.  
4   Niet van toepassing   Artikel 4.5.3 lid a het oprichten van de geluidwal als bedoeld in artikel 4.1 onder o; moet zijn: het oprichten van de geluidwal als bedoeld in artikel 4.1 onder p   Geen aanpassingen   Er was een foute verwijzing opgenomen.  

5  
Niet van toepassing   Artikel 49.5 is aangepast

 
Geen aanpassingen   Rood voor Rood beleid is aangepast Voor verdere toelichting zie paragraaf 2.2.1 en 6.3.1.  
6   Niet van toepassing   Artikel 46.2
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de maximale toegestane inhoudsmaat van een woning tot 900 m3 met dien verstande dat de gebouwen landschappelijk worden ingepast, wat blijkt uit een in te dienen en door het bevoegd gezag goed te keuren beplantingsplan/inrichtingsplan  
Geen aanpassingen   Hiermee kan middels een afwijking de inhoud van een woning van 750 m3 worden vergroot naar 900 m3.

Voor verder toelichting zie paragraaf 2.2.1.  
7   Niet van toepassing   Artikel 18.1 lid g 20 lodges ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' is verwijderd;

Uit 18.1 lid e en f is verwijderd de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - congrescentrum 2';


Het artikel 18.2.8: In afwijking van het bepaalde in artikel 18.2.1 mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - congrescentrum 2' tevens een gebouw worden gebouwd in de vorm van een ondergrondse parkeergarage met dien verstande dat:
de oppervlakte maximaal 800 m2 mag bedragen;
maximaal één bouwlaag is toegestaan is verwijderd

Het artikel 18.2.10: In afwijking van het bepaalde in 18.2.1 mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2' het bestaande gebouw worden uitgebreid met dien verstande dat:
de oppervlakte met niet meer dan 100 m2 mag toenemen;
de bestaande goot- en bouwhoogte niet mogen worden overschreden is verwijderd.
 
Aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' is verwijderd

Aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - congrescentrum 2'
is verwijderd

Aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 2' is verwijderd.  
19 december 2012 heeft de Raad van State uitgesproken dat de bouw van 20 lodges strijdig is met de gemeentelijke beleidskaders. Om tegemoet te komen aan de uitspraak is een wijzigingsplan opgesteld dat ook weer opgenomen is in dit plan.  
8   Niet van toepassing   In het plan zijn aanpassingen in de nummering verwerkt. Er was geen sprake van consistente.   Geen aanpassingen   -  
9   Niet van toepassing   Toevoegen artikel 43.4.1 Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 43.4 voor het toestaan van het bouwen van bijgebouwen en paardenbakken voor de voorgevel van de, op het betrokken bouwperceel gelegen (bedrijfs)woning, mits er achter de voorgevel geen ruimte is vanwege bijvoorbeeld de ligging aan de openbare weg.   Geen aanpassingen   Afwijkings-
mogelijkheid is wenselijk aangezien boerderij nog al eens met de achtergevel aan de openbare weg liggen. In die situatie kan voor de woning geen bijgebouw gerealiseerd worden.  
10   Niet van toepassing   Artikel 44.1 lid f het (zelfstandig) bewonen van vrijstaande gebouwen, niet zijnde woningen is toegevoegd   Geen aanpassingen   Onder strijdig gebruik wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de
bestemmings- omschrijvingen, waaronder in elk geval wordt begrepen het (zelfstandig)
bewonen van vrijstaande gebouwen, niet zijnde woningen.  
11   Niet van toepassing   Artikel 23.1 lid f agrarisch medegebruik is toegevoegd   Geen aanpassing   Agrarisch medegebruik binnen de bestemming water is opgenomen omdat bij meanderende beken de totale beekloop als water is bestemd. Vaak worden dieren ingezet voor begrazing van deze delen.  
12   Niet van toepassing   Artikel 1.13 het begrip agrarische medegebruik is opgenomen met de definitie: een agrarisch gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit agrarisch gebruik is toegestaan   Geen aanpassing   Agrarisch medegebruik binnen de bestemming water is opgenomen omdat bij meanderende beken de totale beekloop als water is bestemd. Vaak worden dieren ingezet voor begrazing van deze delen.  
13   Niet van toepassing   Toevoegen:
artikelen
3.1 lid v
4.1 lid aa
5.1 lid h
6.1 lid i
7.1
8.1 lid i
9.1 lid k
10.1 lid e
11.1 lid e
12.1 lid e
13.1 lid i
14.1
15.1
16.1 lid h
17.1 lid d
18.1 lid m
19.1 lid l
20.1
21.1 lid f
23.1 lid g
24.1 lid d
25.1 lid i
26.1 lid e
27.1 lid c
28.1 lid e
29.1 lid i
Met de tekst: Ontsluitingsvoorzieningen en ontsluitingsvoorzieningen voor naastgelegen bestemmingen  
Geen aanpassingen    
14   Niet van toepassing   Toevoegen:
Artikel 3.1 lid u. een openluchttheater, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'cultuur en ontspanning';
Verwijderd: Artikel 4.1 lid s. een openluchttheater, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'cultuur en ontspanning';  
Geen aanpassingen   Dit artikel was opgenomen in Artikel 4.1 lid s. Dit was niet correct en moet onder artikel 3.1 lid u worden opgenomen.  
15   Niet van toepassing   Artikel 5.1 lid c wordt aangepast in: opslag is toegestaan op het achtererf gebied en ter plaatse van de functieaanduiding 'opslag'   Geen aanpassingen   Er was alleen opslag mogelijk ter plaatse van de aanduiding opslag. Dat was niet de bedoeling.  
16   Niet van toepassing   Artikel 6.3 lid a wordt aangepast in: Buitenopslag buiten de aanduiding 'opslag'   Geen aanpassingen   Er was ook opslag mogelijk op het achtererfgebied dit is niet in overeenstemming met het beleid.  
17   Niet van toepassing   In artikel 19.2.2 lid d is opgenomen: Voor zover de aanduiding 'verblijfsrecreatie' is opgenomen, bedraagt de oppervlakte van gebouwen ter plaatse van die aanduiding maximaal 250 m2. Dit moet zijn: voor zover de aanduiding 'verblijfsrecreatie' is opgenomen, bedraagt de oppervlakte van gebouwen ten behoeve van een groepsaccommodatie ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie' maximaal 250 m2.   Geen aanpassing   Er was een verwijzing gemaakt naar de verkeerde aanduiding. Dat wordt nu hersteld.  
18   Niet van toepassing   Artikel 25.2.1 lid a is aangepast. Hier stond:
Voor zover binnen een bouwperceel één of meerdere bouwvlakken zijn opgenomen, worden gebouwen binnen het bouwvlak gebouwd; Dit moet zijn: Voor zover binnen een bouwperceel één of meerdere bouwvlakken zijn opgenomen, worden woningen binnen het bouwvlak gebouwd  
Geen aanpassingen    
19   Niet van toepassing   Toevoegen:
Artikel 4.1 lid S een wijnboerderij ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - wijnboerderij'
Verwijderd:
Artikel 3.1 lid c een wijnboerderij ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - wijnboerderij'  
Geen aanpassingen   In artikel 3.1 lid c is opgenomen dat een wijnboerderij is toegestaan ter plaatse van de aanduiding wijnboerderij. De wijnboerderij is echter gelegen in de bestemming agrarisch met waarden en daar ontbrak de omschrijving.  
20   Niet van toepassing   Geen aanpassingen   Belemmeringsstroken van de hoogspanningsleidingen zijn gecontroleerd en daar waar nodig aangepast.   Op verzoek van Tennet zijn de belemmeringsstroken nogmaals gecontroleerd.  
21   Niet van toepassing   Geen aanpassingen   Gastransportleiding zijn gecontroleerd en daar waar nodig aangepast.   Op verzoek van de Gasunie is gecontroleerd of de gastransportleidingen goed opgenomen zijn.  
22   Bentelosestraat 14a 29, 31, 31a Hengevelde   Geen aanpassingen   Het relatieteken tussen bouwvlak Bentelosestraat 14a en Bentelosestraat 29, 31 en 31a is verwijderd   Conform uitspraak van de Raad van State is de koppeling (relatieteken) verwijderd.  
23   Bollenweg 16 Ambt Delden   De omschrijving in Bijlage 4a is aangepast in:
Landbouw-mechanisatiebedrijf/ Loonbedrijf en fabricage- en constructiewerkzaamheden
Detailhandel in agrarisch verwante artikelen, doe-het-zelfartikelen, speelgoed en vuurwerk
 
Geen aanpassingen   Conform de uitspraak van de Raad van State is het plan aangepast.

 
24   Diepenheimsestraat44, Hengevelde   Geen aanpassingen   Woonbestemming opnemen   In een koopovereenkomst met de eigenaar is opgenomen dat hier een woonbestemming opgenomen moet worden. Dit is hersteld  
25   Dijkerhoekweg 5, Markelo   Dit adres wordt verwijderd uit bijlage 9   Agrarische bestemming en bouwvlak opgenomen   Er was een woonbestemming opgenomen. Er is gebleken dat dat onjuist was aangezien er nog een vergunning was voor het houden van dieren.  
26   Dorreweg 2a   Opgenomen is Artikel 3.1 lid v. permante bewoning van de recreatiewoning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie – wonen'   Functieaanduiding 'specifieke vorm van recreatie – wonen' opgenomen;   Conform uitspraak Raad van State is opgenomen dat er door de huidige eigenaren permanent gewoond mag worden conform uitsterfconstructie  
27   Dorreweg 10a, Hengevelde   Geen aanpassingen   Woonbestemming is opgenomen   Bewoners hebben aangeven geen dieren meer te houden. En daarom graag een woonbestemming willen  
28   Dorreweg 14, Hengevelde   In bijlage 4a moet onder 'bedrijf overige bedrijven' opgenomen worden Dorreweg 14 Hengevelde/ Las- en machinetechniek/ 1.030 m2.   Bestemming Dorreweg 14, Hengevelde 'bedrijf-VAB' moet aangepast worden in 'Bedrijf'.
Aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - overige bedrijvigheid': moet opgenomen worden.  
Op 12 juli 2012 is een overeenkomst gesloten met de eigenaar. Daarin zijn uitbreidingsplannen vastgelegd deze waren niet goed opgenomen.  
29   Enterbroekweg 14   Geen aanpassingen   Aanduiding 'intensieve veehouderij' is van het bouwvlak gehaald.   Deze aanduiding is vergeten er af te halen.  
30   T.h.v. Gorsveldweg 6, Hengevelde   Geen aanpassingen   Beekloop Bolscherbeek aangepast. Bestemming water t.h.v. de ijsbaan verandert in bestemming agrarisch met waarden.   Beekloop was niet goed opgenomen.
Daarnaast was de gehele ijsbaan bestemd als water. Dit moet zijn agrarisch met waarden.  
31   Gorsveldweg 6, Hengevelde   Geen aanpassing   Gekoppeld agrarisch bouwvlak is samengevoegd tot één bouwvlak   Doordat de Bolscherbeek niet meer over het erf aan de Gorsveldweg 6 stroomt wordt het bouwvlak niet meer gescheiden door de beek.  
32   Gorsveldweg 26, Bentelo   Geen aanpassingen   Aanduiding 'intensieve veehouderij' is van het bouwvlak gehaald.   De intensieve takt is op het perceel beëindigd doordat deelgenomen is aan de VIV regeling.  
33   Grondhuttenweg , Bentelo   Geen aanpassingen   Verkeersbestemming is aangepast.   Er was een klein gedeelte niet bestemd. Dit is nu opgenomen.  
34
 
Haarweg 1, Ambt Delden   Opgenomen is artikel 25.2.1.c is:
voor woningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - goot' geldt een maximale goothoogte van 5,5 m;

Opgenomen is artikel 25.2.7:
afwijking ter plaatse aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen 5'
In afwijking van het bepaalde in artikel 25.2.2, onder a en b geldt ten aanzien van het bestemmingsvlak waarbinnen de gronden ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen 5' voorkomen, voor bijgebouwen ten behoeve van de binnen dat bestemmingsvlak gelegen woning dat:
de gezamenlijke oppervlakte maximaal 220 m2 mag bedragen;
voor zover de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen meer bedraagt dan 150 m2, bijgebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen';
het bepaalde in artikel 25.2.2 onder a niet van toepassing is.
   
Opnemen aanduiding:
- 'specifieke bouwaanduiding - goot'
- 'specifieke bouwaanduiding - bijgebouw 5'  
Plan in overeenstemming brengen met part. herziening + vergunning  
35
 
Hagmolenweg 13, Bentelo   Bijlage 4a 'aard bedrijvigheid' is aangepast. Toegevoegd is houden fokken met koikarpers/sierkippen/-vogels   Geen aanpassing   Was bestemd als dierenartsenpraktijk, bestemming bedrijvigheid is aangepast naar dierenartsenpraktijk/houden en fokken met koikarpers/sierkippen/-vogels  
36   Hengevelderweg 8, Diepenheim   Geen aanpassingen   Woonbestemming opnemen   De bedrijfswoning op het perceel wordt omgezet in een woonbestemming.  
37   Holterweg 23, Markelo   Opgenomen in bijlage 4a: Holterweg 23, Markelo café/restaurant 1.500 m2 bedrijfsgebouwen   Geen aanpassing   Deze locatie was niet opgenomen.  
38   Kagelinksbosweg 10, Diepenheim   Opgenomen is Artikel 18.1 lid l. permante bewoning van de recreatiewoning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie – wonen'   Functieaanduiding 'specifieke vorm van recreatie – wonen' opgenomen;   Conform uitspraak Raad van State is opgenomen dat er door de huidige eigenaren permanent gewoond mag worden conform uitsterfconstructie  
39   Kemperweg 1, Markelo   Geen aanpassingen   Het bestemmingsvlak is opgenomen conform de bestemming in het bestemmingsplan Markelo 1997   Per ongeluk is een deel van de bestemming verwijderd.
 
40   Kluunvenneweg 5 en 5a Markelo   Geen aanpassingen   Agrarische bestemming is omgezet in bestemming wonen   Op verzoek van de makelaar is de agrarisch bestemming omgezet in een woonbestemming. Het agrarisch bedrijf is beëindigt.  
41   Krommedijk 1, Diepenheim   Geen aanpassingen   Bouwvlak opnemen   Er was geen bouwvlak opgenomen voor deze locatie.  
42   Kuipersweg 6, Ambt Delden   Geen aanpassingen   Bestemmingsvlak is aangepast conform gesloten overeenkomst   Bestemmingsvlak was niet in overeenstemming met de overeenkomst die in het kader van vitaal Azelo gesloten is.  
43   Langenhorsterweg 20 Ambt Delden   In bijlage 4 de pensionhonden en bijbehorende oppervlakte bedrijfsgebouwen zijn verwijderd.   Geen aanpassingen   Aangepast conform uitspraak Raad van State 5 maart 2013  
44   Lochemseweg ong. Markelo (naast nummer 7)   Geen aanpassingen   Specifieke bouwaanduiding 1 zichtbaar maken in het digitale plan.

Bestemming wonen is aan de zuidoostzijde iets groter geworden zodat de woning er binnen past  
In het digitale bestemmingsplan is de specifieke bouwaanduiding 1 niet te zien.
Bestemming is in overeenstemming gebracht met de verleende vergunning.  
45   Markveldseweg 15, Diepenheim   Geen aanpassingen   Woonbestemming opnemen   De bedrijfswoning op het perceel wordt omgezet in een woonbestemming.  
46   Nijhofweg 5, Diepenheim   Geen aanpassingen   Het bouwvlak is aangepast.   Bouwvlak was niet opgenomen zoals aangeven was in de zienswijzennotitie.  
47   Nieuwe Sluisweg ong. Diepenheim   De omschrijving in bijlage 4a wordt aangepast in: Gronddepot/ opslag van berm- en slootmaaisel   Aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - overige bedrijvigheid' is opgenomen.   De aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - overige bedrijvigheid' was niet opgenomen en de omschrijving van de activiteiten was niet in overeenstemming met de verleende vergunning.  
48   Oude Goorseweg 8, Diepenheim   Geen aanpassingen   Bouwvlak aanpassen conform ontwerpbestemmingsplan.
Aanduiding IV verwijderen  
Gelet op de uitspraak van de Raad van State wordt het bouwvlak aan de overzijde van de Oude Goorseweg verwijderd en wordt het bouwvlak opgenomen conform ontwerpbestemmingsplan. Ook wordt de aanduiding IV verwijderd. Zo is er geen sprake meer van strijdigheid tussen Biologisch en intensief houden van dieren.  
49   Platenkampsweg 3, Bentelo   Geen aanpassingen   Gedeelte van de horecabestemming wordt gewijzigd in bestemming sport   Op 13 september 2011 heeft het college besloten om de bedrijfswoning aan de Platenkampsweg 3 aan de bestemming sport toe te kennen.  
50   Roosdomsweg 17, Markelo   Artikel 25.2.10
In afwijking van het bepaalde in artikel 25.2.2 geldt ten aanzien van bijgebouwen ten behoeve van woningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen 8' de volgende regels voor bijgebouwen:
a. bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen ';
b. de oppervlakte bedraagt maximaal 235 m2,
c. de regels in artikel 25.2.2 met betrekking tot goothoogte en bouwhoogte zijn van toepassing;
is toegevoegd. Dit betekent dat de overige artikelen doorgenummerd worden  
De aanduiding: 'specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen 8' is opgenomen.   De aanduiding voor het realiseren van het bijgebouw was niet opgenomen.  
51   Roosdomsweg 36 - 36a, Markelo   Aard bedrijvigheid is: Loon- en grondverzetbedrijf   Geen aanpassingen   De omschrijving van de aard bedrijvigheid ontbrak. Deze is nu opgenomen.  
52   Schoneveldsweg 8a, Ambt Delden   Geen aanpassing   Bouwvlak aangepast conform omgevingsvergunning   Deel van de vergunde stal paste niet binnen het bouwvlak. Dit is nu aangepast.  
53   Torendijk, Ambt Delden   Geen aanpassingen   Een perceel was bestemd als bos dit moest zijn agrarisch met waarden    
54   Twikkelerweg 8a, Markelo   Geen aanpassing   Bestemming wonen opgenomen.   De bestemming wonen was niet opgenomen.  
55   Veldweg 4, Markelo   Opgenomen in bijlage 4b: Veldweg 4 Markelo, opslag/stalling/kantoor, 1.125 m2   Geen aanpassingen   Deze locatie was niet opgenomen. Er was opgenomen dat 400 m2 ten behoeve van opslag/stalling en kantoor was toegestaan, terwijl de situatie ter plaatse daarvan afwijkt. dit wordt hersteld.  
56   Wethouder Goselinkstraat, Hengevelde (ten oosten van nr. 16 )   Geen aanpassing   Bestemming bos is veranderd in de bestemming agrarisch.   Bij het aanpassen van de beekloop voor de Bolscherbeek is vanwege grondruil tussen het waterschap en een particulier vergunning verleend voor het verwijderen van dit bosje.  
57   Westerflierweg ong., Markelo (naast nr.7)   Geen aanpassingen   Bestemming wonen is ca. 10 meter vergroot in westelijke richting.   Er is gebleken dat de vergunde Rood voor Rood woning niet binnen de opgenomen woon bestemmingen paste. Het vlak is daarop aangepast.  
58   Eerste zomerdijk 1, Diepenheim   Geen aanpassingen   Bouwvlak is aangepast   Bouwvlak was niet goed opgenomen.  
59   Percelen voormalige kwekerij gemeente Goor   Geen aanpassingen   Bestemming 'Agrarisch met waarden' en bestemming 'Verkeer' is opgenomen   Het terrein was bestemd als 'Recreatie' met de aanduiding 'volkstuinen'. Dit komt niet overeen met de feitelijke situatie.  
60   Bijlage 9   In het overzicht zijn de volgende plattelandswoningen toegevoegd
- Drekkersweg 1, Bentelo
- Gorsveldweg 21, Bentelo
- Roosdomsweg 17, Markelo
- Roosdomsweg 19 Markelo
- Landgoed Weldam (4)
- Slaghekkenweg 30, Ambt Delden
- Kanaaldijk 44, Ambt Delden
- Bentelosestraat 81, Ambt Delden
- Enterweg 13, Markelo

Verwijderd is:
- Dijkerhoekweg 5, Markelo
- Gorsveldweg 16a

Veranderd is:
Needsweg 6 in Needseweg 6 Diepenheim  
   
61   Bijlage 10   punten systeem is op de volgende onderdelen aangepast:

- Het toekennen van één punt per volledig te renoveren karakteristiek bouwwerk.

- Het toekennen van één punt wanneer minimaal 50% van de aanwezige bebouwing voorzien is van asbest dakbedekking en volledig wordt gesaneerd.

- Het toekennen van één punt wanneer minimaal 50% van de te slopen bebouwing jonger is dan 30 jaar.

- Het combineren van de categorieën 'bos' en 'geriefbosje' tot de categorie 'erfbos' waarbij 1 punt wordt toegekend voor de aanleg van één erfbos met een minimale omvang van 2.500 m2.

- Het aanpassen van de categorie 'natuurlijk grasland', waarbij 1 punt wordt toegekend per 0,5 ha

- Het aanpassen van de categorie 'poel' waarbij 0,5 punt wordt toegekend per poel

- Het aanpassen van de categorie 'retentie' waarbij 1 punt wordt toegekend per 2.500 m2 retentiegebied  
geen aanpassingen    
Vastgestelde bestemmingsplannen
 
Nr.   plannaam   wijziging regels   wijziging verbeelding   toelichting  
1.   Buitengebied Diepenheim, wijziging Deldensestraat 11   In artikel 6.1 Bedrijf - Vab opnemen:
- een conferentiecentrum ter plaatse van de aanduiding 'congrescentrum'
- een groepsaccommodatie ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie';
podiumactiviteiten ter plaatse van de aanduiding 'congrescentrum';

In artikel 6.3 opnemen:
- recreatiewoningen;
- stacaravans;
- trekkershutten;
- horeca categorie II en categorie III;  
Aanduidingen:
- congrescentrum (coc);
- recreatie (vr)
opnemen.  
 
2.   Buitengebied Hof van Twente, wijziging Hagmolenweg 19 Bentelo   In artikel 29.1 opnemen:
- verblijfsrecreatie in de vorm van plattelandsappartementen in de bestaande bebouwing ter plaatse van de aanduiding verblijfsrecreatie met dien verstande dat:
1. de oppervlakte per appartementen maximaal 50 m2 bedraagt.
2. er maximaal 7 appartementen worden gerealiseerd.
3. er maximaal 28 slaapplaatsen mogen worden gerealiseerd.

in artikel 29.2 .4opnemen:
- Plattelandsappartementen
De plattelandsappartementen voldoen aan de volgende kenmerken:
a. uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie';
b. oppervlakte per plattelandsappartement bedraagt maximaal 50 m2;
c. uitsluitend de bestaande gebouwen zijn toegestaan;
d. herbouw en/of nieuwbouw van gebouwen is niet toegestaan;

In bijlage 6 is opgenomen verblijfsrecreatie met een oppervlakte van 495 m2.  
Opnemen aanduiding:
- verblijfsrecreatie opnemen (vr)

bestemming:
Wonen - Vab opnemen  
 
3.   Buitengebied Hof van Twente, herziening Borculoseweg 46 Diepenheim   In artikel 4.1.e opnemen:
- één woning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – bedrijfswoning 2;

In artikel 4.2 opnemen:
- gebouwd binnen het bouwvlak danwel ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - bedrijfswoning2 ';
 
opnemen aanduiding:
- 'specifieke bouwaanduiding - bedrijfswoning2'  
 
4.   Buitengebied Hof van Twente, herziening Drekkersweg 1 Bentelo   Opnemen in bijlage 9 plattelandswoning.   Bestemming wonen opnemen.    
5.   Buitengebied Hof van Twente, herziening Enterweg 13 Markelo   Opnemen in artikel 25.2
- specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen 6
- specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen 7
oppervlakte per woning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen 6' maximaal 85 m2; c. oppervlakte per woning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen 6 maximaal 360 m2, inclusief de deel bij de woning van 230 m2;  
Bestemming wonen opnemen en de aanduidingen:
- specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen 6
- specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen 7  
 
6.   Buitengebied Hof van Twente, herziening Gorsveldweg 21 Bentelo   Opgenomen in bijlage 9 plattelandswoning.   Bestemming wonen opnemen en de aanduiding:
- specifieke bouwaanduiding - inpandige bijgebouwen  
 
7.   Buitengebied Hof van Twente, herziening Kanaaldijk 44 en Bentelosestraat 81 Ambt Delden   In artikel 25.2.1 lid sub 5 opnemen:
- voor woningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - inpandige bijgebouwen2 maximaal 1.000 m3, inclusief inpandige bijgebouwen;
- opnemen in bijlage 7  
Bestemming wonen opnemen en de aanduiding:
- specifieke bouwaanduiding - inpandige bijgebouwen 2  
 
8.   Buitengebied Hof van Twente, herziening Potdijk 16 Markelo   In artikel 13.1 opnemen
- detailhandel met dien verstande dat uitsluitend ter plaatse geproduceerde goederen mogen worden verkocht;
In bijlage 4a onder maatschappelijk opnemen
Potdijk 16 Markelo/ dagopvang 250 m2   
Bestemming maatschappelijk opnemen.    
9.   Buitengebied Hof van Twente, Rood voor Rood landgoed Weldam   in artikel 25.2 opnemen
- ter plaatsen van de specifieke bouwaanduiding - goot is een goothoogte van 5,5 m toegestaan.  
Bestemming wonen opnemen en de aanduiding:
- specifieke bouwaanduiding - inpandige bijgebouwen
 
 
10   Buitengebied Hof van Twente, herziening Roosdomsweg 17 - 19 Markelo   in artikel 25.2 opnemen dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen 4' een bouwhoogte van 8 meter is toegestaan.   Bestemming wonen opnemen en de aanduiding
- specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen 4  
 
11.   Buitengebied Hof van Twente, herziening Slaghekkenweg 14b Bentelo   In artikel 6 opnemen
- een bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning', waarbij inwoning is toegestaan
In bijlage 4b opnemen:
- Torendijk 7 Ambt Delden/ reparatie en onderhoud van machines en hobbymatig restaureren van auto's/ oppervlakte 1.690 m2;

 
Bestemmingen Wonen, Bedrijf - Vab opnemen.

Bouwvlak agarisch locatie aanpassen.

Opnemen aanduidingen:
- 'specifieke vorm van agrarisch - sterlocatie'
- bedrijfswoning
- 'specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen 9'
 








 
12.   Buitengebied Hof van Twente, herziening Bovenbergweg 4, Markelo   Opnemen in 25.3.1 Voorwaardelijke verplichting
a. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voorwaardelijk' overeenkomstig de in lid 25.1 opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage 12 opgenomen erfinrichtingsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing;
b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 25.1 opgenomen bestemmingsomschrijving worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen een jaar na 21 augustus 2014 uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage 12 opgenomen erfinrichtingsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing.
In bijlage 11 is het landschapsplan bijgevoegd.  
Bestemming wonen en functie aanduiding 'specifieke vorm van wonen-vab' is opgenomen    
13.   Buitengebied Hof van Twente, herziening Bentelosestraat 69 Bentelo   Opnemen in 5.3.2 Voorwaardelijke verplichting
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - voorwaardelijk' overeenkomstig de in artikel 5.1 opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage 11 opgenomen erfinrichtingsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing, met dien verstande dat binnen een termijn van 12 maanden na 19 november 2014 dit verbod nog niet van toepassing is.
In bijlage 4b is de oppervlakte bedrijfsgebouwen aangepast in 1.250 m2.
In bijlage 12 is het landschapsplan bijgevoegd.  
Bestemming bedrijf opgenomen    

 

2.2 Toelichting wijzigingen

Hieronder volgt een toelichting op de onderdelen inhoud woningen, Rood voor Rood-regeling en tweede bedrijfswoningen.

2.2.1 Inhoud woningen

Naar aanleiding van de discussie in de raadsvergadering van 18 december 2012 en de commissie fysiek van 29 mei 2013 over de inhoud van woningen wordt voorgesteld om een afwijkingsbevoegdheid op te nemen waarmee de inhoud van woningen, met uitzondering van de rood voor rood woningen, kan worden vergoot van 750 m3 naar 900 m3.

Dit is als zodanig opgenomen in artikel 46.2 van de regels van het nu voorliggende bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente'.

De inhoud van 900 m3 is niet bij recht opgenomen om te voldoen aan de eisen in de provinciale omgevingsverordening. De provincie is van mening dat de vergroting gepaard moet gaan met een investering in de ruimtelijke kwaliteit.

In de afwijkingsbevoegheid is opgenomen dat een erfinrichtingsplan moet worden overlegd. Hiermee wordt voldaan aan de investering in de ruimtelijke kwaliteit.

2.2.2 Rood voor Rood-regeling

In het op 18 december 2012 vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente is het rood voor rood beleid met 'puntensysteem' opgenomen. Rood voor Rood woningen groter dan 750 m3 worden mogelijk gemaakt ná een tegenprestatie van sloop en een investering in de ruimtelijke kwaliteit met het 'puntensysteem'. Tijdens de raadsvergadering van 18 december 2012 en de commissie fysiek van 29 mei 2013 heeft uw raad aangegeven belang te hebben bij een verdere versimpeling/ drempelverlaging van de Rood voor Rood-regeling. Het 'puntensysteem' zou veel geld kosten, lastig te controleren en te bureaucratisch zijn.

In het voorliggende bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente' is de wijzigingsbevoegheid (artikel 49.5) aangepast en versimpeld.

Voor het realiseren van een Rood voor Rood compensatiewoning vervalt het 'puntensysteem' en gelden alleen als voorwaarden de sloop van voormalige agrarische bebouwing (1.000 m2), een goede landschappelijke inpassing en een schetsplan van de nieuwe woning. De afspraken en randvoorwaarden worden met een initiatiefnemer in een privaatrechtelijke overeenkomst vastgelegd voordat het wijzigingsplan wordt opgesteld.

Eén en ander in ogenschouw genomen leidt tot de volgende voorstellen voor aanpassing van de in het bestemmingsplan opgenomen rood voor rood regeling:

Voor een rood voor rood woning vervalt het puntensysteem en geldt alleen de sloop van voormalige agrarische bebouwing (1000 m2) een goede landschappelijke inpassing en een (in de omgeving passend) schetsontwerp van de woning.

Voor het vergroten van bestaande woningen wordt het puntensysteem aangepast. Het puntensysteem voor het vergroten van een woning wordt op de volgende onderdelen aangepast:

  • Het toekennen van één punt per volledig te renoveren karakteristiek bouwwerk.
  • Het toekennen van één punt wanneer minimaal 50% van de aanwezige bebouwing voorzien is van asbest dakbedekking en volledig wordt gesaneerd.
  • Het toekennen van één punt wanneer minimaal 50% van de te slopen bebouwing jonger is dan 30 jaar.
  • Het combineren van de categorieën 'bos' en 'geriefbosje' tot de categorie 'erfbos' waarbij 1 punt wordt toegekend voor de aanleg van één erfbos met een minimale omvang van 2.500 m2.
  • Het aanpassen van de categorie 'natuurlijk grasland', waarbij 1 punt wordt toegekend per 0,5 ha.
  • Het aanpassen van de categorie 'poel' waarbij 0,5 punt wordt toegekend per poel
  • Het aanpassen van de categorie 'retentie' waarbij 1 punt wordt toegekend met een minimale omvang van 2.500 m2 retentiegebied.

Het aanpassen van de puntenvereisten voor het vergroten van een woning op de volgende onderdelen:

  • Het vereiste aantal punten bij een uitbreiding van een woning (rood voor rood) van 750 m3 naar 900 m3 stellen op: 5
  • Het vereiste aantal punten bij een uitbreiding van een woning van 900 m3 naar 1500 m3 stellen op: 5
  • Het vereiste aantal punten bij een uitbreiding van een woning van 900 m3 naar 2000 m3 stellen op: 10

Daarnaast wordt het mogelijk om de regeling breder toe te passen in situaties waarin bijvoorbeeld een tweede bedrijfswoning bij een bedrijf aanwezig is.

Basis

De basis van de regeling ziet op: het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit.

Zij kent als middel de sloop van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing (tenminste 1000 m2 sloop). De landbouw heeft het primaat in het buitengebied. Deelname mag belendende percelen niet belemmeren voor het uitoefenen van de geldende bestemming. In de Landbouwontwikkelingsgebieden (LOG) geldt het “nee, tenzij principe”.

Ontwikkelingen

De gemeente kent krimp, waardoor er nauwelijks behoefte is aan het toevoegen van woningen. Een en ander is verwoord in de Oplegnotitie 2012-2015 in vervolg op de Woonvisie Groeien in kwaliteit 2012-2015 en is vertaald in het woningbouwprogramma.

Er wordt een toename van stoppende agrariërs verwacht en daarmee een grote toename van vrijkomende bebouwing. De leefbaarheid en vitaliteit van het buitengebied staan onder druk.

Uitgangspunten

Uitgangspunten voor het verkrijgen van een compensatiekavel door toepassing van artikel 49.5 (de wijzigingsbevoegdheid) uit het bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente:

  • a. de (agrarische) bedrijfsvoering op de deelnemende locaties zijn/worden beëindigd en waarbij de milieuvergunning wordt ingetrokken;
  • b. de deelnemende (voormalige) agrarische bedrijven en de nieuwe woning ligt in het verwevings- of extensiveringsgebied;
  • c. op de slooplocaties blijft maximaal 150 m2 gehandhaafd, bij een grotere oppervlakte is artikel 46.3 van het bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente van toepassing;
  • d. de sloop is afkomstig uit de gemeente Hof van Twente;
  • e. het gehele complex met (voormalige) (agrarische) gebouwen (inclusief silo's, kelders en erfverharding en dergelijke) wordt gesloopt (minimaal 1000 m2) met uitzondering van de (bedrijfs)woning, karakteristieke bebouwing en/of bebouwing van cultuurhistorische waarden;
  • f. de nieuwe woning wordt op de slooplocatie of bij bestaande bebouwing gerealiseerd, zodat een cluster van bebouwing in een samenhangend ensemble ontstaat;
  • g. eerdere verplichtingen tot sloop of investeringen in ruimtelijke kwaliteit kunnen niet in de regeling worden ingebracht;
  • h. er wordt voorzien in een goede evenredige landschappelijke inpassing en erfinrichting door middel van een erfinrichtings- en/of beplantingsplan, bij het opstellen wordt een landschapsdeskundige geraadpleegd;
  • i. er wordt een schetsplan van de nieuwe woning overlegd;
  • j. de minimale investering in ruimtelijke kwaliteit wordt vastgelegd aan de hand van een schetsplan van de bebouwing en erfinrichtings- en of beplantingsplan met een instandhoudingstermijn van 10 jaar;
  • k. geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van de belangen van eigenaren en/of gebruikers van omliggende gronden;
  • l. voor de uitvoerbaarheid van het bouwplan waarvoor de wijziging wordt toegepast, moet in elk geval worden aangetoond:
    • 1. dat de milieuhygiënische situatie van de bodem de ontwikkeling waarvoor de wijziging wordt toegepast niet belemmerd;
    • 2. dat geen onevenredige aantasting van aan de grond eigen zijnde archeologische waarden zal plaatsvinden.

Nadere invulling van de uitgangspunten.

Ad. a.

De regeling is bedoeld om na bedrijfsbeëindiging, vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing te slopen. De bepaling is opgenomen om te voorkomen dat opnieuw voor de bestemming wordt gebouwd.

Als de wijzigingsbevoegdheid niet onverkort van toepassing is kan een compensatiewoning alleen met maatwerk worden gerealiseerd. Er is een herziening van het bestemmingsplan nodig. De gemeenteraad is dan bevoegd. Dit is aan de orde als de regeling wordt gebruikt om een “tweede bedrijfswoning” te realiseren. Daarbij geldt het volgende:

  • Op de slooplocatie(s) moet(en) alle vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing inclusief erfverharding, mestsilo's, kuilvoerplaten, mestkelders, sleufsilo's etc. worden verwijderd;
  • De bedrijfsbestemming(en) moet(en) worden omgezet op de slooplocatie(s) en de daarbij behorende vergunningen moeten worden ingetrokken;
  • Eén bewoner van de compensatiewoning is duurzaam aan het bedrijf verbonden en toont dat aan (aan te tonen met een bedrijfsplan);
  • De woning krijgt de status van bedrijfswoning, zodat deze niet belemmerend is voor de bedrijfsvoering;
  • Als er sprake is van een niet-agrarisch bedrijf kan geen bedrijfsbebouwing en/of bijgebouwen worden toegevoegd, tenzij deze bebouwing wordt gecompenseerd;

Ad. b.

Voor agrarische bedrijven in de landbouwontwikkelingsgebieden geldt het “Nee, tenzij-principe”. De locaties moeten zoveel als mogelijk is beschikbaar blijven voor de landbouw. Alleen als de eigenaar van een bedrijf verzoekt tot omzetting van de agrarische bedrijfsfunctie naar de woonbestemming kan daarvan worden afgeweken. Als de sloop leidt tot een compensatiewoning moet die elders worden gerealiseerd. Deze ontwikkeling is mogelijk als de locatie niet geschikt is voor de ontwikkeling van een volwaardig agrarisch bedrijf. Er kan worden overwogen de roodvoorroodregeling toe te passen als de naast gelegen bedrijven kunnen blijven ontwikkelen tot een bedrijf van 3 ha. De agrarische bestemming kan niet worden behouden, omdat daarmee herbouw van de te slopen opstallen mogelijk blijft. De compensatiewoning wordt buiten het gebied gerealiseerd, tenzij de locatie aansluit aan het verwevingsgebied en waardoor belemmeringen ten aanzien van de landbouw optreden.

Ook in deze situaties moet het bestemmingsplan worden herzien en kan geen gebruik worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in dit bestemmingsplan.

Ad. c.

Deze bepaling geeft weer dat de wijzigingsbevoegdheid van de roodvoorroodregeling en artikel 46.3 naast elkaar kunnen worden toegepast. Als meer bebouwing blijft staan, waarin de regelingen samen niet voorzien, is sprake van maatwerk en moet het bestemminsplan worden herzien.

Ad. d.

Geen toelichting nodig.

Ad. e.

Onder c is vermeld wanneer meer bebouwing kan blijven staan. Alleen te slopen vergunde gebouwen, die ten minste drie jaar voor het (agrarisch) bedrijf in gebruik zijn (geweest), tellen mee in de sloopoppervlakte. Mestsilo's, sleufsilo's, mestkelders en erfverhardingen etc. moeten worden gesaneerd, maar tellen niet mee in de te slopen gebouwen.

Ad. f.

Solitaire woningen moeten worden voorkomen. Om die reden moet bebouwing in clusters en aansluitend bij bestaande bebouwing worden gerealiseerd. De erven moeten in stand blijven en versterkt. In uitzonderlijke situaties kan aansluitend aan een kern of buurtschap een compensatiewoning worden gerealiseerd. Clustering van bebouwing en het realiseren van ensembles vormt de basis.

Een solitaire als zodanig aangeduide recreatiewoning kan worden vergroot tot maximaal 750 m3, mits 1000 m2 als sloop wordt ingebracht. Herbouw van de te slopen bebouwing op de slooplocatie is niet mogelijk, omdat de bestemming is gewijzigd of wordt gewijzigd. Deze mogelijkheid geldt alleen buiten de EHS en/of Natura 2000-gebieden.

Ad. g.

Om te voorkomen dat een compensatiewoning wordt verkregen zonder de op grond van de regeling benodigde investering, mogen eerdere verplichtingen niet worden ingebracht. Ook investeringen die worden gesubsidieerd mogen niet als investering worden ingebracht.

Ad. h.

De investering in ruimtelijke kwaliteit moet worden beoordeeld en naast de sloop van 1000 m2 is een extra investering noodzakelijk. Deze investering kan bestaan uit extra sloop, een erfinrichtingsplan dat meer biedt dan alleen de landschappelijke inpassing, een woning die meer biedt dan de minimale eisen van welstand en/of duurzaamheidsvoorzieningen.

Dit zal blijken uit het verzoek en de realisatie van het plan wordt in een overeenkomst gewaarborgd.

Ad. i.

Het schetsplan wordt aan de hand van de welstandsnota met de rayonarchitect van het Oversticht beoordeeld. Soms wordt een beeldkwaliteitsplan als aanvulling op de welstandsnota opgesteld. De systematiek van de welstandsnota wordt daarbij gehanteerd, waarbij plaatsing, hoofdvorm, materiaaltoepassing en detaillering van de te realiseren bebouwing wordt beschreven.

Ad. j.

Om de naleving van de afspraken te waarborgen wordt een overeenkomst gesloten. Daarin wordt een boeteclausule opgenomen. Het bedrag wordt bepaald op € 100.000,--. In het bestemmingsplan wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen als garantie voor de naleving van de overeenkomst.

Ad. k.

Dit is een standaard voorwaarde welke hier geen nadere toelichting behoeft.

Ad. l.

Dit is een standaard voorwaarde welke hier geen nadere toelichting behoeft.

In het vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente is het rood voor rood beleid met 'puntensysteem' opgenomen. Woningen groter dan 750 m3 worden mogelijk gemaakt ná een tegenprestatie van sloop en het investering in de ruimtelijke kwaliteit met het 'puntensysteem'. De raad heeft aangegeven belang te hebben bij een verdere versimpeling/drempelverlaging van de regeling.

Gebleken is dat men met name moeite had met de puntenwaardering en het niet toekennen van punten bij asbestsanering. In het overleg zijn naast asbestsanering een aantal andere zaken aan de orde gekomen, namelijk sloop van relatief nieuwe opstallen met bijbehorende hoge sloopkosten, de bouw van een bijzondere woning (bijvoorbeeld een schuurwoning) en de huidige waardering van punten per landschapselement.

Ook is verwezen naar de regeling in de gemeente Raalte waarbij als tegenprestatie voor een rood voor rood woning de sloop van 850 m2 aan stallen is benoemd en 'door middel van een inrichtingsplan dient aangetoond te worden dat sprake is van een goede landschappelijke inpassing en een toename van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied conform de richtlijnen uit het Landschapsontwikkelingsplan. Daarnaast dient aangetoond te worden dat de ligging en uitstraling van de compensatiewoning past binnen de bestaande bebouwingsstructuur.

De bouw van een bijzondere woning (bijvoorbeeld een schuurwoning) is reeds randvoorwaardelijk verbonden aan de regeling. Sinds 2008 wordt de te realiseren woning op het erf afgestemd met het Oversticht en maakt het erfinrichtingsplan samen met het schetsontwerp van de woning onderdeel uit van de rood voor rood overeenkomst. Deze werkwijze gaat verder dan het reguliere welstandstraject en heeft tot doel een grotere relatie van de nieuwbouwwoning met het erf en zijn omgeving.

Hoofdstuk 3 Uitgangspunten en beleidsvisie

De gemeente Hof van Twente streeft met dit bestemmingsplan buitengebied enerzijds naar het behoud van bestaande waarden en belangen en anderzijds naar het creëren van ruimte voor de ontwikkeling van de agrarische sector, recreatie en landschaps- en natuurontwikkeling. Door een gericht beleid en zonering van bescherming en ontwikkelingsmogelijkheden wordt invulling gegeven aan de strategie van 'behoud door ontwikkeling' en wordt een duurzaam perspectief geboden aan de bestemde functies. Ook het reconstructiebeleid wordt vertaald in het bestemmingsplan.

Voldoende ruimte en flexibiliteit voor ontwikkeling in het beleid is van belang voor een vitaal en leefbaar buitengebied. Het bestemmingsplan betreft evenwel generiek beleid en kan geen ontwikkelingen afdwingen. Grotere en meer specifieke ontwikkelingen vereisen al gauw maatwerk om zeker te stellen dat zij geen waarden aantasten en waar mogelijk bijdragen aan de gemeentelijke ambities. Voor dergelijke ontwikkelingen wordt daarom een eigen planologisch en milieutraject doorlopen.

In dit hoofdstuk worden eerst de algemene ontwikkelingen en trends op het platteland kort toegelicht. Deze trends en ontwikkelingen zijn het uitgangspunt voor het bestemmingsplan en waren ook uitgangspunt voor de structuurvisie voor het buitengebied. Vervolgens worden de ambities van de gemeente voor het buitengebied van Hof van Twente benoemd en wordt aangegeven op welke wijze voorliggend bestemmingsplan hier invulling aan geeft.

3.1 Uitgangspunten: ontwikkelingen en trends op het platteland

De agrarische sector is van oudsher een belangrijke drager van het landschap en economische drager in het buitengebied. Door marktwerking en schaalvergroting neemt het aantal agrarische bedrijven de laatste decennia sterk af. Agrarische bedrijfsgebouwen komen leeg te staan en bedrijven die door gaan worden steeds groter. Bedrijfsgebouwen worden groter, de verkaveling efficiënter en de binding van bedrijven met de omliggende gronden is niet meer voor alle bedrijven vanzelfsprekend.

De kwaliteit van de natuur staat onder druk, en heeft nadrukkelijke aandacht. De toenemende gebruiksintensiteit van het buitengebied, toenemende vermenging van functies en versnippering door infrastructurele werken hebben hieraan bijgedragen.

Hierin speelt ook de toenemende belangstelling voor het buitengebied bij recreanten en de behoefte aan wonen in het buitengebied een rol.

Voorgaande ontwikkelingen vragen om bewuste afwegingen ten aanzien van het gebruik en de inrichting van gronden en gebouwen in het buitengebied. Het bestemmingsplan vormt het juridisch kader waarbinnen deze afwegingen plaats kunnen vinden. Ten aanzien van de landbouw kan dit bijvoorbeeld door enerzijds ruimte te geven aan schaalvergroting in gebieden waar dit kan en anderzijds de mogelijkheden te beperken waar dit ongewenste effecten teweeg brengt op omliggende waarden en belangen.

In deze gebieden kan het bieden van ruimte voor hergebruik van vrijkomende (agrarische) bebouwing perspectief bieden voor ondernemers, in combinatie met de ontwikkeling van nieuwe natuur en landschap. Zo wordt op meerdere manieren tegelijkertijd bijdragen aan de recreatief en sociaaleconomische doelstellingen van de gemeente die bijdragen aan een duurzame inrichting van het buitengebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0002.jpg"

Het platteland is in trek bij de recreant

De ambities van de gemeente voor het behoud en de ontwikkeling van het buitengebied komen in paragraaf 3.3 aan de orde, waarbij voorbeelden zijn opgenomen hoe voorliggend bestemmingsplan hieraan bijdraagt.

3.2 Sturingsfilosofie

De gemeente speelt met dit bestemmingsplan in op de autonome ontwikkelingen in het buitengebied en wil met het bestemmingsplan tevens sturing geven aan de ambities uit de structuurvisie 2010. Daarbij streeft de gemeente naar transparante en efficiënte regels die voor een ieder helderheid bieden over de (on)mogelijkheden in het buitengebied en die planologische procedures waar mogelijk beperken.

Voor ontwikkelingen die bijdragen aan de gemeentelijke visie en waarvan op voorhand duidelijk is dat zij geen schade kunnen berokkenen aan het woon- of leefmilieu, natuur of landschap en dergelijke is gekozen voor het bieden van ruime mogelijkheden bij recht. Dat wil zeggen dat deze zonder meer toegestaan zijn, waardoor voor burgers de drempel lager ligt om het buitengebied mee te ontwikkelen, bijvoorbeeld door nevenactiviteiten te ontplooien of inrichtingsmaatregelen te treffen welke bijdragen aan de integrale doelstellingen voor het buitengebied.

Tegelijkertijd wordt het buitengebied gekenmerkt door bijzondere kwaliteit op het gebied van onder meer landschap, natuur, historische waarden, milieu en rust. Nieuwe activiteiten die een potentieel risico vormen voor de aanwezige waarden of belangen van derden zijn niet zonder meer toegestaan, maar vereisen een afwijking van gebruik- of bouwregels of wijziging van het bestemmingsplan. Voor een juridische toelichting op afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels en wijzigingsbevoegdheden zie paragraaf 6.1.3.4. De procedures die hierop van toepassing zijn staan beschreven in de Algemene procedureregels als opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.

Voor grootschalige ontwikkelingen schiet het generieke beleid vaak tekort en is vrijwel altijd maatwerk nodig, wat wil zeggen dat een zelfstandige planologische procedure dient te worden doorlopen.

3.3 Ambities van de gemeente

De gemeente Hof van Twente heeft in de structuurvisie 2010 zeven kernkwaliteiten van het landelijk gebied in de gemeente aangewezen:

  • 1. sterke agrarische structuur;
  • 2. grote mate van ondernemerschap;
  • 3. breed scala aan landelijke woonmilieus;
  • 4. gevarieerd en aantrekkelijk landschap;
  • 5. robuust ecologisch netwerk;
  • 6. sterk ontwikkelde recreatieve (infra)structuur;
  • 7. goede regionale infrastructuur.

De gemeente heeft in de structuurvisie 2010 per aspect beleidsambities benoemd, die een belangrijk uitgangspunt vormen voor dit bestemmingsplan en onderstaand per kernkwaliteit kort worden toegelicht.

3.3.1 Wonen en leven

Ambitie: Variatie in landelijke woonmilieus sluit aan bij behoefte

In Nederland wordt door de woonconsument bijzondere waarde toegekend aan het landelijke woonmilieu, zeker wanneer dit woonmilieu nabij grotere steden is gelegen. De gemeente wil de variatie behouden en waar mogelijk verder uitbouwen.

In het buitengebied wordt verstening zoveel mogelijk voorkomen. Het functieveranderingsbeleid (hergebruik vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen, rood voor rood-regeling) biedt evenwel mogelijkheden voor de realisatie van nieuwe woonruimte.

Ambitie: Noaberschap en leefbaarheid

De inwoners van het landelijk gebied en de dorpen en buurtschappen hebben een sterke sociale en maatschappelijke binding met het gebied waarin ze wonen. De gemeente wil het noaberschap behouden door ruimte te bieden aan een gevarieerde bevolkingssamenstelling in het landelijk gebied. De gemeente wil tevens de leefbaarheid ondersteunen door behoud van voorzieningen te bevorderen en werkgelegenheid in het landelijk gebied te stimuleren.

Deze ambitie komt onder meer tot uitdrukking in de mogelijkheden die in dit bestemmingsplan geboden worden voor het ontplooien van nevenactiviteiten.

Ambitie: Behoud van buurtschappen

De gemeente streeft ernaar mogelijkheden te kunnen bieden aan jongeren die in het eigen buurtschap willen blijven wonen. Dit kan door nieuwe woningen mogelijk te maken in karakteristieke schuren en door het gebruik van de rood voor rood-regeling in buurtschappen actief te stimuleren.

De VAB-regeling en de Rood voor Rood-regeling zijn dan ook in het bestemmingsplan verwerkt.

Ambitie: Nieuwe woningen op bestaande erven

De gemeente streeft ernaar de karakteristiek van het landelijk gebied te behouden en zo weinig mogelijk bebouwing toe te voegen die niet functioneel aan het buitengebied gebonden is. Wel past het omvormen van voormalige agrarische erven naar woonerven binnen de ambities van de gemeente, mits daarbij een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt.

Deze ambitie komt tot uitdrukking in de mogelijkheden die binnen dit bestemmingsplan worden geboden voor diverse vormen van hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing.

Ambitie: Grote woningen

De gemeente wil tegemoet komen aan de wensen van de hedendaagse woonconsument en aan zelfstandigen en kleine dienstverlenende bedrijven, die behoefte hebben aan grotere woningen, bijvoorbeeld om privé en werk goed te kunnen combineren.

Deze ambitie komt tot uitdrukking in alle bestemmingen waarin een ruime generieke inhoudsmaat is opgenomen voor woningen (max. 900 m3 in plaats van de oude 750 m3) en landhuizen (max. 2.000 m3, onder voorwaarden).

Ambitie: Behoud karakteristieke boerderijen

De gemeente streeft ernaar om bebouwing met een streekeigen karakter te behouden. Karakteristieke boerderijen mogen daarom na functieverandering een grotere inhoudsmaat hebben dan reguliere woningen. In geval van nieuwbouw dient het gehele erf in karakteristieke Twentse stijl te worden ingericht.

Deze ambitie komt tot uitdrukking in het de regels voor functieverandering waarin karakteristieke gebouwen zijn uitgesloten van de sloopplicht en een ruimere maximum inhoud kennen bij hergebruik als woning. Behoud van agrarische ensembles is bij functieverandering als toetsingscriterium opgenomen.

3.3.2 Landbouw

Ambitie: Groei grondgebonden landbouw faciliteren en inpassen

De gemeente kiest ervoor om ruimte te bieden aan een grootschalige gespecialiseerde agrarische sector. Rekening houdend met de afname van het aantal bedrijven wil de gemeente de groei van de overblijvende (gezins)bedrijven faciliteren. Zorgvuldige landschappelijke inpassing is een vereiste.

Deze ambitie komt tot uitdrukking in de agrarische bestemmingen, waarin agrarische bedrijven positief zijn bestemd en een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen voor vergroting van het agrarisch bouwvlak in landbouwontwikkelingsgebied tot maximaal 3 ha en in verwevingsgebied tot maximaal 2 ha, waarvan 1,5 ha gebruikt mag worden ten behoeve van intensieve veehouderij. Uitsluitend één bouwlaag mag gebruikt worden voor het houden van dieren.

Ambitie: Paardenhouderij (productiegericht)

De paardenhouderij is een bedrijfstak die ook binnen Hof van Twente in opkomst is. De gemeente streeft ernaar de negatieve ruimtelijke effecten van paardenbakken en -weiden te minimaliseren.

Deze ambitie komt tot uitdrukking in de afwijking van gebruiksregels voor paardenbakken op het agrarisch bouwvlak of bij een woning, die ondermeer de landschappelijke inpassing als voorwaarde stelt en het oprichten van lichtmasten uitsluit.

Ambitie: Landbouw en behoud van landschappelijke waarden

De gemeente wil dat het agrarisch grondgebruik anticipeert op de aanwezigheid van te behouden landschapswaarden, zoals de openheid en het reliëf van grote essencomplexen, de openheid van kleinschalige broekontginningslandschap en de aanwezige houtsingels en houtwallen in het hele gebied.

Deze ambitie komt tot uitdrukking door middel van de bestemming 'Agrarisch met waarden', waarin een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is opgenomen voor waarden als openheid en reliëf.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0003.jpg"

Ruimte bieden aan de agrarische sector, met behoud van landschapswaarden

Ambitie: Intensieve veehouderij

Op het gebied van intensieve veehouderij streeft de gemeente ernaar het beleid dat is vastgelegd in het Reconstructieplan Salland - Twente zo goed mogelijk uit te voeren. In het deel van Hof van Twente dat is aangewezen als extensiveringsgebied wordt gestreefd naar bedrijfsverplaatsing of bedrijfsbeëindiging. In het overgrote deel van de gemeente dat is aangewezen als verwevingsgebied wordt gewaakt voor schade aan ecologische en landschappelijke kwaliteit. Binnen de aangewezen vijf landbouwontwikkelingsgebieden (Markelosebroek, Elsenerbroek, Zeldam, Wiene en de Slaghekkenweg) is ruimte voor een verdere groei van intensieve veehouderij.

Deze ambitie komt tot uitdrukking door de aanduidingen 'extensiveringsgebied', 'landbouwontwikkelingsgebied' en 'verwevingsgebied' en het bijbehorende reconstructiebeleid.

Ambitie: Mestvergisting

De gemeente staat positief tegenover de ontwikkeling van kleinschalige mestvergistingsinstallaties op bouwpercelen van agrarische bedrijven.

Deze ambitie komt tot uitdrukking in de agrarische bestemmingen, waarbinnen mestvergistingsinstallaties met een afwijking van gebruiks- of bouwregels zijn opgenomen.

Ambitie: Verbrede landbouw

De gemeente streeft naar het behoud van agrarische bedrijven en wil daarom ruimte bieden om aanvullende inkomsten te genereren. Het behoud van de agrarische uitstraling en een goede landschappelijke inpassing van het betreffende erf zijn hierbij voorwaarden.

Deze ambitie komt tot uitdrukking in de agrarische bestemmingen waarin ruime mogelijkheden voor nevenactiviteiten en omschakeling zijn opgenomen.

Ambitie: Hobbybedrijven

De bijdrage van hobbybedrijven aan het beheer van het landelijk gebied is aanzienlijk. De gemeente wil dit beheer mogelijk maken door ruimte te bieden voor stallingsruimte voor materieel en dieren.

Deze ambitie komt tot uitdrukking in de ruime regeling voor bijgebouwen in de algemene afwijkingsregels, waarvoor wel nadrukkelijke kwaliteitseisen gelden.

3.3.3 Recreatie en toerisme

Ambitie: Verblijfsrecreatie

De gemeente streeft ernaar te kunnen blijven inspelen op de vraag van de toerist en het toeristisch-recreatief product te versterken. De gemeente streeft naar nieuwe of vernieuwende initiatieven op het gebied van verblijfsrecreatie en wenst verbetering, verhoging en diversificatie van het aantal toeristische overnachtingen.

Deze ambitie komt tot uitdrukking in de mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt voor recreatieve nevenactiviteiten en een wijzigingsbevoegdheid van agrarisch naar onder meer recreatieve functies.

Ambitie: Dagrecreatie

Dagrecreatie is als tegenwicht voor het drukke maatschappelijke leven van groot belang geworden. De gemeente wil de huidige recreatieve structuur borgen en verdiepen door samenwerking, het vergroten van de kwaliteit en de bestedingen.

De gemeente streeft ernaar dat de dagrecreatieve mogelijkheden verder (kwantitatief en kwalitatief) worden versterkt. Dit kan door het toelaten van meerdere kleine en één of enkele middelgrote attractiepunten, bijvoorbeeld een natuurpark.

Deze ambities dienen door een marktpartij te worden gerealiseerd en komen daarom niet direct tot uitdrukking in het generieke beleid uit dit bestemmingsplan.

Ambitie: Waterbeleving en waterrecreatie

De gemeente streeft ernaar in het landelijk gebied het beleven en gebruiken van het aanwezige oppervlaktewater te bevorderen. Toervaart in het Twentekanaal en de Zijtak behoort tot de wensen, evenals het realiseren van aanlegplaatsen nabij Goor of Delden.

Deze ambitie komt tot uitdrukking in de mogelijkheden die het bestemmingsplan binnen de water bestemmingen biedt voor extensief recreatief medegebruik.

Ambitie: Maneges en paardenhouderijen

De gemeente wil inspelen op de opkomst van de paardensport en paardenhouderij (gebruiksgericht), omdat het buitengebied van Hof van Twente zich hiervoor bijzonder goed leent door het grote aantal onverharde wegen en het aantrekkelijke landschap.

Deze ambitie komt tot uitdrukking in de ruime mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voor bijvoorbeeld paardenbakken tot 1.200 m2 op de agrarische bouwkavel en paardenbakken tot 800 m2 op of aangrenzend aan de woonbestemming. Dit alleen ten behoeve van gebruiksgerichte paardenhouderijen.

Ambitie: Paden en routes

Het netwerk aan recreatieve wandel- en fietspaden in Hof van Twente is sterk ontwikkeld. Het vormt een belangrijke drager onder de plattelandsrecreatie in het gebied. De gemeente streeft naar een versterking van het netwerk in de vorm van lokale ommetjes op de grens van de kernen en het landelijk gebied.

Deze ambitie komt indirect tot uiting in de agrarische bestemmingen, waar wegen en paden voor recreatief medegebruik bij recht bestemd zijn.

Ambitie: Beleef Hof van Twente

De gemeente streeft ernaar voorzieningen en attracties zoals monumenten, belangrijke locaties en buurtschappen eenduidig te etaleren door een (bescheiden) systeem van bebording en beschrijving, zowel in het veld als in brochures.

Deze ambitie hoort niet in het bestemmingsplan thuis, maar in het gemeentelijk beleid voor bebording. De bedoelde voorzieningen en attracties zijn in het bestemmingsplan wel planologisch geregeld.

3.3.4 Overige bedrijvigheid en windenergie

Ambitie: Bestaande niet-agrarische bedrijven

De niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied wordt positief gewaardeerd vanwege de bijdrage aan een sterke plattelandseconomie en de werkgelegenheid. De gemeente streeft er echter naar terughoudend om te gaan met uitbreiding van niet-agrarische bedrijvigheid in het landelijk gebied aangezien deze vormen van bedrijvigheid een andere uitstraling en impact hebben op het landelijk gebied dan agrarische bedrijven.

Deze ambitie komt tot uitdrukking binnen de bestemming 'Bedrijf' en de mogelijkheden en beperkingen die daarin zijn opgenomen.

Ambitie: Hergebruik vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen (VAB) door bedrijven

De gemeente streeft naar hergebruik dat een bijdrage levert aan de versterking van de vitaliteit van het landelijk gebied, het behouden van de sociale structuren, het realiseren van nieuwe economische dragers in het landelijk gebied en het benutten van de resterende economische waarde van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen voor andere bedrijvigheid. De combinatie van nieuwe bedrijvigheid en het versterken van landschappelijke kwaliteit zijn de uitgangspunten.

Deze ambitie komt tot uitdrukking in de diverse mogelijkheden die het bestemmingplan biedt voor hergebruik en het omzetten van bestemmingen.

Ambitie: Windenergie

De gemeente Hof van Twente is voorstander van het opwekken van duurzame energie. Vanwege de landschappelijke gevolgen en de potentiële hinder van de grootschalige windturbines streeft de gemeente ernaar te onderzoeken of hier reële alternatieven tegenover staan. De gemeente streeft bovendien naar kleinschalige vormen van duurzame energie zoals de toepassing van zonnepanelen op daken van bijvoorbeeld bedrijfsgebouwen en de toepassing van kleinschalige windturbines.

Deze ambitie is onvoldoende concreet voor verwerking in dit bestemmingsplan. Indien initiatiefnemers zich aandienen zal naar de concrete uitwerkingsmogelijkheden worden gekeken.

3.3.5 Natuur

Ambitie: Behoud, herstel en versterking van natuurwaarden

De gemeente streeft ernaar het bestaande beheer door natuurbeherende instanties, landgoedeigenaren en particulieren van bestaande natuurgebieden voort te zetten. Daarnaast wil de gemeente ruimte bieden aan medeoverheden, natuurbeherende instanties en particulieren om nieuwe natuur te realiseren.

Deze ambitie komt onder andere tot uitdrukking in de bestemmingen 'Agrarisch met waarden', 'Bos' en 'Natuur', waarin bestaande waarden zijn beschermd en daarnaast tevens in de dubbelbestemming 'Waarde - Ehs', waarin ook omschakeling naar natuur mogelijk is.

3.3.6 Landschap en ruimtelijke kwaliteit

Ambitie: Behoud, herstel en versterking van de landschappelijke waarden

Het landschap is een van de peilers onder de ontwikkeling van Hof van Twente. De gemeente streeft ernaar dat er blijvend geïnvesteerd wordt in het landschap. De gemeente wil hierbij de karakteristieke verschillen in landschapstypen beschermen. Behoud door ontwikkeling staat centraal.

Deze ambitie komt onder meer tot uitdrukking in het functieveranderingsbeleid, waarin bijdragen aan de omgevingskwaliteit als voorwaarde gelden voor de afwijking van gebruiks- of bouwregels danwel wijzigingbevoegdheid. Voorts worden in de bestemming 'Agrarisch met waarden', de voorkomende waarden beschermd door middel van een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.

Ambitie: Behoud monumenten en karakteristieke boerderijen

De gemeente streeft er naar om bebouwing met een streekeigen karakter te behouden. Voor karakteristieke boerderijen wil de gemeente het behoud stimuleren door extra gebruiksmogelijkheden te bieden.

Deze ambitie komt tot uitdrukking in de ruime regeling voor nevenactiviteiten en functieverandering binnen zowel de agrarische bestemming als bij woningen (na bedrijfsbeëindiging).

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0004.jpg"

Hof van Twente wil de streekeigen bebouwing behouden

Ambitie: Landgoederen

De gemeente streeft ernaar de samenhang tussen de waardevolle elementen (landhuizen en andere historische bebouwing) en de omringende landschapstructuur te behouden en waar mogelijk te versterken. Nieuwe landgoederen zijn gewenst mits de nieuwe natuur openbaar toegankelijk is, de agrarische structuur niet aangetast wordt en zorgvuldige inpassing in het bestaande landschap plaatsvindt.

Deze ambitie komt voor de bestaande landgoederen tot uitdrukking in de bestemming Landgoed, waarin de landhuizen zijn bestemd. Nieuwe landgoederen vragen maatwerk en worden daarom niet bij recht geregeld.

Ambitie: Beeldkwaliteit bijgebouwen en bedrijfsgebouwen

De gemeente streeft naar een goede afweging tussen de beheersing van productiekosten (o.a. bouwkosten van de bedrijfsgebouwen) en het dierenwelzijn. De gemeente vindt het belangrijk dat de landbouw in Hof van Twente kan blijven concurreren met de wereldmarkt en stelt daarom beeldkwaliteitseisen op basisniveau, die 'diervriendelijke' bouwvormen mogelijk maken. Landschappelijke inpassing blijft wel van belang.

Deze ambitie komt tot uitdrukking in het welstandsbeleid. In het bestemmingsplan is ontwikkelingsruimte geboden voor agrarische bedrijven, waarbij een goede landschappelijke inpassing als voorwaarde geldt.

Ambitie: Landschappelijke versterking van het watersysteem

De gemeente streeft ernaar beken en hun oeverzones te ontwikkelen tot dragende structuurlijnen in het landschap die verschillende kerngebieden voor landschap, cultuurhistorie, recreatie en natuur met elkaar verbinden.

Deze ambitie komt tot uitdrukking binnen de bestemmingen 'Water' en meer specifiek in de bestemming 'Agrarisch met waarden' die de aanduiding 'waarden - waterhuishouding' kent.

3.3.7 Archeologie

Ambitie: Het erfgoed in de bodem beschermen

De gemeente heeft een archeologische waardenkaart opgesteld, die inzichtelijk maakt waar de kans op archeologische vondsten groot is en dus nader onderzoek nodig is.

Deze ambitie komt tot uitdrukking in de bestemmingen 'Waarde - Archeologie' en 'Waarde - Archeologische verwachting', waarin het gemeentelijk archeologisch beleid is overgenomen.

3.3.8 Verkeer

Ambitie: Het optimaliseren van de leefbaarheid, verkeersveiligheid en bereikbaarheid in Hof van twente

De gemeente streeft ernaar alle wegen in het buitengebied - met uitzondering van de provinciale wegen - uit te voeren als 60 kilometer-zone.

Het bestemmingsplan is niet geschikt om dit in te regelen, deze ambitie hoort thuis in ander gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en heeft de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteits Aanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving vervangen. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk- economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.


Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland ( de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:

  • Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol;
  • Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw;
  • Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe);
  • Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet.

4.1.2 Nota ruimte

De Nota Ruimte bevat de visie van het kabinet op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en bevat de ruimtelijke bijdrage aan een sterke economie, een veilige en leefbare samenleving en een aantrekkelijk land. Een vitaal platteland en sterke steden vragen om inspanningen op een breed front. De steden moeten voldoen aan de eisen die bewoners, bedrijven, instellingen en bezoekers stellen aan een stad: veilig en aantrekkelijk. Het platteland vraagt om ruimte voor een meer multifunctioneel gebruik. Op het platteland kunnen woningen gebouwd worden voor tenminste de eigen bevolkingsgroei en het areaal van door het rijk aangewezen stringent beschermde groene gebieden wordt verminderd. Alleen voor natuurgebieden (Ecologische Hoofdstructuur, Vogel- en Habitatrichtlijngebieden en gebieden die vallen onder de Natuurbeschermingswet) schrijft het rijk nog een planologische bescherming voor.


Het landelijk gebied moet niet vollopen met verstedelijking en de steden moeten aantrekkelijker worden voor inwoners met midden- en hoge inkomens. De wensen om wonen en werken te bundelen in stedelijke gebieden en ruimte op het platteland te bieden, kunnen met elkaar op gespannen voet staan. Binnen elk van de nationale stedelijke netwerken geeft het rijk in de Nota Ruimte een aantal gebieden aan om de verstedelijking te bundelen. De verhouding tussen de binnen deze gebieden gebundelde en de daarbuiten verspreide verstedelijking moet ten minste gelijk blijven. Dit draagt bij aan versterking van de economische positie van de (steden van de) nationale stedelijke netwerken en aan het draagvlak voor voorzieningen in en bij de steden. Provincies bepalen in overleg met (samenwerkende) gemeenten de verstedelijkingsmogelijkheden in het landelijk gebied. Gemeenten hebben een eigen verantwoordelijkheid om de eigen bevolkingsgroei op te vangen en aan de woonwensen van de eigen bevolking tegemoet te komen. Ze zullen onder andere hun bestemmingsplannen hierop moeten inrichten. De gemeenten hebben het voortouw bij het bepalen van het precieze aantal woningen.


De komende jaren zal het aantal vrijkomende gebouwen in het buitengebied blijven stijgen. De Nota Ruimte maakt onderscheid in de volgende categorieën:


Hergebruik van vrijkomende bebouwing: 

Vrijkomende bebouwing kan worden omgezet naar een woonbestemming of dienen als vestigingsruimte voor kleinschalige bedrijvigheid. Het kan hierbij gaan om aan het buitengebied gelieerde functies zoals recreatie, maar ook om niet direct aan het buitengebied gebonden activiteiten zoals galerieën, kinderdagverblijven, advies- en architectenbureaus of mantelzorg;


'Ruimte voor ruimte': 

Om te voorkomen dat gebouwen langdurig leegstaan en verpauperen, is er de mogelijkheid om, naast hergebruik, deze gebouwen te slopen en in ruil daarvoor woningen terug te bouwen. Hierbij gaat het om een substantiële vermindering van het bebouwde oppervlak;


Nieuwbouw in het buitengebied: 

Soms kan voor verbetering van het buitengebied nieuwbouw van woningen en mogelijkheden voor werken wenselijk zijn. Zo kunnen bijvoorbeeld met behulp van woningbouw financiële middelen worden gegenereerd voor de aanleg van recreatie- en/of natuurgebieden of voor de creatie van ruimte voor waterberging.


Het rijk vraagt de provincies om een planologisch kader op te stellen voor het thema bebouwing in het buitengebied om het hergebruik van leegstaande gebouwen te stimuleren en de mogelijkheden te benutten die nieuwbouw biedt om de kwaliteit en vitaliteit van de groene ruimte te vergroten.


In het verkeers- en vervoersbeleid staat centraal dat de groei van de mobiliteit wordt geaccommodeerd en dat tegelijkertijd bereikbaarheid, veiligheid en kwaliteit van de leefomgeving worden verbeterd.

4.1.3 Nota natuur voor mensen , mensen voor natuur

Deze nota van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is een integrale vervanging van vier groene nota's, namelijk het Natuurbeleidsplan, de Nota Landschap, het Bosbeleidsplan en het Strategisch Plan van Aanpak biodiversiteit. Tevens biedt de nota het kader voor behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit in tal van sectoren (onder meer landbouw, visserij, toerisme, water). De nota 'Natuur voor mensen, mensen voor natuur' staat binnen het rijksbeleid niet op zichzelf, maar bouwt voort op de Startnota Ruimtelijke Ordening, de vierde Nota Waterhuishouding en de nota Belvedère. Tezamen met de nota 'Voedsel en Groen' vormt de nota het beleidskader voor het landelijk gebied.


De nota bestaat uit twee delen, een strategisch deel en een beleidsprogramma. Beide delen vormen voor de komende tien jaar het beleidskader voor natuur, bos, landschap en biodiversiteit. Het deel beleidsprogramma geeft een programmatische uitwerking van de strategische hoofdlijnen. Dit deel benoemd concreet de doelen en maatregelen en middelen die daaraan worden gekoppeld.

4.1.4 Natuurwetgeving: Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet

Bij planvorming moet rekening worden gehouden met bestaande natuurwaarden. Natuurbeschermingswetgeving vanuit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn is in de Nederlandse situatie gescheiden in soortenbescherming en gebiedsbescherming.


Wettelijk kader voor de soortenbescherming in Nederland is de Flora- en Faunawet, die bescherming biedt aan vrijwel alle voorkomende diersoorten en sommige plantensoorten. Deze wet is altijd van toepassing. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de bepalingen van de Flora- en Faunawet; voorafgaand aan de ontwikkeling dient te zijn getoetst of er sprake is van effecten op meer strikt beschermde soorten. Is dit het geval, dan moet een ontheffing worden aangevraagd. Voor sommige strikt beschermde diersoorten zijn aan het toekennen van deze ontheffing strenge eisen verbonden.


Naast soortenbescherming heeft de Flora- en faunawet betrekking op jacht en de handel in dieren en planten. Dit is in het kader van dit bestemmingsplan niet relevant.


Gebiedsbescherming vindt plaats in het kader van de Natuurbeschermingswet en daarmee de Natura 2000-gebieden. Dit zijn de Vogelrichtlijngebieden en (na aanwijzing) de Habitatrichtlijngebieden. Binnen de gemeente Hof van Twente is de Borkeld aangewezen als Habitatrichtlijngebied.


afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0005.jpg"

De bescherming van de natuurwaarden heeft gevolgen voor het gebruik in en rondom dit gebied. Activiteiten, plannen en projecten moeten vooraf worden getoetst op hun effecten op de natuur, waarbij ook de externe werking van een ingreep op het beschermde gebied en de aanwezige waarden getoetst dient te worden. De afstand van de externe werking is afhankelijk van de ingreep. Als er sprake is van ingrepen die een (significant) effect hebben op het betreffende beschermde gebied zal er een vergunning moeten worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. In de meeste gevallen is dit de provincie.

4.1.5 Nationaal Waterplan

In december 2009 is het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Het plan gaat ook in op de maatregelen die in het kader hiervan worden genomen. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het plangebied ligt in het gebied „Hoog Nederland?. Hoog Nederland omvat grofweg de zandgronden van Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Lim- burg. De belangrijkste wateropgaven voor dit gebied zijn watertekort, grondwater, wateroverlast en grondwaterkwaliteit.

4.1.6 Nationale milieubeleidsplannen (3 en 4)

In het Nationaal Milieubeleidsplan 3 worden doelstellingen ten aanzien van milieukwaliteit geformuleerd. Het beleid is gericht op de instandhouding, het herstel of de ontwikkeling van functies en eigenschappen van bepaalde gebieden. Integraal waterbeheer wordt steeds belangrijker bij de inrichting van gebieden. Door de watersysteembenadering worden de verschillende functies (landbouw, natuur en stedelijk gebied) aan elkaar gekoppeld. De waterschappen zijn in algemene zin verantwoordelijk voor het oplossen van lokale en regionale milieuproblemen die te maken hebben met integraal waterbeheer. De gemeente staat als overheid het dichtst bij de burger en heeft daarom een speciale verantwoordelijkheid om de burger bij het milieubeleid te betrekken.
MP 3 blijft ook na het uitkomen van NMP 4 (juni 2001) onverkort van kracht. NMP 4 heeft echter een andere opzet waarbij de beleidshorizon in het jaar 2030 is gelegd, dertig jaar vooruit. Centraal staat daarbij “een gezond en veilig leven in een aantrekkelijke leefomgeving en te midden van een vitale natuur zonder de mondiale biodiversiteit aan te tasten en hulpbronnen uit te putten”.

4.1.7 Wet op de archeologische monumentenzorg

Sinds 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Deze nationale wet vloeit voort uit het Europese Verdrag van Malta. Uitgangspunt van de Wet op de archeologische monumentenzorg is het, waar nodig, beschermen van archeologische waarden. Artikel 38 geeft aan dat rekening gehouden moet worden met de aanwezige en/of te verwachten monumenten. De wet is alleen van toepassing op (op)nieuw vast te stellen bestemmingsplannen.

Binnen de bepalingen van deze wet moet de gemeente de verantwoordelijk nemen voor het streven naar behoud 'in situ'. Ook moet de gemeente vroegtijdig het behoud van archeologische waarden afwegen tegen andere maatschappelijke belangen. Gemeenten moeten hun eigen archeologiebeleid opstellen en hier uitvoering aan geven.

De wet eist archeologisch vooronderzoek om de belangen goed af te kunnen wegen. De onderzoeksplicht is echter niet van toepassing op projecten met een oppervlakte kleiner dan 100 m2. Dit is het zogeheten archeologische vrijstellingenbeleid. De gemeenteraad heeft de bevoegdheid om (in een gemeentelijke archeologieverordening) een andere oppervlakte dan 100 m2 vrij te stellen van de onderzoeksplicht. Overigens vallen activiteiten waarvoor geen of een lichte bouwvergunning is vereist buiten de werkingssfeer van de wet.

4.1.8 Structuurvisie Buisleidingen 2011 - 2035

Het doel van de Structuurvisie is om ruimte vrij te houden in Nederland voor de aanleg van toekomstige buisleidingen van nationaal en internationaal belang voor het transport van gevaarlijke stoffen. Daarmee wil de overheid duidelijkheid verschaffen aan zowel het bedrijfsleven dat daarmee kan rekenen op goede verbindingen voor buisleidingtransport, als aan provincies en gemeenten die hierop hun ruimtelijke plannen kunnen afstemmen. In de structuurvisie wordt onder meer ingegaan op de verbinding Noord-Nederland - België/Duitsland; het tracé door oostelijk Nederland., dat langs de oostgrens van de gemeente Hof van Twente is voorzien.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0006.png"

Dit tracé is van belang voor transport van aardgas vanuit Groningen naar Duitsland en België. Tot aan het compressorstation Ravenstein in de gemeente Oss (en dus ook in de gemeente Hof van Twente) wordt het tracé gevolgd van bestaande aardgastransportleidingen van Gasunie. Op deze verbindingen lopen al vele van dergelijke leidingen in drie bundels van twee of drie leidingen. De verbinding kent enkele aftakkingen naar Duitsland met grensovergangspunten bij Vlieghuis (gemeente Coevorden), Enschede, Winterswijk en Zevenaar.

4.1.9 Besluit externe veiligheid buisleidingen

Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitant en gemeenten. De normstelling is gelijk aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

4.2 Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel. Op 3 juli 2013 heeft PS een actualisatie van de Omgevingsvisie vastgesteld. Deze actualisatie is uitgevoerd naar aanleiding van het hoofdlijnenakkoord Kracht van Overijssel. Er zijn aanpassingen uitgevoerd voor de onderwerpen EHS en zone Ondernemen met Natuur en Water, de nieuwvestiging van bedrijven in Landbouwontwikkelingsgebieden, onze rol in de kansrijke zoekgebieden voor Windenergie, de wegencategorisering en het beleid rondom kantoren en lokaal gewortelde bedrijvigheid. Daarnaast is in de Omgevingsverordening een bepaling opgenomen rond de ruimtelijke reservering voor de gebiedsontwikkeling Luchthaven Twente en Omgeving en zijn aanpassingen gedaan op basis van de aanpassingen in de Omgevingsvisie en de evaluatie van de Omgevingsverordening uit 2011. De overige teksten in de Omgevingsvisie zijn niet gewijzigd.

4.2.1 Omgevingsvisie

De provincie Overijssel heeft het streekplan, het verkeer- en vervoerplan, het waterhuishoudingsplan en het milieubeleidsplan samengevoegd tot één Omgevingsvisie. Daarmee is deze visie het centrale provinciale beleidsplan voor het fysieke leefmilieu in Overijssel. Het vizier is daarbij gericht op 2030.


De Omgevingsvisie heeft de status van:

  • structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening;
  • Regionaal Waterplan onder de Waterwet (en Provinciaal Waterhuishoudingsplan onder de Wet op de waterhuishouding tot de inwerkingtreding van de Waterwet);
  • Milieubeleidsplan onder de Wet milieubeheer;
  • Provinciaal verkeer- en vervoersplan onder de Planwet Verkeer en Vervoer;
  • Bodemvisie in kader van ILG-afspraak met het Rijk.


De provincie Overijssel wil duurzaamheid realiseren door een transparante en evenwichtige afweging van ecologische, economische en sociaal-culturele beleidsambities. Ruimtelijke kwaliteit wordt gerealiseerd door naast bescherming vooral in te zetten op het verbinden van bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen.


De provincie wil een voldoende en flexibel aanbod van woonmilieus creëren dat voorziet in de vraag. Als aanvulling op de woonmilieus in de steden en dorpen is er ruimte voor ontwikkeling van aanvullende woonmilieus in het buitengebied, onder voorwaarden van generiek instrumentarium (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), ontwikkelperspectieven en gebiedskenmerken.


De provincie zet in samenwerking met gemeenten en andere maatschappelijke partners in het buitengebied in op de ontwikkeling en ondersteuning van zorg en openbaar vervoervoorzieningen.


De provincie streeft naar een vitale en zichzelf vernieuwende regionale economie, met voldoende en diverse vestigingsmogelijkheden voor kennisintensieve maakindustrie en MKB. Gestreefd wordt naar vitale werklocaties, die aansluiten bij de vraag van ondernemingen. Aan ondernemers die kansen zien voor nieuwe bedrijvigheid in het buitengebied wordt ruimte geboden, onder voorwaarden van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelperspectieven en gebiedskenmerken.


De provincie wil ontwikkelingsmogelijkheden bieden voor bedrijfsontwikkeling in de landbouw, onder voorwaarde van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelperspectieven en gebiedskenmerken. Landbouwbedrijven worden gefaciliteerd om zich te ontwikkelen en in te spelen op veranderingen. Ruimte wordt geboden voor schaalvergroting en verbreding. De intensieve veehouderij heeft vooral ontwikkelingsmogelijkheden in de landbouwontwikkelingsgebieden en op sterlocaties in verwevingsgebieden. De glastuinbouw kan zich ontwikkelen binnen de aangewezen locatie in de Koekoekspolder. Er wordt geen maximum gesteld aan de omvang van agrarische bouwpercelen (met uitzondering van het reconstructiebeleid). Wel wordt een kwaliteitsimpuls gevraagd.


Het beleid ten aanzien van toerisme en recreatie richt zich op het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden en kwaliteitsverbetering. De provincie wil ruimtelijke mogelijkheden bieden voor verbetering van de kwaliteit en het vergroten van de diversiteit van de bestaande verblijfsaccommodatie, onder voorwaarde van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, SER-ladder, ontwikkelperspectieven en gebiedskenmerken. Permanente bewoning van recreatiewoningen en recreatieverblijven wordt tegengegaan.


De provincie wil uiterlijk in 2018 de EHS gerealiseerd hebben. Binnen de EHS is alleen ruimte voor andere ontwikkelingen als deze niet ten koste gaan van de kenmerken en waarden van de EHS. Hierbij hanteert de provincie instrumenten als herbegrenzing, saldobenadering en compensatie. Voor alle Natura 2000-gebieden wordt een beheerplan gemaakt met specifiek aandacht voor verdroging.


De provincie wil verspreide bos- en natuurgebieden behouden en versterken. Samen met partners neemt de provincie maatregelen om leefgebieden van bedreigde soorten te behouden en te herstellen, zowel binnen als buiten de EHS. Binnen weidevogel- en ganzengebieden vindt geen waterpeilverlaging of aantasting van de openheid en rust plaats.


De provincie wil de identiteit en onderlinge diversiteit van landschappen en dorpen versterken. Ontwikkelingen in het landelijk gebied dragen bij aan ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit (gebiedskenmerkencatalogus). De fysieke landschapsstructuren worden versterkt en er wordt gezorgd voor een goed financieel beheer met name door groen-blauwe diensten. Via de kwaliteitsimpuls Groene omgeving worden de cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten van landgoederen in samenhang met de ontwikkeling van de gebruiksmogelijkheden behouden. Cultureel erfgoed vormt een integraal onderdeel van ruimtelijke plannen.


De provincie streeft naar watersystemen met goede ecologische en chemische kwaliteit, die voor de lange termijn klimaatsbestendig en veilig zijn. Daarbij horen optimale watercondities voor landbouw, wonen, natuur en landschap. In landbouwgebieden wordt het waterbeheer afgestemd op goede productieomstandigheden. Bij ontwikkelingen wordt de ruimtelijke kwaliteit versterkt.

De kenmerken, kwaliteiten en waarden van de ondergrond worden beschermd en waar mogelijk ingezet om de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van gebieden te versterken. Aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden worden zoveel mogelijk behouden en beleefd door mensen dankzij informatie, gebruik een ontwikkeling.


De bescherming van het grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening is een provinciaal belang. Daarom beschermt Overijssel de bestaande en toekomstige drinkwaterwinningen via de ruimtelijke ordening.


In het beschermingsbeleid is het voorzorgprincipe leidend. Het voorzorgprincipe houdt in dat voor de kwaliteit van het grondwater (potentieel) risicovolle activiteiten en ontwikkelingen worden geweerd.


In het verlengde van deze doelstelling wordt het stap-vooruitbeginsel gehanteerd. Er worden alleen functiewijzigingen toegestaan als daarmee rechtstreeks een vermindering van eventuele risico's kan worden bereikt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0007.jpg" Uitsnede kaart 'Ontwikkelingsperspectieven' Omgevingsverordening Overijssel

Het risico op verontreiniging van het grondwater binnen grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden dient te worden tegengegaan door:

  • het bevorderen van functies die bijdragen aan kwalitatief goed grondwater;
  • het stellen van voorwaarden aan functies ten einde het risico van grondwaterverontreiniging te verkleinen;
  • het weren van functies die risico van grondwaterverontreiniging met zich meebrengen.


Om onderscheid te kunnen maken in welke functies in grondwaterbeschermingsgebieden wel en niet zijn toegestaan (en onder welke voorwaarden), heeft de provincie de volgende categorieën van functies benoemd:


Harmoniërende functies:

functies die goed samengaan met de drinkwaterwinning, zoals extensieve of biologische land- en tuinbouw, extensieve recreatie, landschaps-, natuur- en bosbouw, of nieuwe landgoederen en buitenplaatsen;


Risicovolle activiteiten/functies:

functies die ongewenst zijn in grondwaterbeschermingsgebieden en daarom in principe uitgesloten worden, zoals grote en grootschalige vormen van recreatie, woningbouw, handel en dienstverlening, auto- en spoorwegen en bedrijventerreinen.

Risicovolle functies kunnen bij uitzondering en onder de volgende voorwaarden worden toegestaan:

  • zwaarwegend maatschappelijk belang;
  • redelijke alternatieve locaties ontbreken;
  • er is per saldo sprake van een verbetering van de beschermingssituatie ter plaatse of in het totale grondwaterbeschermingsgebied dan wel intrekgebied (stap-vooruit).

4.2.2 Omgevingsverorderning

De provincie Overijssel heeft tegelijkertijd met de Omgevingsvisie de omgevingsverordening vastgesteld, waarmee de doorwerking van de Omgevingsvisie juridisch mogelijk is gemaakt. De Verordening beperkt zich tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

Een van die onderdelen van het beleid is de ecologische hoofdstructuur (EHS). Voor wat betreft bestemmingsplannen schrijft de Verordening het volgende voor:

  • a. strekken uitsluitend tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van gebieden behorend tot de gebiedscategorieën bestaande natuur en nieuwe gerealiseerde natuur;
  • b. strekken mede tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van gebieden behorend tot de gebiedscategorieën nieuwe, nog niet gerealiseerde natuur en zoekgebied;
  • c. wijzen geen bestemmingen aan of stellen geen regels die activiteiten mogelijk maken die significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden zullen of kunnen hebben;
  • d. stellen regels ter bescherming van de wezenlijke kenmerken en waarden.

Een ander onderdeel van het beleid waarover de Verordening concrete eisen aan het bestemmingsplan verbindt is de drinkwatervoorziening. De Verordening schrijft voor:

Waterwingebieden:

bestemmingsplannen voorzien in een specifieke aanduiding voor waterwingebieden waarbij alleen functies zijn toegestaan die ten dienste staan aan de drinkwaterwinning.

Grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden:

bestemmingsplannen voorzien in een aanduiding voor grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden waarbij alleen functies worden toegestaan die harmoniëren met de functie voor de drinkwatervoorziening.

4.2.3 Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

Er zijn diverse ontwikkelingen denkbaar in het buitengebied. Vanwege de landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van de groene omgeving (of het buitengebied) wordt echter gestreefd om onnodig ruimtebeslag op de groene omgeving tegen te gaan. De provincie Overijssel heeft hiervoor beleid opgesteld.

Wanneer er plannen zijn voor nieuwvestiging of uitbreiding van bestaande functies in het buitengebied moet eerst worden gekeken of deze functie niet beter op een andere plaats kan worden ontwikkeld, zoals op een bedrijventerrein of een leegstaande locatie (het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik).

Er zijn situaties denkbaar waarin na deze afwegingen wordt geconcludeerd dat een grootschalige uitbreiding of een nieuwvestiging (bijvoorbeeld nieuwe agrarische bedrijfspercelen, woningen, landgoederen en recreatieve complexen) toch in het buitengebied dient plaats te vinden. In zo'n geval dient naast een investering in de ontwikkeling zelf een investering te worden gedaan in de omgevingskwaliteit rondom de ontwikkelingslocatie. Hierbij moeten ontwikkelingsruimte en kwaliteitsprestatie in evenwicht zijn (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving).

Hoe groot de investering in ruimtelijke kwaliteit moet zijn en wanneer er voldoende gecompenseerd is, mogen gemeenten zelf bepalen. Wel heeft de provincie een werkboek opgesteld met referenties, handvatten en voorbeelden voor de toepassing van de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving in de praktijk.

Twee principes uit de Omgevingsvisie Overijssel vormen hierbij het vertrekpunt:

  • 1. elke ontwikkeling dient bij te dragen aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit;
  • 2. de ontwikkelingsruimte die men krijgt dient in evenwicht te zijn met investeringen (prestaties) in de ruimtelijke kwaliteit.
4.2.3.1 Gebiedskenmerken in de natuurlijke laag

Dekzandvlakte en ruggen

Het buitengebied van de gemeente Hof van Twente bestaat grotendeels uit dekzandvlakte en ruggen. Dit door de wind gevormde zandlandschap wordt gekenmerkt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied.


Er dient een beschermende bestemmingsregeling te worden opgenomen ter instandhouding van de hoofdlijnen van het huidige reliëf.


Beekdalen en natte laagtes

Verspreid over het buitengebied van de gemeente liggen beekdalen en natte laagtes. In deze laagtes van het zandgebied verzamelde zich ooit het water en ontwikkelden zich moerassen en broekbossen. De laagtes werden in de loop van de eeuwen echter doorgegraven, verbonden en steeds sterker ontwaterd en de beken werden rechtgetrokken ten behoeve van de moderne landbouw.

Er dient een beschermende bestemmingsregeling te worden opgenomen ter instandhouding van het watersysteem, de waterkwaliteit, voldoende ruimte voor water en (indien het bestaande (agrarisch) gebruik dat toelaat) natuurlijke dynamiek in de nog bestaande beekdalen en laagtes.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0008.jpg" Gebiedskenmerken in de natuurlijke laag (bron: provincie Overijssel)

Stuwwallen

In het buitengebied bevinden zich tenslotte enkele stuwwallen. Door de vaak grote hoogteverschillen zijn ze nu nog steeds goed zichtbaar. Er dient een beschermende bestemmingsregeling te worden opgenomen ter instandhouding van de hoofdlijnen van het huidige reliëf van de stuwwallen.

4.2.3.2 Gebiedskenmerken in de laag van het agrarisch cultuurlandschap

Essenlandschap

Vooral in het westen van de gemeente komt het essenlandschap voor. Het landschap is ontstaan uit de eeuwenoude akkercomplexen die op de hogere dekzandkoppen en flanken van stuwwallen werden aangelegd. Er is sprake van een karakteristiek reliëf met soms hoge stijlranden. Het landschapsbeeld is afwisselend en contrastrijk, volgend aan de organische patronen van het natuurlijke landschap.


Er dient een beschermende bestemmingsregeling te worden opgenomen ter instandhouding van de karakteristieke openheid en het huidige reliëf. Ook kleinschalige landschapselementen, zoals houtwallen, bosjes, zandpaden, karakteristieke erven en beeldbepalende open ruimte daartussen, dienen een beschermende regeling te krijgen, gericht op instandhouding van het kleinschalige patroon.


Oude hoevenlandschap

Het oude hoevenlandschap beslaat een groot deel van de oostelijke helft van het buitengebied van Hof van Twente. Dit landschap wordt gekenmerkt door verspreide erven. Het landschap is relatief kleinschalig en sluit aan bij de natuurlijke ondergrond (systeem van es/kamp, erf op de flank, natte laagtes en - voormalige - heidevelden). Er dient een beschermende bestemmingsregeling te worden opgenomen ter instandhouding van de karakteristieke openheid en het reliëf bij de essen en esjes.

Maten en flierenlandschap

Het maten en flierenlandschap, dat in het westelijk deel van de gemeente voorkomt, wordt gekenmerkt door kleinschaligheid. Langs de beken werd hakhout aangeplant, dat diende als perceelsafscheiding. Rond de beek ontstond een lineair landschap, met daaromheen in de natte laagtes een matenlandschap. Er dient een beschermende bestemmingsregeling te worden opgenomen ter instandhouding van het onbebouwde karakter, de continuïteit van de beekloop, voldoende ruimte voor water en het lineaire landschap met open 'kamers' en coulissen.


Jonge heide- en broekontginningenlandschap

Het jonge heide- en broekontginningenlandschap komt verspreid over de gemeente voor. In vergelijking met het essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex en met lange, rechte lanen. In dit landschap hoeven geen specifieke kenmerken te worden beschermd via een bestemmingsregeling. Wel dienen ontwikkelingen bij te dragen aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen.

4.2.4 Reconstructieplan Salland Twente

Het reconstructieplan Salland Twente is op 15 september 2005 door Provinciale Staten van Overijssel vastgesteld. In het reconstructieplan staan de doelen voor de plattelandsontwikkeling voor de komende twaalf jaar centraal.


Verwevenheid en verbondenheid zijn de belangrijkste kenmerken van Twente. Landschap, landbouw en natuur kunnen niet zonder elkaar. Twente is een gevarieerd gebied dat qua landschap, cultuurhistorie en rust veel te bieden heeft.


Een rijke historie van landbouw, textielindustrie en landgoederen gecombineerd met een grote variatie aan landschappen, rivieren, weteringen en beken, veenontginningen, stuwwallen en eeuwenoude coulissenlandschappen kenmerkt dit gevarieerde gebied.


Twente heeft, net als andere zandgebieden in Nederland, te maken met een hoge veedichtheid. In deze zogenaamde concentratiegebieden is de intensieve veehouderij sterk vertegenwoordigd en doen zich verschillende problemen voor die nauw met elkaar samenhangen. Kern van de problematiek is dat landbouw, wonen, werken, mobiliteit, recreatie, natuur en landschap elkaar te vaak in de weg zitten. Gevolg is dat de economische functies in het landelijk gebied beperkt worden in hun ontwikkelingsmogelijkheden, met alle nadelige gevolgen van dien voor de sociaaleconomische vitaliteit en leefbaarheid van het gebied. Veel veehouderijen kunnen zich op hun huidige plek niet meer ontwikkelen vanwege de geur- en ammoniakregels. De laatste jaren is ge- bleken dat de grote veedichtheid en de ruimtelijke structuur van de (intensieve) vee- houderij kan leiden tot grote veterinaire problemen voor de sector. Bovendien zijn de financiële en maatschappelijke gevolgen van een veterinaire crisis groot.


De belangrijkste maatregelen en voorzieningen die in het Reconstructieplan worden aangegeven, zijn:

  • verplaatsen, beëindigen of omschakelen van bedrijven en/of woningen, om ruimtelijke en milieutechnische problemen op te lossen;
  • sloop van ontsierende stallen (middels rood voor roodregeling);
  • realisering van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (PEHS);
  • uitvoeren van watermaatregelen;
  • extensiveren van melkveebedrijven in kwetsbare gebieden door herverkaveling en kavelruil;
  • inspelen op en stimuleren van initiatieven voor nieuwe economische dragers in het landelijk gebied;
  • stimuleren van initiatieven ter versterking van sociale leefbaarheid;
  • actualiseren van verleende vergunningen en vigerende ruimtelijke plannen t.a.v. de intensieve veehouderij, met prioriteit voor het extensiveringsgebied.


Hoofdlijn van het beleid is dat de intensieve veehouderij langzaam uit het extensiveringsgebied zal verdwijnen en zich (verder) zal concentreren in het landbouwontwikkelingsgebied en op aan te wijzen sterlocaties in het verwevingsgebied.


In het Reconstructieplan wordt onder intensieve veehouderij het volgende verstaan: een agrarisch bedrijf of een deel daarvan met ten minste 250 m2 bedrijfsvloeroppervlak dat wordt gebruikt voor veehouderij volgens de Wet milieubeheer en waar geen melkrundvee, schapen, paarden, of dieren 'biologisch' worden gehouden en waar geen dieren worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.


Op grond van de Reconstructiewet concentratiegebieden is het plangebied ingedeeld in drie zones: landbouwontwikkelingsgebieden, verwevingsgebieden en extensiveringsgebieden. Dit wordt de reconstructiezonering genoemd. Binnen de gemeente Hof van Twente komen alle drie zones voor. In het reconstructieplan is per zone in detail bepaald welke ruimte er wordt geboden aan intensieve veehouderijen. Gemeenten zijn verplicht dit beleid te vertalen in een bestemmingsplan.

In het reconstructieplan is voor het landbouwontwikkelingsgebied het volgende beleid opgenomen:

  • de intensieve veehouderij een duurzaam perspectief op bedrijfsontwikkeling geven
    binnen de geldende wettelijke randvoorwaarden;
  • uitbreiding van andere functies, zoals (verspreide) woningen en recreatie en toerisme wordt zoveel mogelijk tegengegaan;
  • ruimte bieden voor de uitbreiding van bestaande intensieve veehouderijbedrijven en nieuwvestiging van intensieve veehouderij toestaan;
  • de ontwikkeling van andere landbouwfuncties ruimte bieden en waar mogelijk stimuleren.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0009.jpg" Reconstructiezonering in de gemeente Hof van Twente

Geel = landbouwontwikkelingsgebied. Bruin = verwevingsgebied. Groen = extensiveringsgebied

Het landbouwontwikkelingsgebied voorziet in de mogelijkheid tot uitbreiding, hervestiging en nieuwvestiging van intensieve veehouderij. De ontwikkeling van een duurzame intensieve veehouderij staat in deze zone voorop. Als uitbreidingsplannen van andere functies niet belemmerend zijn voor (toekomstige) uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van intensieve veehouderij, bestaat er geen bezwaar om hieraan medewerking te verlenen. Als de voorgenomen ontwikkeling wel belemmerend werkt voor de intensieve veehouderij, dan geldt als uitgangspunt dat bestaande rechten op grond van vigerende bestemmingsplannen of verleende vergunningen worden gewaarborgd.

Bouwblokken voor een intensieve veehouderij in het landbouwontwikkelingsgebied kunnen door de gemeente in het bestemmingsplan worden vergroot tot maximaal 3 ha via een wijzigingsbevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders. Voor bestaande en nieuw te vestigen bedrijven met een (nog uit te breiden) bouwblok van meer dan 1,5 ha moet ruimte worden gereserveerd voor een goede landschappelijke inpassing van de bestaande en nieuw te stichten bebouwing.

In het reconstructieplan is voor het verwevingsgebied het volgende beleid opgenomen:

  • het mogelijk maken van en handhaven van veel functies naast elkaar en in combinatie met elkaar;
  • ruimte bieden aan meerdere functies;
  • de landbouw, waaronder intensieve veehouderij, ruimte bieden;
  • extra kansen bieden door de ontwikkeling van sterlocaties voor de intensieve veehouderij.

Het verwevingsgebied is gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur, waar hervestiging op bestaande kavels of uitbreiding van de intensieve veehouderij mogelijk is, zolang de ruimtelijke kwaliteit of functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten.

Nieuwvestiging van intensieve veehouderij is uitgesloten. Bestaande bedrijven dienen wel hervestigings- en uitbreidingsmogelijkheden te houden. De omvang van het agrarisch bouwperceel (bouwblok) mag in principe maximaal 1,5 ha groot zijn. (Her)vestiging op een bestaand bouwblok zonder intensieve veehouderij is niet mogelijk. Hervestiging van een intensieve veehouderij op een bouwblok waar al een intensieve veehouderij aanwezig is, is in principe mogelijk.

Bij uitbreiding van de intensieve veehouderij en zeker bij vergroting van bouwblokkenen bij sterlocaties worden hoge eisen gesteld aan vormgeving en landschappelijke inpassing. Gemeenten moeten hiervoor een passend toetsingskader opstellen.

Sterlocatie binnen het verwevingsgebied

Een aantal bedrijven in het verwevingsgebied kan worden aangewezen als sterlocatie. Het Reconstructieplan Salland-Twente verstaat onder een 'sterlocatie intensieve veehouderij' het volgende: een bestaand agrarisch bouwblok binnen het verwevingsgebied waar een perspectiefvol bedrijf met uitsluitend intensieve veehouderij is gevestigd, dat over voldoende omgevingsruimte beschikt om door te kunnen groeien tot een omvang van minimaal 175 nge, of een perspectiefvol gemengd bedrijf dat kan doorgroeien tot minimaal 175 nge en waarbij de intensieve tak tot minimaal 140 nge kan groeien.

Sterlocaties bieden bedrijven een zekere garantie voor continuïteit. Dit is van belang in verband met groeiende aanspraken van andere functies op het gebruik van de ruimte binnen het verwevingsgebied.

Om te beoordelen of een intensief bedrijf aangewezen kan worden als sterlocatie gelden de volgende criteria:

  • alleen intensieve veehouderijbedrijven met geldige milieuvergunning én met minimaal 250 m2 bebouwd oppervlak voor de intensieve veehouderij kunnen in aanmerking komen voor de aanwijzing tot sterlocatie;
  • de beschikbare omgevingsruimte moet minimaal 175 nge zijn;
  • in de PEHS en in robuuste verbindingszones mogen geen sterlocaties komen;
  • binnen 250 m van voor verzuring gevoelige Vogelrichtlijn-, Habitatrichtlijn- en Natuurbeschermingswetgebieden mogen geen sterlocaties komen;
  • binnen 250 m van voor verzuring gevoelige gebieden binnen PEHS overeenkomstig Wet ammoniak en veehouderij mogen geen sterlocaties komen;
  • onder voorwaarden kunnen sterlocaties in grondwaterbeschermingsgebieden/intrekgebieden (aantoonbare verbetering waterkwaliteit) aangewezen worden;
  • onder voorwaarden kunnen sterlocaties in een gebied met natuurgerichte waterhuishouding (mestbelasting mag niet toenemen) aangewezen worden;
  • onder voorwaarde mogen sterlocaties in risicogebieden voor wateroverlast (aanvullende maatregelen m.b.t. schadevrij bouwen, compensatie) aangewezen worden;
  • rekening moet worden gehouden met alle andere belangen in de omgeving van de locatie;
  • voldaan moet worden aan ander relevant beleid en wetgeving.

In het reconstructieplan is voor het extensiveringsgebied het volgende beleid opgenomen:

  • bevorderen van de ontwikkeling van landschaps- en natuurwaarden, de realisatie van natuurdoelen, en - waar mogelijk - van recreatief medegebruik;
  • de intensieve veehouderij beëindigen of verplaatsen.

Binnen het extensiveringsgebied ligt het primaat bij wonen of natuur, waar uitbreiding, hervestiging of nieuwvestiging van in ieder geval een intensieve veehouderij onmogelijk is of in het kader van de reconstructie onmogelijk wordt gemaakt.

In deze gebieden zal de intensieve veehouderij gedurende de uitvoeringsperiode van de reconstructie onder meer met behulp van ruimtelijke regelgeving en inzet van subsidies worden beëindigd. De inzet van dit beleid wordt, rond natuurgebieden, gerechtvaardigd omdat het om zeer kwetsbare natuur gaat en er ook andere doelen gerealiseerd moeten worden.

In het extensiveringsgebied wordt nieuwvestiging, hervestiging en uitbreiding van intensieve veehouderij tegengegaan. Een beperkte uitbreiding van de bestaande staloppervlakte is mogelijk als dit nodig is om te voldoen aan wetgeving op het gebied van dierenwelzijn en veterinaire gezondheid. Het aantal dierplaatsen kan daarbij niet worden vergroot. Andere agrarische bedrijven, die een belangrijke rol spelen in het beheer en onderhoud van het gebied, dienen voldoende perspectief te houden. Uitbreiding en hervestiging van een biologische intensieve veehouderij is mogelijk.

De intensieve veehouderijbedrijven worden gestimuleerd om te stoppen, om te schakelen op andere activiteiten of te verplaatsen naar een landbouwontwikkelingsgebied.

Er zijn drie typen maatregelen denkbaar:

  • verplaatsen van de grotere intensieve veehouderijbedrijven;
  • op termijn stoppen of omschakelen kleinere intensieve veehouderijen;
  • slopen van vrijkomende stallen.
4.2.5 Partiële herziening Reconstructieplan Salland Twente

In 2009 is het Reconstructieplan partieel herzien. De hoofdpunten van deze herziening zijn:

  • het betrekken van het aspect volksgezondheid bij de ontwikkeling van plannen voor uitbreiding van intensieve veehouderij;
  • vestiging van een nieuw agrarisch bouwperceel is alleen mogelijk bij een verplaatsing voor het realiseren van publieke belangen of wanneer een ondernemer op de huidige locatie geen ontwikkelingsmogelijkheden meer heeft;
  • eventueel verlies van landschappelijk en ecologisch kapitaal bij nieuwvestiging moet worden gecompenseerd.
4.2.6 Regionaal Waterplan Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel 2009 bevat het provinciale waterbeleid en is daarmee ook het Regionaal Waterplan op basis van de nieuwe Waterwet (nu nog 'plan voor de waterhuishouding' op basis van de Wet op de Waterhuishouding). In de omgevingsvisie wordt het provinciale beleid geschetst voor de hele fysieke leefomgeving. Door deze integrale aanpak is een optimale afstemming van beleid gerealiseerd tussen water en ruimtelijke ordening. Water is een dragende factor in het beleid in de Omgevingsvisie, doordat de laag van bodem, natuur en watersysteem de basis vormt van het ontwikkelingsperspectief.

Binnen het waterbeheer kunnen verschillende functies worden onderscheiden voor oppervlaktewater en grondwater. Op basis van het provinciaal belang worden de functies benoemd, onderscheiden naar gebruiksfuncties en gebiedsfuncties. Daarbij wordt ook aangegeven welk gewicht deze functie heeft in de afweging met andere ruimtelijke gebiedsfuncties, zoals verstedelijking, infrastructuur, natuurontwikkeling, recreatie en dergelijke. Met het hanteren van een gedifferentieerde gewichtenset wordt op een genuanceerde wijze invulling gegeven aan het principe dat water een meer sturende rol moet vervullen in de ruimtelijke ontwikkeling.

De functie 'mixlandschap' geldt in de gebieden waar sprake is van 'buitengebied, accent op veelzijdige gebruiksruimte'. In deze gebieden geldt als uitgangspunt dat het waterbeheer (inrichting watersysteem, peilbeheer en waterkwaliteit) wordt afgestemd op het aanwezige grondgebruik. Voor de inrichting en waterkwaliteit gelden de normen voor wateroverlast en de eisen vanuit de Kaderrichtlijn Water als ondergrens. Kenmerkend voor deze gebieden is echter een ontwikkelingsgerichte inzet naar een meer natuurlijk, veerkrachtig en landschappelijk ingepast watersysteem. Gebiedsontwikkelingen en andere kansen worden aangegrepen om naar deze meer natuurlijke situatie toe te groeien, om de zichtbaarheid van de waterlopen te vergroten en de gebiedskenmerken die te maken hebben met wateraspecten te versterken. Bijzondere aandacht heeft daarbij het behoud en de ontwikkeling van kleine wateren. Deze wate- ren hebben een hoge waarde en potentie voor de kwaliteit van water en natuur. Verbeteringen aan het watersysteem kunnen een positieve bijdrage leveren aan het bereiken van de KRW-doelstellingen in de benedenstrooms gelegen oppervlaktewaterlichamen. Ontwikkelingen zijn gericht op de versterking van de groenblauwe dooradering van het landschap en het vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Daarnaast liggen er kansen voor natuurontwikkeling, recreatie en toerisme.

4.2.7 Waterbeheerplan Rijn-Oost

Alle waterbeheerders in Nederland hebben nieuwe waterbeheerplannen opgesteld voor de periode 2010-2015 als gevolg van de nieuwe Waterwet (2009). Deze wet verplicht de waterschappen om waterbeheerplannen op te stellen met een looptijd van zes jaar. Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Reest en Wieden, Velt en Vecht, Regge en Dinkel, Groot Salland en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. De opdracht van de waterschappen in Rijn-Oost is te zorgen voor voldoende schoon water en voor veilig wonen en werken (taakvelden: watersysteem, waterketen en veiligheid).

De gemeente Hof van Twente ligt in de werkgebieden van het Waterschap Rijn en IJssel en het Waterschap Regge en Dinkel. Beide waterschappen hebben in het Waterbeheerplan 2010-2015 hun nieuwe beleid vermeld. Het plan is per 1 januari 2010 in werking getreden.

De opdracht van de waterschappen in Rijn-Oost is te zorgen voor voldoende water, schoon water en voor veilig wonen en werken op de taakvelden watersysteem, waterketen en veiligheid. Het waterschap houdt daarbij rekening met agrarische, economische, ecologische en recreatieve belangen. Aandachtspunten zijn het verbeteren van ecologische en chemische waterkwaliteit (terugdringen van oppervlaktewatervervuiling) en het voorkomen van wateroverlast, waarbij rekening wordt gehouden met het veranderende klimaat. In zowel landelijk als stedelijk gebied kunnen ruimtelijke ontwikkelingen een positief maar ook een negatief effect hebben op het watersysteem.

4.3 Gemeentelijk beleid

Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste beleidsdocumenten die van toepassing zijn op de gewenste ontwikkeling worden hieronder in willekeurige volgorde behandeld.

4.3.1 Strategische Visie

In "Hof van Twente, zicht op 2030" is het beleid van de gemeente voor de komende twintig jaar in hoofdlijnen vastgesteld. De gemeenteraad heeft de strategische visie op 1 juni 2010 definitief  vastgesteld. De visie bevat naast een overzicht van te verwachten trends en ontwikkelingen voor de komende jaren ook informatie over de gewenste identiteit voor Hof van Twente. Over deze gewenste identiteit is in januari 2009 meegedacht door ruim 60 inwoners uit allerlei geledingen van de gemeente en daarbuiten. In 20 streefbeelden geeft het gemeentebestuur aan in welke richting het beleid voor de komende jaren moet worden ontwikkeld.

4.3.2 Structuurvisie Landelijk Gebied

In de structuurvisie landelijk gebied Hof van Twente staat de ontwikkeling van het landelijk gebied voor de komende 10 jaar centraal. De structuurvisie vormt vooral een integratiekader voor het bestaande beleid van de gemeente ten aanzien van de verschillende functies en waarden in het gebied. Dit integratiekader schetst de bredere achtergrond van beleid dat voor specifieke thema's (bijvoorbeeld recreatie, rood voor rood en vrijkomende agrarische bebouwing) is uitgewerkt.


Daarnaast beschrijft de visie de algemene strategie van de gemeente Hof van Twente ten aanzien van verschillende functies en waarden.


Deze strategie geeft richting aan de latere toetsing van verschillende initiatieven die bij de gemeente worden ingediend, en bij het bepalen van het beleid dat in dit bestemmingsplan buitengebied wordt uitgewerkt.


De structuurvisie benoemt de volgende kernkwaliteiten van het landelijk gebied in Hof van Twente:

  • een sterke agrarische structuur, bestaande uit bedrijven die door schaalvergroting actief anticiperen op een wereldwijde marktwerking, of hun risico's spreiden door diensten te verlenen op het gebied van natuur en landschap en recreatieve functies of andere bedrijvigheid aan het bedrijf toe te voegen;
  • een grote mate van ondernemerschap, waardoor verspreid over het gehele landelijk gebied nieuwe bedrijvigheid wordt gestart;
  • een breed scala aan landelijke woonmilieus, variërend van kernen en buurtschappen tot individuele erven, dat qua kwaliteit aansluit bij actuele behoefte van de woonconsument;
  • een gevarieerd en aantrekkelijk landschap, met als bijzondere parels 23 archeologische monumenten, twee rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten (Den Haller en Stokkum) en acht rijksbeschermde historische buitenplaatsen;
  • een robuust ecologisch netwerk, dankzij een combinatie van grote natuurgebieden en talrijke verbindingen via beken en kleine natuurelementen;
  • een sterk ontwikkelde recreatieve (infra)structuur;
  • een goede regionale infrastructuur.

De structuurvisie beschrijft de algemene strategie van de gemeente Hof van Twente ten aanzien van onderwerpen als wonen en leefbaarheid, landbouw, recreatie en toerisme, bedrijvigheid, windenergie, natuur en landschap, cultuurhistorie en archeologie en verkeer, Hoe het beleid ten aanzien van deze onderwerpen is vertaald naar dit bestemmingsplan is te lezen in hoofdstuk 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0010.jpg" Structuurvisie landelijk gebied Hof van Twente

4.3.3 Landschapsontwikkelingsplan

Uitgaande van de huidige kwaliteiten van het landschap is een landschapsontwikkelingsvisie opgesteld. Per landschapstype is aangegeven welk kenmerken dienen te worden behouden en/of versterkt. De uitwerking is gebaseerd op vier thema's:

  • behoud en versterking van waardevolle ensembles;
  • landschappelijke versterking van het watersysteem;
  • zorg voor het agrarisch werklandschap;
  • inpassen van kernen en routes.

Deze thema's worden vertaald naar concrete maatregelen, variërend van aanpassing van waterlopen tot verbreedde landbouw en onderhoud van bestaande landschapselementen.

In het LOP worden vier landschapstypen onderscheiden: het half open dekzandlandschap, het kampenlandschap, het veldontginningslandschap en het broekontginningslandschap.


Het half open dekzandlandschap

Ten behoeve van de landbouwfunctie en de landschapsstructuur wordt in het agrarisch werklandschap (naast de beekzones uit het watersysteem) ingezet op ontwikkeling van erf- en wegbeplanting en behoud van de bestaande landschapselementen. Weg- en laanbeplanting worden hersteld of aangelegd langs wegen die de opbouw versterken en daar waar ruimte is in het profiel voor een goede groeiplaats. Het sortiment moet passend zijn bij het cultuurhistorisch landschapstype.


Karakteristieke erfinrichting wordt gestimuleerd op basis van cultuurhistorische landschapstypes. Binnen dit werklandschap zijn accenten aangeduid die te maken hebben met de oorspronkelijke cultuurhistorische ontginningstypen.


Het kampenlandschap

Door het intensieve landbouwkundige gebruik en ruilverkavelingen zijn delen van het oorspronkelijk gevarieerde en kleinschalige landschap nauwelijks meer herkenbaar. Dit gebied wordt thans gekenmerkt als agrarisch werklandschap: een half open landbouwgebied. De linten van beken en wegen zorgen nog enigszins voor oriëntatie en ordening. Hier komen relicten voor zoals oud bouwland, houtwallen, singels, bosjes en erfbeplanting. De samenhang tussen de landschapselementen is er beperkt. Daar waar het kampenlandschap uiteen is gevallen geldt naast erfinrichting, alleen behoud van landschapselementen en in principe geen actief herstel van het landschapspatroon om de landbouwfunctie voldoende ruimte te bieden.


De wegbeplanting volgt historische wegen en paden met eiken. De erfinrichting in het kampenlandschap wordt bepaald door een open achterkant en besloten voorkant bij het woonhuis met een onregelmatige structuur van bebouwing en dichte beplanting en kleine bospercelen rondom paden en lanen. De ligging is meestal iets van de doorgaande weg af met een slingerende toegangslaan naar de losse achterkant.

Het "voor" is meer besloten en formeler aangelegd met een haagomheining waarbinnen de nuts- en siertuin is aangelegd. Naast fruitbomen markeert veelal een solitaire boom het voorhuis.


Het veldontginningslandschap

Het sterke reliëf is het belangrijkste kenmerk van het stuwwal- en verzamelgebied en wordt gekoesterd in het ensemble van heuvels en flanken. De bebossing van de veldontginningen op de toppen accentueert dit reliëf. Rondom zijn grootschalige jonge veldontginningen met een blokvormige verkaveling.


Het veldontginningslandschap komt in grote eenheden voor op het plateau en de stuwwal waar voor behoud en versterking van het landschapspatroon wordt gepleit. Dit betekent behoud van de open verkaveling van het uitgestrekte veld met zichtbare ontginningsgrenzen. Ieder ontgonnen veld kent een eigen schaal en patroon van beplanting en bebouwing. Markante zichtlijnen tussen stuwwal en flanken worden open gehouden. Naast cultuurhistorische gebieden zijn ook de grotere natuurgebieden onderdeel van het ensemble. Behoud betekent voor de natuurbeheerders de natuurdoeltypen te versterken (hei, veen, bos), verdroging te bestrijden en waar mogelijk gebieden uit te breiden of extensieve bufferzones te creëren.


Het broekontginningslandschap

Dit landschapstype komt in grote eenheden voor in het verzamelgebied, zoals het Markelose Broek, Herikervlier en Elsenerbroek. Hier geldt het behoud van de openheid en grootschaligheid waarbij bospercelen en wegbeplanting van es, populier of els de ruimte begrenzen. Eventuele nieuwvestiging voor landbouwbedrijven kan hier in de landbouwontwikkelingsgebieden plaatsvinden conform het patroon van erfinrichting. De wegbeplanting beperkt zich tot enkele hoofddijken zoals de Scholendijk, Holtdijk en de Visserschdijk indien er voldoende ruimte is. Incidenteel komen knotbomen voor en populier. De erfbeplanting wordt gekenmerkt door een vrij open ruime opzet in het grootschalig landschap en een gesloten beplanting rondom een kleinschalig erf in de kleinschaliger broekontginning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0011.jpg" Landschapsontwikkelingsplan: kaart ontwikkelingen en beleid

4.3.4 Archeologiebeleid

Op 1 januari 2010 is het gemeentelijke archeologiebeleid in werking getreden. Op de bijbehorende archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is aangegeven welke gebieden een lage, een middelhoge en een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben. Verder zijn ook de terreinen met bekende archeologische waarden in beeld gebracht (de archeologische monumenten). Afhankelijk van de verwachtingswaarde dient bij bouwplannen en ingrepen in de grond met een bepaalde omvang en diepte archeologisch vooronderzoek plaats te vinden.

  • Historische kern: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 50 m2 of meer;
  • Hoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 2500 m2 of meer;
  • Middelhoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 5000 m2 of meer;
  • Lage verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 10 ha of meer.

Dit beleid dient vertaald te worden in de planregels van de bestemmingsplannen die in procedure worden gebracht.

4.3.5 Bodembeleid

De gemeente heeft in het Bodembeleidsplan haar beleid ten aanzien van bodemverontreiniging uiteengezet. De ambitie van de gemeente is om bodemverontreinigingen te voorkomen en de bodem geschikt te houden voor toekomstige ontwikkelingen. Ten tweede heeft de gemeente de ambitie om bodemaspecten tijdig mee te nemen in planvorming. De gemeente geeft prioriteit aan het opheffen van bodemverontreinigingen die actuele risico’s opleveren voor mensen of milieu. De gemeente besteedt in het bijzonder aandacht aan de mogelijke aanwezigheid van asbest in de bodem. Hiervoor wordt verwezen naar het asbestbeleid en de asbestsignaleringskaart.

4.3.6 Waterbeleid

Het gemeentelijk waterbeleid is vastgelegd in het Waterplan Hof van Twente (2004) en het Gemeentelijk Rioleringsplan 2008-2012 (2009). Hieronder wordt een samenvatting gegeven van deze plannen.


Waterplan Hof van Twente

Het waterplan is een overkoepelend beleidsstuk over het waterbeheer in de gemeente Hof van Twente dat ook door de waterbeheerders - de waterschappen Regge en Dinkel en Rijn en IJssel en drinkwaterleidingbedrijf Vitens is vastgesteld. Het waterplan geeft een visie hoe het watersysteem binnen de gemeente over ongeveer 25 jaar er uit ziet en welke maatregelen er op korte en lange termijn daarvoor nodig zijn. De visie wordt op basis van drie invalshoeken beschreven, te weten:

  • Twents landschap

Water speelt een belangrijke rol in het gevarieerde en kleinschalige landschap. Het water is zo ingericht dat meerdere functies tegelijk kunnen vervullen. Het waterbeheer sluit zoveel mogelijk aan bij de natuurlijke omstandigheden, zoals hoogteligging, grondwaterstroming en bodemsoort.

 

  • Ruimte voor water

De visie is gericht op het ontwikkelen van een robuust en veerkrachtig watersysteem met als doel wateroverlast en verdroging zoveel mogelijk te voorkomen. Om dit te bereiken is er voldoende ruimte nodig voor het vasthouden en tijdelijk bergen van water. Voor de verbetering van de waterkwaliteit dienen de vervuilende lozingen te worden beperkt. Door het afkoppelen van schoon hemelwater van de riolering wordt de emissie door lozingen vanuit riooloverstorten en rioolwaterzuiveringen gereduceerd.

  • Beleving van water

In de woon- en werkomgeving is water zichtbaar, bereikbaar en veilig voor bijvoorbeeld vissers en wandelaars. Zichtbaar water dat beleefd wordt, is er niet alleen om van te genieten, maar ook er van bewust van te zijn. Om dit te bereiken wordt het hemelwater bij voorkeur met bovengrondse voorzieningen ingezameld en geïnfiltreerd.


Gemeentelijk Rioleringsplan 2013-2016 (GRP)

In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor:

  • inzameling en transport van stedelijk afvalwater.
  • het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater.
  • grondwater(maatregelen).


De doelmatige uitvoering van deze zorgplichten is in het GRP vastgelegd en gaat uit van de volgende principes:


De trits "vasthouden - bergen - afvoeren" houdt in dat in eerste instantie getracht wordt het (gebiedseigen) water in de bodem te infiltreren. Indien dit niet mogelijk is dient het afstromend regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in de laatste instantie kan overwogen worden het water (zo traag mogelijk) af te voeren naar de omgeving.


De trits "schoonhouden - scheiden - schoonmaken" omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoon houden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en tevens het zuiveringsrendement te worden verhoogd.


In het GRP zijn de gemeentelijke zorgplichten nader gedefinieerd. Maatregelen in particulier gebied behoren tot de zorgplichten van de eigenaar.

4.3.7 Gemeentelijk mobiliteitsplan

De gemeente heeft in december 2007 een mobiliteitsplan vastgesteld. Dit plan biedt een overzicht van maatregelen op verkeersgebied die erop gericht zijn om de bereikbaarheid, de leefbaarheid en de veiligheid van de woningen en de bedrijven te verbeteren. Dit plan biedt tevens een kader waaraan ruimtelijke plannen met betrekking tot deze aspecten kunnen worden getoetst. In het bijbehorende maatregelenpakket wordt het beleid naar de praktijk vertaald.


Relevante doelstellingen zijn de volgende:

  • het wegen- en stratennet wordt duurzaam veilig ingericht en heringericht;
  • het fietsverkeer wordt gestimuleerd, het fietsroutenetwerk wordt verbeterd;
  • bij nieuwbouwplannen wordt een parkeertoets en een mobiliteitstoets uitgevoerd.


Met deze doelstellingen wordt bij het beheer, de inrichting en de eventuele ontwikkelingen in het plangebied rekening gehouden. Verder gelden voor het vrachtwagenverkeer van en naar bedrijventerreinen de volgende specifieke doelstellingen:

De bereikbaarheid van bedrijventerreinen moet gewaarborgd blijven en, waar mogelijk en noodzakelijk, worden verbeterd. Het gaat daarbij om een goede directe ontsluiting van verkeer en vrachtverkeer naar het hoofdwegennet, zodat dit (vracht)verkeer niet (meer) door de woonwijken rijdt als het daar niet thuis hoort.

Vanwege de ruimtelijke kwaliteit, de leefbaarheid en de verkeersveiligheid moet het parkeren en laden en lossen op eigen terrein plaatsvinden en niet op de openbare weg.

Ten slotte streeft de gemeente ernaar om op het gemeentelijke grondgebied geen reguliere routes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vast te stellen.

4.3.8 Woonvisie 2009 - 2013 'Groeien in Kwaliteit'

In april 2009 heeft de gemeente Hof van Twente een woonvisie voor de periode 2009-2013 vastgesteld. De gemeente staat voor een grote opgave. De komende jaren zal de bevolking verder vergrijzen, waardoor er een einde komt aan een periode van geleidelijke bevolkingsgroei. De gemeente wil een zo goed mogelijk woonklimaat bieden aan de bestaande inwoners.

De woonvisie vormt een actuele basis om samen met andere partijen op de woningmarkt te zorgen dat ook in de toekomst alle inwoners van de Hof van Twente naar wens kunnen blijven wonen. Concreet wordt ingezet op het bouwen voor de eigen woningbouwbehoefte. De bijlage bij de woonvisie bevat een dynamisch woningbouwprogramma dat per kern en per project inzicht geeft in de verdeling naar sector (huur, koop, kaveluitgifte) en doelgroep (starters, ouderen/ zorg, overig).

Voor dit bestemmingsplan heeft de woonvisie geen concrete uitgangspunten. Het bestemmingsplan is conserverend van aard. Er worden geen nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Wel is er binnen de grenzen van het bestemmingsplan ruimte voor een eventuele gewenste kwaliteitsverbetering.

4.3.9 Welstandsnota

De gemeenteraad van Hof van Twente heeft voor de hele gemeente een welstandsnota vastgesteld met criteria voor de welstandstoets. Daarbij is zowel het buitengebied als de kernen ingedeeld in verschillende gebieden aan de hand van karakteristieken van de bestaande bebouwing. Per gebied zijn criteria opgesteld die door de welstandscommissie worden gebruikt bij het beoordelen van aanvragen om vergunning. Daarbij wordt onder andere gelet op de plaats, de hoofdvorm en de detaillering. Er zijn geen welstandsvrije gebieden. Naast de gebiedscriteria zijn objectgerichte criteria opgesteld die niet voor een gebied, maar voor een bouwwerk gelden. Het gaat dan om regels voor bijvoorbeeld monumenten, landgoederen en serrestallen.

4.3.10 Bedrijventerreinenvisie

In februari 2011 heeft de gemeente de bedrijventerreinenvisie vastgesteld.
De gemeente heeft ambities om de kwaliteit op bedrijventerreinen te garanderen. Kort samengevat hanteert de gemeente de volgende kwaliteitsopgaven en doelen:

  • Het versterken van het ondernemersklimaat in alle kernen;
  • Het verduurzamen van het ondernemerschap, de gebouwde omgeving, de verkeers-structuur en de openbare ruimte;
  • Een goede landschappelijke inpassing van bedrijventerreinen;
  • Het tegengaan van veroudering;
  • Het - waar mogelijk - intensiveren van arbeid op het terrein;
  • Het opstellen van een uitgifte- en vestigingsprotocol.


De ambitie van de gemeente is om alle bedrijvigheid die zich aandient zo goed mogelijk te accommoderen. Daarom wil de gemeente een gevarieerd en compleet aanbod aan bedrijventerreinen aanbieden. Het juiste bedrijf op de juiste plek is de doelstelling. Actieve uitbreiding van bedrijventerreinen vindt binnen de gemeente vooral plaats in Goor op Zenkeldamshoek. Voor de overige kernen geldt dat deze in eerste instantie bedoeld zijn voor de opvang van lokale aan de kern gebonden bedrijvigheid. Dit geldt ook voor lokaal gewortelde bedrijven. Daarbij probeert de gemeente zo veel mogelijk in te breiden op de bestaande locaties in de kernen, staat kleinschaligheid voorop en wordt ruimte geboden aan lokale ondernemers.

4.3.11 Detailhandelsnota

In september 2013 heeft de gemeente een detailhandelsnota vastgesteld. De detailhandelsnota 2013 - 2016 dient meerdere doelen. Zo geeft deze detailhandelsnota inzicht in de huidige stand van zaken van de detailhandel in de Hof van Twente en worden aanverwante ontwikkelingen en relevante beleidsstukken hierbij belicht. Vervolgens wordt een visie geformuleerd voor het gewenste detailhandelsbeleid in de Hof van Twente voor de komende 3 jaar. Bij deze visie wordt rekening gehouden met de rol die de gemeente hierbij kan spelen met in achtneming van haar kerntaken en de huidige tijd van bezuinigingen. Uiteindelijk zal de detailhandelsnota 2013 - 2016 het toetsingskader vormen voor toekomstige initiatieven in relatie met de detailhandel in de Hof van Twente.

De centrale vraag hierbij is:
Wat is de gewenste en duurzame detailhandelsstructuur voor de gemeente Hof van Twente die recht doet aan de wensen en behoeften van de inwoners c.q. consumenten en economisch perspectief biedt aan de ondernemers?

4.3.12 Nota Externe veiligheid

De gemeente heeft haar beleid ten aanzien van externe veiligheid vastgelegd in de nota “Bewuste veiligheid op maat”. Binnen de gemeente zijn een aantal risicovolle inrichtingen aanwezig. Op de site www.risicokaart.nl is een actueel overzicht van de risicovolle bedrijven te vinden. Ten aanzien van nieuwvestiging van zwaardere en risicovolle bedrijvigheid stelt de gemeente zich terughoudend op. Verder moet met name bij gevoelige functies, rekening gehouden worden met het vervoer van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor, het water of buisleidingen.

4.3.13 Milieubeleidsplan

Het gemeentelijk milieubeleidsplan schetst de kaders, de hoofdlijnen en de richting van het te voeren samenhangend beleid voor diverse milieuthema's, de aanpak van doelgroepen en de samenhang met het economisch-ruimtelijk beleid. De beleidsnota kent een visie deel tot 2020 en ambities tot 2015. Centraal staat het streven naar milieuduurzaamheid. Dit vindt plaats doordat milieuaspecten en –normen vroegtijdig in de voorbereiding van besluitvorming worden mee- en afgewogen met het oog op ontwikkeling en behoud van een goed woon- en leefklimaat. Het voorliggende plan draagt bij aan de realisatie van een duurzaam milieu.

Hoofdstuk 5 Waarden

In dit hoofdstuk komen de feiten en visie op de gebiedsdragers en daarmee de voorkomende waarden aan bod. De laagdynamische functies (of: gebiedsdragers) landschap, natuur, cultuurhistorie en archeologie vormen het kader voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de overige functies (als (niet)agrarische bedrijven, recreatie, e.d.). Deze gebiedsdragers blijven de basis vormen voor de ontwikkelingsmogelijkheden, die nader aan bod komen in hoofdstuk 6.

5.1 Landschap

5.1.1 Ontstaansgeschiedenis en landschapstypering

Ten gevolge van variaties in het reliëf, de ondergrond en het water zijn in het plangebied drie geomorfologische delen te onderscheiden: plateau, dekzandgebied en stuwwal en verzamelgebied. De verschillen tussen deze drie delen zijn in het verleden aangescherpt door vestiging en ontginning. In de 20e eeuw zijn de verschillen tussen de deelgebieden door de ontwikkeling van het ruimtegebruik afgezwakt, maar niet verdwenen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0012.jpg"

Geomorfologie van Hof van Twente

Het plateau

Het Oost-Nederlands plateau is een licht glooiende hoogte die is ontstaan in de ijstijd. De ondergrond bestaat uit ondoorlatende lagen van keileem en grondmorene. Het plateau vormt de bovenloop en het brongebied van vele beeklopen die noordwestwaarts afstromen. De kern Delden ligt op de rand van het plateau, met een karakteristiek radiaal wegenpatroon dat een web over de landschapsstructuur heen vormt.

Langs de beken ontstonden nederzettingen met landbouwgronden; essen en kleinere kampen. Het onland was in gemeenschappelijk gebruik als veld voor het vee en de plaggen. In gebieden waar het water niet kon afstromen zijn ooit uitgestrekte venen gevormd.

De oudste veldontginningen zijn kleinschalige landbouwgebieden. De jongere ontginningen liggen vooral rond de venen en zijn grootschalig en open, met het karakter van de oorspronkelijke velden. Daartussen vormen delen van de velden grote eenheden bos- en natuurgebied, veelal in eigendom van landgoedeigenaren en terreinbeherende instanties. Ze worden gekenmerkt door naald- en loofbos of half open natuurgebied met heide en veen.

De huidige landschapsstructuur van het plateau wordt bepaald door de afwisseling van grote eenheden natuurgebieden en landbouw. Accenten in dit patroon zijn oude essen en kampen langs de smalle linten van beken en het landgoed Twickel.

Het landschap van het plateau heeft de volgende kenmerken.

  • ensembles van grote eenheden natuur en cultuurhistorie; bos, heide, veen, landgoederen, kampen en essen;
  • grote eenheden landbouw: oude veldontginningen met kleinschalige blokverkaveling en jonge veldontginningen met grootschalige blokverkaveling;
  • smalle beken;
  • radiale wegen/lanen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0013.jpg"

Weg over es

Het dekzandgebied

Het dekzandgebied is het lager gelegen, vrij vlakke gebied tussen het plateau en de stuwwal bij Markelo. De verspreid liggende kleine kernen in het landschap zijn ontstaan uit buurtschappen, landgoederen of door de ligging aan doorgaande wegen: Bentelo, Diepenheim, Hengevelde. Het dekzandgebied wordt doorsneden door beken die redelijk parallel in noordwestelijke richting afstromen, richting de Regge in het verzamelgebied.

Langs de beken liggen buurtschappen met natte hooilanden (maten), oude kampontginningen en plaatselijk ook grotere essen. Daartussen liggen kleinschalige veldontginningen met restanten heide en bos. Langs enkele beken zijn de cultuurhistorische landschappen nog goed herkenbaar. In de landgoederen rond Diepenheim, die eveneens langs de beken zijn ontstaan, zijn gave kampen bewaard gebleven. Het dekzandlandschap is hier vanouds sterker verdicht met bossen en oude lanen.

Een bijzonder stuk kampenlandschap is het gebiedje Elsenerbroek langs de Regge. Hier is een fijnmazig patroon behouden van omsloten percelen op de dekzandkopjes, te midden van de natte gronden van het verzamelgebied.

Door het intensieve landbouwkundige gebruik en ruilverkavelingen zijn delen van het oorspronkelijk gevarieerde en kleinschalige landschap nauwelijks meer herkenbaar in het huidige landschapsbeeld. Dit gebied wordt thans gekenmerkt als agrarisch werklandschap: een half open landbouwgebied. De linten van beken en wegen zorgen nog enigszins voor oriëntatie en ordening. Hier komen relicten voor zoals oud bouwland, houtwallen, singels, bosjes en erfbeplanting. De samenhang tussen de landschapselementen is beperkt.

Het landschap van het dekzandgebied heeft de volgende kenmerken.

  • waardevolle ensembles van oude kampenlandschappen, heide, bos en landgoederen;
  • half open landbouwgebied met verspreide landschapselementen; oud bouwland, singels, solitaire bomen, heiderestanten en bosjes;
  • beken met maten en singels;
  • wegenpatroon parallel aan en haaks op de beken.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0014.jpg"

Beek bij Diepenheim

Stuwwal en verzamelgebied

Het westelijke plangebied rond Markelo wordt gekenmerkt door het markante reliëf van de hoge stuwwal met de koppen van verschillende “bergen”, glooiende flanken en open laaggelegen natte voeten: het verzamelgebied. De hoogste delen van de stuwwal zijn bebost, vooral met naaldhout. Rondom zijn grootschalige jonge veldontginningen gelegen met een grootschalige, blokvormige verkaveling. De Borkeld en het Elsenerveld zijn oude veld- en heiderestanten. In deze hoge gebieden zijn de recreatievoorzieningen geconcentreerd.

In het verzamelgebied komen de laaglandbeken van het plateau en het dekzandlandschap bijeen, om via de Regge langs de flank van de stuwwal noordwaarts af te stromen. Door het geringe reliëf stagneerde de afvoer en zijn brede broeklanden ontstaan, zoals het Herikervlier en Elsenerbroek.

De kern Goor is ontstaan in dit Reggedal; op een dekzandkop langs de Poelsbeek, op de handelsroute met Duitsland. Aan de westzijde van Goor ligt het landgoed Stoevelaar, dat met de Herikerberg een belangrijk uitloopgebied vormt voor de bewoners van Goor. Het Twentekanaal en de spoorlijn vormen de zuidrand van Goor en begrenzen het deelgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0015.jpg"

Markelose berg

De flanken bestaan uit oude nederzettingen met grote escomplexen en karakteristieke krans- en zwermesdorpen langs de randen. Door het reliëf en het open grondgebruik ontstaan vergezichten, omlijst met historische erven. Het reliëf van de beekdalen van de Beusbergerbeek en Holtdijksche beek draagt daaraan bij.

De natte en lage delen waren vanouds drassig en kwelrijk veen- en broekgebied, dat na 1900 ontgonnen is met een grootschalige blokverkaveling tussen rechtlijnige dijken. Het open landbouwgebied wordt afgewisseld met broekbos en wilgen- en populierenbeplanting. Door zandwinning is de Plas Domelaar uitgegraven in de westflank van de stuwwal.

Het landschap van de stuwwal en het verzamelgebied heeft de volgende kenmerken:

  • het reliëf van de stuwwal en de “bergen”;
  • bos- en natuurgebied;
  • de open glooiende escomplexen, patroon van historische esbebouwing en erfbeplanting;
  • open grootschalige broekontginningen met broekbos.
5.1.2 Uitgangspunten voor beleid

Het beleid is gericht op behoud, herstel en waar mogelijk versterking van de karakteristieke verschillen. In zijn algemeenheid wordt dit vooral bereikt door voor alle aanwezige erven en andere bebouwde terreinen een zorgvuldige landschappelijke inpassing te bevorderen.

In het essenlandschap is vooral behoud van de openheid en het reliëf van belang. In het kampenlandschap dient het kleinschalige en onregelmatige patroon van singels, houtwallen, zandpaden en bosjes rond de omsloten kampen te worden onderhouden en waar mogelijk hersteld. In het veldontginningslandschap is het beleid gericht op behoud van open blokvormige verkaveling met uitgestrekte langwerpige velden met zichtbare ontginningsgrenzen en in het broekontginningslandschap is behoud van de openheid en grootschaligheid, waarbij bospercelen en wegbeplanting de ruimte begrenzen, van belang.

In het bestemmingsplan worden de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden' gehanteerd. Binnen de gebieden met een bepaalde waarde zal deze waarde door middel van een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden worden beschermd, te weten: beplantingselementen, hoogteverschillen, openheid, rustige omstandigheden/onverharde wegen, waardevolle waterhuishoudkundige situatie en natuurwaarden.

5.2 Natuur - Bos

De voorkomende natuur komt tot uitdrukking in het veld en in diverse beleidsplannen en regelingen. Het betreft de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) door de provincie, de gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn, gebieden die vallen onder de Natuurbeschermingswet en gebieden die reeds als natuur bestemd zijn in de vigerende bestemmingsplannen.

In het buitengebied van Hof van Twente ligt een groot aantal bos- en natuurgebieden. De meest voorkomende natuurtypen zijn heide en gemengd bos. Een groot gedeelte van de natuurgebieden is in eigendom en beheer van landgoederen, zoals Weldam en Twickel. Ten zuiden van de A1 ligt ter hoogte van Markelo één van de grootste natuurgebieden van de gemeente, De Borkeld. Tussen Markelo en Goor ligt het bosgebied Herikerberg. Andere grote natuurgebieden concentreren zich rond de landgoederen nabij Delden en Diepenheim. Naast deze grotere natuurgebieden liggen er verspreid over de gemeente diverse kleinere natuurgebieden.

5.2.1 Natura 2000

Alleen natuurgebied De Borkeld is aangemerkt als Natura 2000-gebied. Hieronder wordt nader ingegaan op dit gebied.

De Borkeld

De Borkeld is gevarieerd door gradiënten in hoogte en tussen zandige, ijzerhoudende lemige en venige bodem. De vegetatie in het gebied bestaat aan de randen uit heide, jeneverbesstruweel en bos. In het centrale deel van het gebied ligt een voormalig hoogveen dat nu vergrast en enigszins verbost is. Ten westen hiervan komt een strook met vergraste natte heide voor die overgaat in een groter droog heidegebied. Het leemkuilengebied is deels vergraven en deels onvergraven. Als gevolg hiervan bestaat het uit een kleinschalig patroon van heischrale graslanden en natte heide, omgeven door bos.

De droge heide van de Borkeld behoort tot een leemrijke variant. Heischrale graslanden domineren, maar opvallend aanwezig zijn Borstelgras, Gewoon struisgras en Liggend walstro, waardoor de heide een grazig aanzien heeft. Meer bijzondere soorten zijn Klein warkruid, Stekelbrem en Kruipbrem. De droge heide is van belang voor een populatie van de Zandhagedis en vanwege insecten als Boszandloopkever en Blauwvleugelsprinkhaan. Opvallende broedvogels zijn Nachtzwaluw en Boomleeuwerik en - in sommige jaren - Grauwe klauwier. In het oostelijke deelgebied de Hocht liggen leemputten, die nu ruim 50 jaar buiten gebruik zijn. In de jaarlijks gemaaide heischrale vegetatie staan bijzonderheden als Addertong, Vierzadige wikke en Stijve ogentroost. Elders in het gebied wordt heischraal grasland aangetroffen op en langs een leemspoor in de heide. De gradiënt van natte heide naar heischraal grasland herbergt hier Gevlekte orchis, Heidekartelblad, Welriekende nachtorchis en Klokjesgentiaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0016.jpg"

Natuurgebied De Borkeld

Het meest natte deel van de Borkeld wordt gevormd door het Elsenerveen, een veenrestant dat is ontwaterd door sloten en sterk geëutrofieerd door de aanwezigheid van een meeuwenkolonie. Dit hoogveen is feitelijk niet herstelbaar, wat de reden was om alleen de veenputjes in de verdroogde hoogveenkern aan te melden als Zure vennen. Grote delen van de Borkeld die vroeger zijn ontgonnen, zijn nu omgevormd tot heide en grasland. Op enkele plekken blijven akkerreservaten met winterrogge bestaan, die een beeld geven van de vegetatie van essen. Kenmerkend zijn Slofhak, Kleine leeuwenklauw, Grote windhalm, Korenbloem, Akkerviooltje en Akkervergeet-mij-nietje. Smalle wikke en Akkerogentroost duiden op een leemrijke bodem.

De beheerplannen voor deze gebieden geven een uitwerking van de doelstellingen en de maatregelen die nodig zijn om die doelen te halen. De inzet is om bestaande activiteiten zoveel mogelijk ongewijzigd door te laten gaan en de externe werking (wettelijke bescherming buiten de begrenzing) tot een minimum te beperken. Voor nieuwe plannen of projecten in en nabij de Natura 2000-gebieden is een vergunningstelsel ingesteld. De provincie is hiervoor in veel gevallen het bevoegd gezag.

5.2.2 Ecologische Hoofdstructuur (EHS)

De provincie Overijssel ziet de EHS - inclusief ecologische en robuuste verbindingszones - als een belangrijk instrument voor het behoud van de biodiversiteit omdat daarmee een (inter)nationaal vitaal en samenhangend stelsel van natuurgebieden tot stand wordt gebracht. Realisatie van de EHS geschiedt op basis van vrijwilligheid en zonder beperkend effect op naastliggende gebieden.

Het ruimtelijk beleid voor de EHS is gericht op 'behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden' van de EHS, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn.

De kernkwaliteiten binnen de EHS zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Dat betekent dat er geen ruimte is voor ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van de EHS, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0017.jpg" Concreet begrensde EHS en zoekgebieden EHS (bron: provincie Overijssel)

De begrenzing van de EHS is vastgelegd in de provinciale Verordening, evenals de regels waaraan bestemmingsplannen in de EHS aan moeten voldoen. Het credo hierbij is: flexibiliteit met kwaliteit.

Op de kaart 'Zone Ondernemen met natuur en water en begrenzing Ecologische hoofdstructuur ' bij de Verordening zijn de concreet begrensde onderdelen van de EHS (bestaande en nieuwe natuurgebieden en beheersgebieden) weergegeven, evenals zoekgebieden. De zoekgebieden zijn gebieden die nog concreet begrensd worden. Ze genieten dezelfde ruimtelijke bescherming als de concreet begrensde EHS totdat de concrete begrenzing is vastgesteld.

5.2.3 Uitgangspunten voor beleid

Uitgangspunt is het handhaven, beschermen, herstellen en ontwikkelen van de aanwezige natuurwaarden in de EHS, Natura 2000-gebieden, de gebieden die vallen onder de Natuurbeschermingswet, bestaande natuur buiten deze regelingen of andere aangewezen gebieden.

In de Natuurbeschermingswet 1998 is geregeld dat wanneer in, of in de omgeving van, een Natura 2000-gebied een ontwikkeling plaatsvindt, deze moet worden getoetst aan de Natuurbeschermingswet 1998 en dat eventueel een ontheffing moet worden aangevraagd. Hierdoor hoeven Natura 2000-gebieden niet extra beschermd te worden in het bestemmingsplan. Uit het MER blijkt dat voor dit bestemmingsplan voldoende rekening is gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden in en rond het plangebied. Natura 2000-gebieden worden in het bestemmingsplan bestemd als 'Natuur'.

De bestaande natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, EHS-bestaande natuur en EHS-nieuw gerealiseerde natuur) en enkele natuurgebieden op basis van de vigerende bestemmingsplannen én de luchtfoto's, zijn bestemd als 'Natuur'. Deze gronden zijn tevens bestemd voor multifunctionele bosbouw, het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van algemene natuur- en landschapswaarden, voor water en voorzieningen voor de waterhuishouding en voor recreatief medegebruik. Bescherming van de wettelijk vastgelegde natuurwaarden verloopt via de Natuurbeschermingswet en Flora- en faunawet.

Buiten de EHS en Natura 2000-gebieden zijn bosgronden bestemd als 'Bos'. Deze gronden zijn bedoeld voor bos en houtopstanden en ook deze gebieden zijn tevens bestemd voor multifunctionele bosbouw, het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van algemene natuur- en landschapswaarden, voor water en voorzieningen voor de waterhuishouding en voor recreatief medegebruik.

De bestaande bosgebieden worden op basis van de vigerende bestemmingsplannen én het feitelijk gebruik (op basis van luchtfoto's) aangegeven op de verbeelding. In de grotere bosgebieden komen sporadisch open plekken voor welke onderdeel uitmaken van het bos als geheel en daarom ook zo zijn bestemd.

Indien houtopstanden kleiner zijn dan 10 are worden ze als landschapselement gezien en geregeld binnen de bestemming (bijvoorbeeld 'Agrarisch met waarden') waarin ze zijn gelegen.

Onder multifunctionele bosbouw wordt verstaan: ”Het geheel van bedrijfsmatig handelen en activiteiten gericht op de duurzame instandhouding en ontwikkeling van bestaande en nieuwe bossen ten behoeve van natuur, houtproductie, landschap milieu of recreatie”.

Het duurzame gebruik van de gronden als bos is daarbij een belangrijke eigenschap van multifunctionele bosbouw. Het perceelsgewijs kappen door bedrijven geregistreerd bij het bosschap is toegestaan maar mag geen blijvende schade toebrengen aan de omgevingskwaliteit (veelal kleinschaligheid van het landschap).

Ten aanzien van het natuurbeheer geldt dat voor werken geen gebouw zijnde of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen geen omgevingsvergunning vereist is. Werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer van bos en natuur betreffen zijn bij recht toegestaan aangezien deze maatregelen bijdragen aan de instandhouding van het bestemde gebruik. De aanwezige houtopstanden worden verder beschermd vanuit de bomenverordening. Deze verwijst voor de landschappelijke afweging onder meer terug naar het behoud van het kleinschalig landschap. Bestemmingsplan en bomenverordening dienen dan ook in samenhang te worden gebruikt.

Algemeen geldt dat de productie van coniferen of andere siergewassen als boomkwekerij geldt, en niet tot bosbouw gerekend wordt.

De gronden met de bestemming 'Agrarisch' krijgen, voorzover zij zijn gelegen binnen de EHS, tevens de dubbelbestemming 'Waarde - Ehs'. Deze dubbelbestemming biedt bescherming tegen ontwikkelingen die significant negatieve effecten kunnen hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van de natuur ter plaatse. Deze dubbelbestemming bevat daartoe verbodsbepalingen en een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden.

Op gronden die bestemd zijn als 'Natuur' of 'Bos' zijn geen ontwikkelingen toegestaan die afbreuk doen aan de bestaande c.q. potentiële natuurwaarden. De dubbelbestemming EHS is hier daarom niet nodig.

In relatie tot de herbegrenzing van de EHS hebben Gedeputeerde Staten ook een standpunt ingenomen over de zogenaamde Groen Blauwe Hoofdstructuur (GBHS) zoals die nu nog in de Omgevingsvisie staat. Gedeputeerde Staten kiezen voor een andere benadering en uitvoeringsstrategie. Daar hoort een nieuwe naam bij: ‘Zone ondernemen met Natuur en Water'.
Binnen deze zone is sprake van twee deelgebieden; het deelgebied EHS en het deelgebied buiten de EHS. In het deelgebied buiten de EHS gaat voor ruimtelijke ontwikkelingen een ander beleid gelden (‘Ja, mits') dan tot nu toe ‘(Nee, tenzij'). De bestaande functies, waaronder de landbouw, zijn uitgangspunt voor de bestemmingen in dit deelgebied. Nieuwe ontwikkelingen zijn er mogelijk mits ook een kwaliteitsimpuls wordt gegeven aan water, natuur en landschap. Binnen de EHS blijft het ‘Nee, tenzij' beleid gelden. Dit betekent dat daar alleen ruimte is voor ruimtelijke ontwikkelingen die te maken hebben met de inrichting en het beheer van de natuur.

5.3 Cultuurhistorie en archeologie

5.3.1 Algemeen

De gemeente Hof van Twente beschikt over tal van cultuurhistorische waarden van hoge kwaliteit. De cultuurhistorische waarden omvatten de ruimtelijke kwaliteit van het landschap met oude veldontginningen, oud bouwland en historische esbebouwing, de monumenten, waaronder boerderijen, kerken en huizen, en het rijke bodemarchief (het archeologisch erfgoed).

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0018.jpg"

Monumenten, buitenplaatsen en dorpsgezichten in Hof van Twente (bron: welstandsnota 2007)

Het begrip cultuurhistorische waarden kan worden uitgelegd als 'het samenspel van historische landschappen, historisch geografische elementen en structuren, cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken en archeologische vindplaatsen die iets vertellen over het verleden'. Cultuurhistorie uit zich daarmee direct in het landschapsbeeld. Het zit verweven in de eigenheid van een gebied.

5.3.2 Cultuurhistorische bebouwing

De mate waarin cultuurhistorische structuren nog herkenbaar zijn in het huidige landschap geeft een cultuurhistorische waarde aan een gebied. In het buitengebied van Hof van Twente zijn meerdere landschapstypen onderscheiden met elk hun eigen karaktereigenschappen. Binnen de bestemmingen met betrekking tot het agrarisch gebied wordt hier aandacht aan besteed.

Fysiek komt de cultuurhistorie tevens tot uitdrukking in de bebouwde omgeving. Een belangrijke kwaliteit in het buitengebied wordt gevormd door panden en elementen met cultuurhistorische waarde, waaronder landgoederen en historische buitenplaatsen. Monumenten worden beschermd in het kader van de Monumentenwet 1988 en via de gemeentelijke monumentenverordening.

Erven

Binnen het Twentse landschap zijn de oude agrarische erven vooral terug te vinden langs de kampen en essen: de hoger gelegen delen van het landschap, waar zich de akkers bevonden. Deze oude Twentse erven hebben een aantal specifieke kenmerken. Er is sprake van een besloten voorkant met moes- en/of siertuin, omzoomd door hagen (meidoorn of beuk) en een open achterzijde, die naar de weg gekeerd is. Bij de erven is een boomgaard aanwezig, evenals houtwallen en solitaire bomen zoals walnoot en linde. De verharding van het erf bestaat vaak uit veldkeien of klinkers en er is meestal geen sprake van een duidelijke begrenzing van het erf. De erven staan in groepen bij elkaar en lopen in elkaar over.

De karakteristieke erven zoals deze binnen de jonge ontginningen van het Twentse landschap te vinden zijn, hebben andere kenmerken. Ze zijn geïsoleerd van elkaar, als eilandjes, gelegen langs de wegen en zijn met hun voorzijde naar de weg gekeerd. De bebouwing en beplantingen staan haaks of parallel ten opzichte van elkaar. Er is sprake van duidelijke, vaak rechthoekige erfbegrenzing en strak geordende beplanting.

Bebouwing

In de gemeente Hof van Twente bevinden zich veel karakteristieke panden. De gemeente telt 140 Rijksmonumenten. Vooral de historische buitenplaatsen, met een landhuis, omliggend terrein en de daarin gelegen gebouwen, zijn hieronder rijk vertegenwoordigd. Het betreft Twickel, Weldam, Wegdam, Nijenhuis, Westerflier, Warmelo en Beckenhagen.

De als karakteristiek aan te duiden panden zijn gebouwen met een typisch Twentse bouwstijl of bebouwing die deel uitmaakt van een beeldbepalend ensemble, dan wel bebouwing die door de welstandscommissie of de ervenconsulent van het Oversticht als zodanig kan worden aangemerkt.

De meeste karakteristieke panden betreffen oude boerderijen. In de gemeente staan grofweg twee verschillende typen boerderijen, die zich vooral onderscheiden in hun hoofdvorm.

In de kampen en onderaan de essen komen de in Twente gebruikelijke hallenhuizen voor. Er is sprake van één hoofdvorm waarin woonhuis en stal zijn ondergebracht. De kappen van de boerderijen zijn meestal laag en bedekt met rode pannen, soms is het bovenste deel van de kap met riet bedekt. Ook zijn er boerderijen die een lichte knik in het dak hebben; het onderste deel van het dak is halverwege als het ware aan beide zijden een beetje opgetild. Naast de oude boerderij staan veelal losse schuren en stallen op het erf. Bij elkaar vormen de gebouwen een ensemble. Een aantal boerderijen en schuren hebben een dakoverstek. Aan de kopgevel steekt het wolfseind ongeveer een meter uit.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0019.jpg" Een hallenhuis nabij Markelo

In het westen van de gemeente komt het rivierdwarshuis veel voor, een type boerderij dat is afgeleid van het hallenhuis. Hier is het woongedeelte dwars op de stal geplaatst, waardoor een T-vormige plattegrond is ontstaan. De rivierdwarshuizen kennen veelal een verfijnde architectuur, met bijzondere metselverbanden met rollagen en sluitstenen, hoge ramen met fraaie kozijnen en omtimmerde goten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0020.jpg"

Rivierdwarshuis

5.3.3 Archeologie

Naast gebouwde cultuurhistorische waarden zijn er in de bodem nog veel aanwijzingen uit het verleden aanwezig. In beleidsmatige zin hebben de archeologische waarden de afgelopen jaren meer aandacht gekregen. Dit heeft onder andere geresulteerd in internationale verdragen over het behoud van bodemschatten, zoals het Verdrag van Valetta.

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft reeds bekende archeologische monumenten aangewezen, die zijn vermeld op de Archeologische Monumentenkaart (AMK).

De opgestelde archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente geeft inzicht in de bekende en te verwachten archeologische waarden binnen de gemeente. Aan deze waarden wordt een advies gekoppeld voor het te voeren beleid.

De gemeenteraad van Hof van Twente heeft in november 2009 het rapport 'Een archeologische inventarisatie, verwachtings- en beleidsadvieskaart' vastgesteld. Op deze kaart staan rijksmonumenten vermeld én worden gebieden aangegeven waar de kans op archeologische vondsten groot of klein is. Per gebied zijn criteria opgesteld wanneer een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

5.3.4 Uitgangspunten voor beleid

Cultuurhistorie

De gemeente Hof van Twente heeft archeologisch beleid opgesteld en is momenteel bezig eigen beleid op te stellen ten aanzien van cultureel erfgoed. Doel van dit beleid is het geven van een integraal kader met beleidsvoornemens om het cultuurhistorische erfgoed, in het bijzonder de archeologie, beter te verankeren in de ruimtelijke planvorming. De gebouwde cultuurhistorische waarden (monumenten) worden reeds beschermd via de Monumentenwet. Daarom wordt in dit bestemmingsplan geen aparte regeling voor deze bouwwerken opgenomen. In deze toelichting is uitgewerkt welke bebouwing binnen de gemeente als karakteristiek dient te worden gezien. Voor de beide beschermde dorpsgezichten binnen de gemeente, Stokkum en Den Haller, is een dubbelbestemming opgenomen.

Archeologie

De bescherming van archeologische monumenten is geregeld in de Monumentenwet 1988. Beschermde archeologische monumenten worden in het bestemmingsplan ter herkenning op de verbeelding weergegeven met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Hier zijn geen bodemverstorende activiteiten toegestaan, tenzij een vergunning is verkregen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Ook overige bekende waarden voor archeologie (zoals aangegeven op de AMK) moeten worden beschermd. Aantasting moet worden voorkomen. Concreet betekent dit dat bij een gebied met archeologische waarde (Waarde - Archeologie 2) een onderzoeksplicht geldt bij ingrepen die groter dan of gelijk aan 50 m2 zijn en/of dieper gaan dan 40 cm beneden maaiveld.

De gebieden met een bepaalde archeologische verwachtingswaarde worden in het bestemmingsplan beschermd met een bestemming 'Waarde - Archeologische verwachting'. Te verwachten waarden worden beschermd door vooraf na te gaan of eventuele waarden door bepaalde ontwikkelingen worden verstoord.

Archeologische monumenten worden op de verbeelding aangegeven, zonder hier regels aan te verbinden. Hun bescherming verloopt via de Monumentenwet.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0021.jpg"

Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente

Waarde/Verwachting   Beleid  
Beschermd monument   Er zijn geen bodemverstorende activiteiten toegestaan, tenzij een vergunning is verkregen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.  
Overige AMK-terreinen   Bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 50 m2 is archeologisch onderzoek noodzakelijk.  
Hoge verwachting   Bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 2.500 m2 is archeologisch onderzoek noodzakelijk.  
Middelhoge verwachting   Bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 5.000 m2 is archeologisch onderzoek noodzakelijk.  
Lage verwachting   Bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 10 hectare is archeologisch onderzoek noodzakelijk.  

Hoofdstuk 6 De regeling

Allereerst is in paragraaf 6.1 de juridische toelichting opgenomen, waarin wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan is opgebouwd en werkt. In paragraaf 6.2 wordt daarna een toelichting gegeven op de flexibiliteitsbepalingen die bestemmingsoverstijgend zijn, waarna in paragraaf 6.4 een toelichting per bestemming wordt gegeven.

6.1 Juridische opzet van het plan

6.1.1 Opbouw van het plan

Het bestemmingsplan omvat een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen kunnen niet los van elkaar worden gezien en dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden toegepast. De toelichting heeft geen eigen rechtskracht, maar vormt wel een belangrijk onderdeel van het plan.

6.1.2 De verbeelding

Sinds de Wro in werking is getreden is het digitale bestemmingsplan leidend. De verbeelding bij dit plan is te raadplegen via de website RO Online (ruimtelijkeplannen.nl) en via de gemeentelijke website. Per locatie worden via deze digitale verbeelding alle relevante aspecten op eenvoudige wijze ontsloten. De analoge verbeelding, die te raadplegen is op het gemeentehuis, bestaat uit 17 kaartbladen met een bijbehorende legenda.

Op de verbeelding hebben alle binnen het plangebied gelegen gronden een bestemming gekregen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de bestemming overeenstemt met het bestaande gebruik van de betreffende gronden. Slechts wanneer aannemelijk is dat het bestaande gebruik binnen afzienbare termijn en in elk geval binnen de planperiode wordt beëindigd, kan van dat uitgangspunt zijn afgeweken. Voorwaarde hierbij is dat de haalbaarheid voldoende is aangetoond.

Binnen de bestemmingen zijn op de verbeelding diverse aanduidingen aangegeven. Aanduidingen hebben slechts juridische betekenis voor zover deze daaraan in de regels is toegekend. Een aantal aanduidingen heeft geen enkele juridische betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens en de gemeentegrens). Deze aanduidingen worden daarom verklaringen genoemd.

Naast bestemmingen en aanduidingen komen op de verbeelding zogenaamde zones voor. Deze zones zijn gebiedsaanduidingen en ze geven gebieden aan waarbinnen bijzondere beperkende en/of aanvullende regels gelden ten behoeve van de bescherming van een specifiek belang of een specifieke waarde (bijvoorbeeld een zone ter bescherming van een aardgasleiding of ter bescherming van archeologische waarden). Zones vallen niet samen met bestemmingen, maar liggen over (een gedeelte van) één of meer bestemmingen heen.

6.1.3 De regels
6.1.3.1 Algemeen

De regels van het plan zijn conform de standaard ondergebracht in vier hoofdstukken:

6.1.3.2 Bestemmingen

Om recht te doen aan het uitgangspunt dat het plan niet meer dient te regelen dan noodzakelijk is, kent het plan een beperkt aantal bestemmingen. Ook de bijbehorende bouw- en gebruiksregels zijn waar mogelijk beperkt in aantal en in mate van gedetailleerdheid. De regels hebben voor elke bestemming dezelfde opbouw met achtereenvolgens, voor zover aanwezig, de volgende leden:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen (indien aanwezig);
  • afwijking van de bouwregels (indien aanwezig);
  • specifieke gebruiksregels (indien aanwezig);
  • afwijking van de gebruiksregels (indien aanwezig);
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden (indien aanwezig);
  • wijziging (indien aanwezig).

Centraal staat de bestemmingsomschrijving. Daarin worden limitatief de functies en waarden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan respectievelijk worden beschermd. In een aantal gevallen geeft de bestemmingsomschrijving daarbij nog een nadere beperking in de vorm van een bestemmingscategorie of bijvoorbeeld een gebiedsbegrenzing, een maximale oppervlakte- of inhoudsmaat dan wel een beperking tot de bestaande bebouwing.

De bouwregels en de gebruiksregels in de specifieke bestemmingen zijn direct aan de bestemmingsomschrijving gerelateerd.

De afwijking van gebruiks- of bouwregels en wijzigingsregels geven burgemeester en wethouders bevoegdheden om onder voorwaarden een afwijking van een regel toe te staan dan wel onder voorwaarden het plan te wijzigen.

Die toegekende mogelijkheden in de bestemming kunnen nader worden ingevuld via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één 'enkel' bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.

Aanvullend op de bestemmingen en dubbelbestemmingen zijn in Hoofdstuk 3 Algemene regels algemene regels opgenomen zoals bouwregels, gebruiksregels, aanduidingsregels, afwijkingsregels, wijzigingsregels en procedureregels. Hierin is onder andere bepaald dat het verboden is de onbebouwde grond en/of de daarop aanwezige bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met het in het plan bepaalde. Bedoeld wordt een gebruik in strijd met de bestemmingsomschrijving.

In veel artikelen wordt gesproken over 'met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ontsluitingsvoorzieningen, parkeervoorzieningen binnen het bouwvlak, groenvoorzieningen, tuinen en erven.' Het woord 'bijbehorende' slaat op de gehele bijzin en niet alleen op het eerstvolgende woord.

Onder de term 'bijbehorende ontsluitingsvoorzieningen' wordt onder andere verstaan een erfontsluitingsweg ten behoeve van bijvoorbeeld een woonbestemming gelegen in het agrarisch gebied.

6.1.3.3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Het doel van deze wet is om te komen tot een samenhangende beoordeling in één procedure van verschillende activiteiten die invloed hebben op de fysieke leefomgeving.

De Wabo heeft tot gevolg dat verschillende vergunningen worden verleend in één besluit, de omgevingsvergunning. Ook de thans in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen vergunningen en ontheffingen vallen onder de Wabo.

Voor het bestemmingsplan heeft dit gevolgen voor de gebruikte terminologie. Termen als 'bouwvergunning', 'aanlegvergunning', 'sloopvergunning' en 'ontheffing' zijn vervangen door 'omgevingsvergunning ten behoeve van…'.

6.1.3.4 Flexibiliteitsbepalingen

Zoals uit het voorgaande al bleek, zijn in de regels verschillende afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor burgemeester en wethouders. In alle gevallen gaat het om afwijkingsmogelijkheden van in de bestemmingsbepalingen opgenomen regels. Indien één van deze bevoegdheden wordt gebruikt, zal een (belangen)afweging moeten plaatsvinden. Het gaat immers om de toepassing van bevoegdheden voor het gemeentebestuur. Dat wil zeggen, dat de geboden afwijkingsmogelijkheden mogen worden gebruikt, maar dat er ook voor kan worden gekozen geen gebruik te maken van de bevoegdheid. Dit laatste houdt in dat een eventueel verzoek om toepassing te geven aan een bevoegdheid wordt afgewezen. Teneinde richting te geven aan de (belangen)afweging, zijn bij elke afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid een of meerdere afwegingscriteria/voorwaarden opgenomen.

De individuele belangen van de betrokkenen, de betrokken waarden en het algemene belang zullen tegen elkaar moeten worden afgewogen. Een enkele keer is bepaald dat door de verzoeker of door burgemeester en wethouders het één en ander moet worden aangetoond. Wanneer iets voldoende is aangetoond is het aan burgemeester en wethouders om een verzoek te beoordelen. In enkele gevallen wordt het advies van een onafhankelijk deskundige verlangd.

De bevoegdheden zijn concreet begrensd, om duidelijk te maken waar de scheiding ligt tussen de bevoegdheid van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad. Deze begrenzing is uitgedrukt in bijvoorbeeld een maximale oppervlakte, inhoud, enz. Bij de toepassing van de bevoegdheid wordt niet standaard de maximale ruimte geboden, maar vindt maatwerk plaats waarbij de concrete situatie ter plekke, in relatie tot het verzoek, bepalend is.

6.2 Reconstructiebeleid

De regeling in dit bestemmingsplan is een directe vertaling van het reconstructiebeleid zoals dat door de provincie Overijssel is opgesteld.

Landbouwontwikkelingsgebied

In dit bestemmingsplan is geregeld dat in het landbouwontwikkelingsgebied bij recht intensieve veehouderijen zijn toegestaan.

Met een afwijkingsbevoegdheid kan onder voorwaarden een mestbe- en verwerkingsinstallatie worden toegestaan.

Met een wijzigingsbevoegdheid kan in het LOG het bouwvlak worden gewijzigd en/of vergroot tot een maximum oppervlak van 3 ha. Dit moet noodzakelijk zijn voor de doelmatige uitoefening van het agrarisch bedrijf. Daarnaast moet er sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing en erfinrichting, mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van in de omgeving aanwezige functies, waarden en belangen en moet de kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van de provincie Overijssel worden gebruikt om aan te tonen dat de uitbreiding van het agrarisch bedrijf in balans is met de investeringen in de omgevingskwaliteit.

In het LOG mag niet worden omgeschakeld van de agrarische bestemming naar een woonbestemming, tenzij de locatie niet geschikt is om te worden hergebruikt als intensieve veehouderij.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0022.jpg"

Reconstructiezonering in de gemeente Hof van Twente
Geel = landbouwontwikkelingsgebied. Bruin = verwevingsgebied. Groen = extensiveringsgebied

Verwevingsgebied

In het verwevingsgebied zijn intensieve veehouderijen bij recht uitsluitend op de bestaande intensieve veehouderijlocaties toegestaan. Met een afwijkingsbevoegdheid kan onder voorwaarden een mestbe- en verwerkingsinstallatie worden toegestaan.

Met een wijzigingsbevoegdheid kan in het verwevingsgebied het bouwvlak worden gewijzigd en/of vergroot tot een maximum oppervlak van 2 ha, waarbij maximaal 1,5 ha van het bouwvlak mag worden gebruikt voor intensieve veehouderij. Dit moet noodzakelijk zijn voor de doelmatige uitoefening van het agrarisch bedrijf. Daarnaast moet er sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing en erfinrichting, mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van in de omgeving aanwezige functies, waarden en belangen en moet de kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van de provincie Overijssel worden gebruikt om aan te tonen dat de uitbreiding van het agrarisch bedrijf in balans is met de investeringen in de omgevingskwaliteit.

Extensiveringsgebied

In het extensiveringsgebied zijn bij recht uitsluitend de bestaande intensieve veehouderijen toegestaan. Het gaat in totaal in het hele plangebied om 27 bedrijven. Per adres is een maximum bestaand bebouwd oppervlak voor bestaande intensieve veehouderijen in de regels opgenomen.

Via een afwijkingsbevoegdheid mag deze oppervlakte met maximaal 10% worden vergroot, mits dit noodzakelijk is in verband met dierenwelzijn en -gezondheid en mits het aantal dieren niet toeneemt.

6.3 Ontwikkelingsgericht beleid

Zoals in paragraaf 3.2 aangegeven heeft dit bestemmingsplan onder andere tot doel ontwikkelingen mogelijk te maken die bijdragen aan de ambities die de gemeente heeft. Deze ambities spelen op het gebied van wonen en leven, landbouw, overige bedrijvigheid, natuur, landschap en ruimtelijke kwaliteit, archeologie en verkeer. Initiatieven waarvan op voorhand duidelijk is dat zij geen schade kunnen berokkenen aan het woon- of leefmilieu, natuur of landschap worden bij recht toegestaan.

Voor initiatieven die een beoordeling vereisen om de instandhouding van bestaande waarden en belangen te kunnen garanderen en te kunnen sturen op de gemeentelijke ambities gelden de flexibiliteitsregels als beschreven in deze paragraaf. Op deze wijze worden burgers in dit bestemmingsplan uitgenodigd en gestimuleerd om het buitengebied mee te ontwikkelen, bijvoorbeeld door diverse soorten van nevenactiviteiten te ontplooien.

Onderstaand volgt een toelichting op enkele flexibiliteitsbepalingen die bestemmingsoverstijgend zijn, gevolgd door een toelichting op de bestemmingen in paragraaf 6.4.

6.3.1 Rood voor Rood

In het bestemmingsplan wordt uitgegaan van een 750 m3 voor Rood voor Rood-woningen met 150 m2 aan bijgebouwen. Voor de overige woningen geldt een standaard van 750 m3 voor woningen met 150 m2 aan bijgebouwen in de woonbestemming. Onder voorwaarden van sloop en verbetering van ruimtelijke kwaliteit is een nieuwe woning of grotere woning toegestaan. De inhoud van een nieuwe Rood voor Rood-woning heeft een inhoud van 750 m3. Door meer dan 1.000 m2 te slopen kan deze inhoud eventueel worden vergroot naar de standaard. Daarnaast kan onder voorwaarden van sloop en verbetering van ruimtelijke kwaliteit een grotere oppervlakte aan bijgebouwen tot maximaal 450 m2 worden toegestaan.


De gemeente houdt nadrukkelijk de regie. Door de sloop en landschappelijke inpassing wordt de ruimtelijke kwaliteit versterkt. Ten opzichte van de bestaande Rood voor Rood-regeling wordt de voorbereidingsprocedure sterk verkort en zijn de hoge (financiële) advieskosten verleden tijd.

Voordelen
- Uitsluitend inzet op sloop en ruimtelijke kwaliteit;
- Eénduidig simpel puntensysteem bij vergroten van de woning;
- Alleen advies over ruimtelijke kwaliteit;
- Korte procedure (bevoegdheid college, minder voorbereiding)  

In de maatvoering voor de bijgebouwen wordt aangesloten op de norm zoals opgenomen in dit bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente. De nieuwe woning krijgt een inhoud van maximaal 750 m3. De oppervlakte voor bijgebouwen is na het totstandkoming van de Rood voor Rood-regeling verhoogd van 75 m2 naar 150 m2. Om die reden is de minimale sloop voor het realiseren van een woning verhoogd van 850 m2 naar 1000 m2.


Als meer bebouwing wordt toegevoegd is de invloed op de omgeving groter. Er wordt gevraagd om te voldoen aan de eis van ruimtelijke kwaliteit als meer bebouwing wordt gebouwd. De in te dienen plannen voldoen aan het landschapsontwikkelingsplan en de welstandsnota. Op een erf is alleen streekeigen beplanting aanwezig. Daarbij wordt aangegeven hoe met bestaande beplanting wordt omgegaan en op welke wijze uitvoering aan het landschapsplan en beheerplan met een instandhoudingstermijn van tien jaar wordt gegeven.

Nieuwe woning

- Basisvolume: 750 m3, bijgebouw 150 m2;
- Sloop 1.000 m2;
- Landschappelijke inpassing van de sloop en bouwlocatie  

Variaties

- Grotere woning met inpandig bijgebouw;
- Grotere woning met apart bijgebouw;
- Vergroten van bestaande woning (met puntensysteem investeren in ruimtelijke kwaliteit)  


De volgende 7 sloopregelingen worden onderscheiden:

  • 1. De bouw van een nieuwe (extra) woning met inhoud van 750 m3 en bijgebouw tot maximaal 150 m2
    • a. sloop van 1.000 m2 bedrijfsbebouwing;
    • b. evenredige landschappelijke inpassing van de bouw- en slooplocatie(s);
    • c. schetsontwerp van de woning.
  • 2. De bouw van een nieuwe woning met een inhoud van maximaal 1000 m3 met inpandig bijgebouw;
    • a. sloop van 1.000 m2 bedrijfsbebouwing;
    • b. evenredige landschappelijke inpassing van de bouw- en slooplocatie(s);
    • c. schetsontwerp van de woning.
  • 3. Voor de bouw van een nieuwe woning met een inhoud van 1.000 m3 met een bijgebouw met een oppervlakte aan bijgebouwen van maximaal 150 m2
    • a. sloop van 1.500 m2 bedrijfsbebouwing;
    • b. evenredige landschappelijke inpassing van de bouw- en slooplocatie(s);
    • c. schetsontwerp van de woning.
  • 4. Voor de bouw van een nieuwe woning met een inhoud van 1.500 m3 met een bijgebouw met een oppervlakte aan bijgebouwen van maximaal 150 m2;
    • a. sloop van 2.000 m2 bedrijfsbebouwing.
    • b. evenredige landschappelijke inpassing van de bouw- en slooplocatie(s);
    • c. schetsontwerp van de woning.
  • 5. Voor het vergroten van de Rood voor Rood woning van 750 m3 tot maximaal 900 m3 met een bijgebouw van maximaal 150 m2;
    • a. sloop van 500 m2 bedrijfsbebouwing.
    • b. 5 punten realiseren in ruimtelijke kwaliteit.
  • 6. Voor het vergroten van de bestaande woning van 900 m3 tot maximaal 1.500 m3 met een bijgebouw van maximaal 150 m2;
    • a. sloop van 1.000 m2 bedrijfsbebouwing.
    • b. 5 punten realiseren in ruimtelijke kwaliteit.
  • 7. Voor het vergroten van de bestaande woning van 900 m3 tot maximaal 2.000 m3 met een bijgebouw van maximaal 150 m2;
    • a. sloop van 1.500 m2 bedrijfsbebouwing.
    • b. 10 punten realiseren in ruimtelijke kwaliteit.

Het aangepaste Rood voor Rood-beleid is als wijzigingsbevoegdheid op genomen in dit bestemmingplan.


Om gebruik te maken van de sloopregeling zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

  • a. de (agrarische) bedrijfsvoering op de deelnemende locaties zijn/worden beëindigd en waarbij de milieuvergunning wordt ingetrokken;
  • b. de deelnemende (voormalige) agrarische bedrijven en de nieuwe woning ligt in het verwevings- of extensiveringsgebied;
  • c. op de slooplocaties blijft maximaal 150 m2 gehandhaafd, bij een grotere oppervlakte is artikel 46.3 van het bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente van toepassing;
  • d. de sloop is afkomstig uit de gemeente Hof van Twente
  • e. het gehele complex met(voormalige)(agrarische) gebouwen (inclusief silo's, kelders en erfverharding en dergelijke) wordt gesloopt (minimaal 1000 m2) met uitzondering van de (bedrijfs)woning, karakteristieke bebouwing en/of bebouwing van cultuurhistorische waarden;
  • f. de nieuwe woning wordt op de slooplocatie of bij bestaande bebouwing gerealiseerd, zodat een cluster van bebouwing in een samenhangend ensemble ontstaat;
  • g. eerdere verplichtingen tot sloop of investeringen in ruimtelijke kwaliteit kunnen niet in de regeling worden ingebracht;
  • h. er wordt voorzien in een goede evenredige landschappelijke inpassing en erfinrichting door middel van een erfinrichtings- en/of beplantingsplan, bij het opstellen wordt een landschapsdeskundige geraadpleegd;
  • i. Er wordt een schetsplan van de nieuwe woning overlegd;
  • j. de minimale investering in ruimtelijke kwaliteit wordt vastgelegd aan de hand van een schetsplan van de bebouwing en erfinrichtings- en of beplantingsplan met een instandhoudingstermijn van 10 jaar;
  • k. geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van de belangen van eigenaren en/of gebruikers van omliggende gronden;
  • l. voor de uitvoerbaarheid van het bouwplan waarvoor de wijziging wordt toegepast, moet in elk geval worden aangetoond:
    a. dat de milieuhygiënische situatie van de bodem de ontwikkeling waarvoor de wijziging wordt toegepast niet belemmerd;
    b. dat geen onevenredige aantasting van aan de grond eigen zijnde archeologische waarden zal plaatsvinden.

6.3.2 Hergebruik vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen

Het hoofddoel van het beleid voor hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB-beleid) is sociaal-economisch: het draagt bij aan het realiseren van nieuwe economische dragers voor het landelijk gebied ofwel het benutten van de resterende economische waarde van vrijkomende agrarische bebouwing voor andere functies. Startende bedrijven worden gestimuleerd. Het buitengebied functioneert als streekgebonden werkgebied. De terugloop in de landbouw maakt het voor de leefbaarheid en de economische vitaliteit van het landelijk gebied noodzakelijk dat er andere functies gevestigd kunnen worden. Een bijkomende doelstelling is het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en een versterking van de gebiedskenmerken zoals de provincie deze heeft aangegeven in het provinciale beleid.

Het beleid geldt voor uitsluitend voor hergebruik van gebouwen die als agrarisch gebouw zijn opgericht met een agrarische bestemming en ook aantoonbaar minimaal drie jaar agrarisch in gebruik zijn (geweest), ook als die inmiddels een andere functie hebben. Het beleid is dus niet van toepassing op vrijkomende of vrijgekomen niet-agrarische bedrijfsbebouwing die nooit (eerder) in agrarisch gebruik is geweest. In het beleid voor hergebruik wordt bovendien onderscheid gemaakt tussen deelgebieden binnen de gemeente, die aansluiten bij de reconstructiezonering. In de extensiveringsgebieden en verwevingsgebieden is het VAB-beleid van toepassing, met de bijbehorende voorwaarden zoals die hieronder worden vermeld. In landbouwontwikkelingsgebieden wordt geen hergebruik voor niet-agrarische bedrijvigheid toegestaan, gezien de te behouden ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven.

Indien initiatiefnemers gebruik wensen te maken van de VAB regeling dient aan de toetsingscriteria in de regels te worden voldaan. Nieuwe functies moeten qua aard en omvang passen binnen de bestaande voormalige agrarische bedrijfsgebouwen en mogen geen beperkingen opleveren voor omliggende waarden en belangen, waaronder de ontwikkelingsmogelijkheden voor omliggende agrarische bedrijven. Gezien de prioriteit in landbouwontwikkelingsgebieden voor behoud van ontwikkelingsruimte voor agrarische bedrijven is het VAB beleid niet van toepassing in landbouwontwikkelingsgebieden. Ook mag de nieuwe activiteit geen hogere milieubelasting met zich meebrengen en geen grote verkeersaantrekkende werking hebben.

Het hergebruik dient plaats te vinden binnen bestaande bebouwing; gebouwen die niet (kunnen) worden hergebruikt dienen te worden gesloopt. Er bestaat geen recht op een extra (bedrijfs)woning, ook niet als de bedrijfswoning wordt vervreemd (verhuur/verkoop).

Het VAB beleid kan ook toegepast worden op gedeelten van gebouwen van een blijvend agrarisch bedrijf. Dit mag niet leiden tot een groter (totaal) bouwblok voor het agrarische en niet-agrarische deel van het bedrijf.

Om de haalbaarheid van een plan te kunnen toetsen is het noodzakelijk dat een bedrijfsplan en een inrichtingsplan wordt ingediend. Deze plannen moeten inzicht geven in de landschappelijke inpassing, sloop en/of behoud van bebouwing, vorm van hergebruik en de economische haalbaarheid. Door het bedrijfsplan en het inrichtingsplan wordt inzichtelijk gemaakt of de te ontwikkelen activiteit een duurzame versterking van de locatie en de omgeving in zich heeft.

In onderstaande paragrafen worden de regels voor hergebruik voor bedrijven en wonen nader toegelicht.

6.3.2.1 Hergebruik door bedrijvigheid

Om niet-agrarische bedrijvigheid als hoofdfunctie in verwevingsgebieden en extensiveringsgebieden mogelijk te maken is een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan opgenomen. Zo kan, onder voorwaarden, gebruik gemaakt worden van voormalige agrarische opstallen voor niet belastende vervolgfuncties. De voorwaarden hebben onder andere betrekking op behoud van karakteristiek van gebouwen, het niet belemmeren van omliggende functies, sloop van alle gebouwen die niet bedrijfsmatig worden hergebruikt, verkleining van het bouwperceel en landschappelijke inpassing.

De aard en omvang van de te ontwikkelen activiteit is indien het een hoofdfunctie betreft vooral afhankelijk van de locatie. Voor zover het hoofdfuncties betreft wordt de maximale omvang van de bedrijvigheid nog niet in het voorliggende bestemmingsplan vastgelegd omdat de acceptabele omvang afhankelijk is van de aard van de bedrijvigheid, de aard van de aanwezige bebouwing en de ligging van de betreffende locatie. Nadat een concreet verzoek is ingediend wordt beoordeeld welke omvang op de betreffende locatie gezien de kenmerken van de locatie en de omgeving acceptabel is. Deze maximale omvang wordt vastgelegd in het op te stellen wijzigingsplan. Tevens worden in het wijzigingsplan voorwaarden ten aanzien van de goot- en nokhoogte opgenomen zodat de agrarische uitstraling van de panden zoveel mogelijk gewaarborgd is en blijft. Tevens wordt in het wijzigingsplan expliciet vastgelegd dat het niet gaat om een reguliere bedrijfsbestemming, maar een bedrijfsbestemming door toepassing van het VAB-beleid.

Bij wijziging van de hoofdfunctie dienen alle gebouwen die niet worden hergebruikt te worden gesloopt. De inhoud van het nieuwe bedrijfsgebouw mag niet groter zijn dat het aantal gesloopte m3 met een maximum van 900 m3. In het wijzigingsplan worden tevens normen opgenomen voor de goot- en nokhoogte en de dakhelling. In de regel zullen de normen van de vigerende bestemming voor het betreffende perceel dan wel de maatvoering van de aanwezige bebouwing worden aangehouden.

Vaak zal een private overeenkomst als aanvulling noodzakelijk zijn om afspraken die gemaakt worden met betrekking tot de beeldkwaliteit, een landschappelijke bijdrage conform de gebiedskenmerken en te slopen opstallen vast te leggen. Ook wordt een kettingbeding opgenomen, zodat ook eventuele rechtsopvolgers zich aan de overeenkomst dienen te houden.

De regeling voor bedrijvigheid als nevenfunctie wordt besproken onder 6.3.3.

6.3.2.2 Hergebruik in de vorm van woningen

De mogelijkheid om de agrarische bestemmingen via een wijzigingsbevoegdheid om te zetten in een woonbestemming is reeds in de vigerende bestemmingsplannen opgenomen en blijft van kracht. In dit bestemmingsplan is tevens de mogelijkheid opgenomen om, na de wijziging van agrarisch bedrijf naar burgerwoning, de woning met de eventueel aanwezige inpandige bedrijfsruimte (de zogenaamde deel) te splitsen in meerdere wooneenheden. Hiertoe is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee een karakteristieke voormalige agrarische bedrijfswoning, indien het een inhoud heeft van minimaal 1.000 m3, kan worden gesplitst in twee wooneenheden van minimaal 400 m3 per wooneenheid. Vanaf een inhoud van 1.500 m3 is een splitsing in drie wooneenheden toegestaan. Na de splitsing is verdere vergroting of herbouw van individuele wooneenheden niet toegestaan.

Per gesplitste woning is 75 m2 aan bijgebouwen en/of carport toegestaan; wanneer het oppervlak aan bijgebouwen per woning meer dan 75 m2 bedraagt geldt een sloopverplichting voor het meerdere, tenzij het monumentale of karakteristieke bebouwing betreft. Voor situaties waarbij meer dan 75 m2 aan bijgebouwen blijft bestaan geldt dat vervangende nieuwbouw mogelijk is onder de voorwaarde dat de nieuwbouw een maximale omvang heeft van 75 m2 vermeerderd met 50% van de oppervlakte die boven de 75 m2 aanwezig was. In totaal mag de nieuwbouw niet groter zijn dan 150 m2. Voorts geldt als voorwaarde dat de nieuwbouw leidt tot een ruimtelijke verbetering van de situatie ter plekke.

In geval van bijzondere functies zoals woonzorgfuncties is de cultuurhistorische en karakteristieke waarde minder zwaarwegend, omdat het realiseren van zorgvoorzieningen binnen de gemeente een hoge prioriteit heeft. Daarbij moet worden aangetoond dat de beoogde functie bestaansrecht heeft en bedrijfsmatig verantwoord is. De kenmerken van een agrarisch erf moeten gehandhaafd blijven. Aangezien er bij deze bijzondere functies sprake is van maatwerk is deze mogelijkheid niet meegenomen in dit bestemmingsplan, maar dient een herzieningsprocedure van het bestemmingsplan te worden doorlopen.

6.3.3 Nevenactiviteiten

De bestaande nevenactiviteiten zijn opgenomen in een bijlage bij de regels. Het betreft bijvoorbeeld werkplaatsen en accommodaties voor verblijfsrecreatie. Er zijn geen extra bouwmogelijkheden voor de nevenactiviteiten geboden.

Kleinschalig kamperen

Kleinschalig kamperen mag als recreatieve nevenactiviteit alleen worden toegestaan bij agrarische bedrijven en bij burgerwoningen. De kampeermiddelen dienen op het agrarisch bouwvlak geplaatst te worden waarbij sprake mag zijn van maximaal 2 trekkershutten en een oppervlakte van maximaal 30 m2 per trekkershut.

Maximaal 25 kampeermiddelen in de periode 15 maart t/m 31 oktober zijn per agrarisch bedrijf toegestaan. Buiten deze periode mogen geen kampeermiddelen op het terrein aanwezig zijn. Permanente bewoning is nadrukkelijk niet toegestaan. Het sanitair ten behoeve van het kleinschalig kampeerterrein moet binnen bestaande bebouwing worden opgericht met een maximale oppervlakte van 75 m2. De landschappelijke inpassing van het terrein is van belang en dient plaats te vinden ter versterking van de waarden als benoemd in het Landschapsontwikkelingsplan. Het parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden. Ook mag er geen sprake zijn van onevenredige aantasting van belangen, functies en waarden in de omgeving. Tot slot dient een positieve bijdrage te worden geleverd aan het toeristisch profiel van de gemeente.

Bed & breakfast

Bed & breakfast-voorzieningen kunnen gerealiseerd worden binnen de bestaande burger- of bedrijfswoning. Er mag maximaal 50 m2 van de oppervlakte van de bestaande woning gebruikt worden voor deze voorziening, waarbij geldt dat er voor maximaal 4 personen slaapplekken aanwezig mogen zijn.

6.3.3.1 Aan huis verbonden beroep/bedrijf

Ondergeschikte functies bij (agrarische) bedrijfs- en burgerwoningen in het buitengebied zijn mogelijk. Deze kunnen in de vorm van aan huis verbonden beroepsactiviteiten plaatsvinden. Onder een aan huis verbonden beroepsactiviteit wordt het volgende verstaan: 'een (para)medisch, juridisch, administratief, therapeutisch, ontwerptechnisch, adviesgevend of daarmee gelijk te stellen dienstverlenend beroep, alsmede nevenactiviteiten in de vorm van kappers, autorijscholen, assurantiekantoren, verzekeringskantoren, schoonheidsspecialistes, hondentrimsalons, kindercrèches, pedicures en naar de aard daarmee qua uitstraling op het woonmilieu vergelijkbare activiteiten en met uitzondering van detailhandel, dat in de eigen woning en of bij de woning behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij ten hoogste 25% van het woonoppervlak wordt gebruikt met een maximum van 50 m2 en de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is'.

Aangezien deze activiteiten weinig ruimtelijke impact hebben en de uitstraling klein is wordt een aan huis verbonden beroep, zoals hierboven omschreven, bij recht toegestaan.

6.3.4 Paardenbakken

De wens voor het oprichten van paardenbakken wordt steeds groter. Echter, paardenbakken leiden in de regel tot een schaalverkleining van het landschap. Deze schaalverkleining hangt veelal samen met het hekwerk dat rondom de bak wordt geplaatst en met de, in verhouding tot de akker- of weilandpercelen, kleine oppervlakte van dit type grondgebruik. Tevens draagt het recreatieve/hobbymatige karakter bij aan een (subjectieve) beleving dat het landschap onder druk van stedelijke invloeden staat. Dit wordt gezien als verrommeling van het landschap.

Om verrommeling tegen te gaan is de locatiekeuze van een paardenbak van groot belang. Met name de aard en uitstraling van de activiteiten leiden ertoe dat een koppeling aan het (huis)perceel en aan bestaande bebouwing van groot belang is. Een bijzonder aandachtspunt voor de locatiekeuze is dat het zicht op het vrije veld niet belemmerd mag worden door (teveel) langs de weg gelegen paardenbakken. Bij bouwvlakken/bestemmingsvlakken die aan de weg zijn gelegen geldt daarom in het algemeen dat de paardenbakken achter de bestaande bebouwing dienen te worden gerealiseerd. In uitzonderingsgevallen is niet zozeer het zicht loodrecht op de weg, maar evenwijdig aan de weg het meest bepalend voor de beleving van het agrarische landschap. In die gevallen verdient niet een plaatsing achter, maar naast de bestaande bebouwing de voorkeur.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0023.jpg"

achter bouwvlak

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0024.jpg"

naast bouwvlak

Een landschappelijke inpassing in de vorm van hoogopgaande erfbeplanting is in zijn algemeenheid af te raden. Het landschappelijke effect van een paardenbak is niet te vergelijken met het effect van bebouwing. De extra beplanting zal de toename van de activiteiten eerder accentueren of uitvergroten dan verhullen. Wel is eventueel de inpassing door heggen of hagen mogelijk. Het Landschapsontwikkelingsplan van de gemeente wordt bij de toetsing van een aanvraag voor een paardenbak betrokken om tot een gedegen afweging en mogelijke situering van paardenbakken te komen. Daarnaast geldt dat voor het plaatsen van hekwerken met een maximale hoogte van 1,5 m rondom een paardenbak een bouwvergunning vereist is. Daarbij wordt ook getoetst hoe de landschappelijke inpassing is gewaarborgd.

Om paardenbakken wel mogelijk te maken is een mogelijkheid tot afwijking opgenomen. Paardenbakken worden mogelijk gemaakt op óf direct aansluitend aan agrarische bouwvlakken en bestemmingsvlakken waar een woning op aanwezig mag zijn (volgens de regels). De maximale oppervlakte van de paardenbak bedraagt 1.200 m2 op een agrarisch bouwvlak en 800 m2 op of bij een woonperceel. Er mogen geen lichtmasten bij de paardenbak worden opgericht.

6.3.5 Evenementen

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening bestaat de mogelijkheid om buitenplans af te wijken van het gebruik van gronden of bouwwerken ten behoeve van evenementen met een maximum van drie per jaar en een duur van ten hoogste vijftien dagen per evenement, inclusief het opbouwen en afbreken van het evenement, In de regels van dit bestemmingsplan is deze mogelijkheid bij recht opgenomen binnen de bestemmingen 'Agrarisch', 'Agrarisch met waarden', 'Bos', 'Buitenplaats', 'Recreatie', 'Sport' en 'Verkeer'.

Voor langdurige evenementen is een algemene bepaling opgenomen om hiervan af te wijken. Op deze manier zijn evenementen juridisch geregeld en ontstaat er geen strijd met het bestemmingsplan.

6.4 Toelichting op de bestemmingen

In onderstaande paragrafen zijn de toegekende bestemmingen nader toegelicht. Hierbij is rekening gehouden met het verwoorde provinciale, regionale en gemeentelijke beleid.

6.4.1 Agrarische bestemmingen

Binnen de gemeente Hof van Twente is het agrarisch gebied in de vigerende bestemmingsplannen onderverdeeld in verschillende 'soorten' agrarisch gebied. Dit onderscheid houdt verband met de voorkomende landschaps- en natuurwaarden in de verschillende gebieden.

De toekenning van de gebiedsbestemming heeft plaatsgevonden aan de hand van de landschapsanalyse, de veldinventarisatie, de luchtfoto's, de begrenzingen in de omgevingsvisie Overijssel en de voorgaande bestemmingsplannen. Daarbij heeft afstemming plaatsgevonden met de gebiedsindeling van het Landschapsontwikkelingsplan.

De voorkomende waarden hebben betrekking op landschappelijke, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden als vastgelegd in de kaderstellende stukken. Een nieuwe indeling wordt mede gebaseerd op een vereenvoudiging in regelgeving ten aanzien van het omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden. Hierdoor komen verschillen te vervallen en is het aantal gebiedsbestemmingen teruggebracht tot twee.

De gebiedsbestemmingen betreffen:

  • 'Agrarisch';
  • 'Agrarisch met waarden', waarbij voorkomende waarden met een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden worden beschermd, te weten: openheid, beslotenheid, hoogteverschillen, rustige omstandigheden, waterhuishouding en natuur. De waarde 'openheid' is hierbij apart aangeduid.

De gebiedsbestemming 'Agrarisch met waarden' is gelegen in de open en reliëfrijke delen van het essenlandschap, het kleinschalige en onregelmatige patroon van singels, houtwallen, zandpaden en bosjes rond de omsloten kampen in het kampenlandschap, de uitgestrekte langwerpige velden met zichtbare ontginningsgrenzen in het veldontginningslandschap en de openheid en grootschaligheid in het broekontginningslandschap.

De overige agrarische gronden in het plangebied hebben de gebiedsbestemming 'Agrarisch' toegekend gekregen.

6.4.1.1 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden

De aanwezige waarden in het agrarisch gebied worden beschermd door middel van een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, waarin is opgenomen dat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning diverse andere-werken en werkzaamheden uit te voeren. Hiermee worden bijzondere waarden beschermd, zoals openheid, beslotenheid, hoogteverschillen, rustige omstandigheden, de waterhuishouding en de natuur.

6.4.1.2 Wel of geen agrarische bestemming?

De agrarische sector is aan schaalvergroting onderhevig. Enerzijds groeien veel bedrijven en anderzijds stoppen veel agrariërs hun bedrijfsvoering. Enkelen van hen houden een deel van de agrarische activiteiten aan.

Alle functionerende agrarische bedrijven krijgen een agrarisch bouwvlak op maat toegekend. Het uitgangspunt is dat de vigerende bouwvlakken ten aanzien van agrarische bedrijven worden aangehouden, tenzij expliciet is aangetoond dat het feitelijk gebruik is gewijzigd. Dit kan blijken doordat:

  • de bestemming op een betreffende locatie is gewijzigd middels een wijzigingsplan of bestemmingsplanherziening;
  • de milieuvergunning voor de agrarische bedrijfsactiviteiten is/wordt ingetrokken;
  • de eigenaar verzoekt de bestemming te herzien in wonen, met uitzondering van percelen die gelegen zijn in de landbouwontwikkelingsgebieden en waarvan een omzetting ruimtelijk en milieutechnisch mogelijk is;
  • er feitelijk een ander gebruik plaatsvindt, dat positief bestemd kan worden (bijvoorbeeld dat er op een locatie wordt gewoond en dat hierdoor geen omliggende bedrijven worden gehinderd in de bedrijfsvoering).

In het buitengebied doen zich ook steeds vaker situaties voor waar wonen de hoofdfunctie vormt en agrarische activiteiten een hobbymatige activiteit zijn.

Om na te gaan of een bedrijf een reële omvang heeft voor de toekenning van een agrarisch bouwvlak kan gewerkt worden met de Nederlandse grootte-eenheid (nge) zoals aangegeven door het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek). Het aantal nge dat op een bedrijf aanwezig is kan aan de hand van het aantal en soort dieren of de te verbouwen oppervlakte gewas worden bepaald. De Nederlandse grootte-eenheid is een maat om de economische omvang van verschillende typen boerenbedrijven met elkaar te kunnen vergelijken. Daarbij wordt onder andere gekeken naar de hoeveelheid grond en naar het gebruik dat de boer van de grond maakt. Volgens de definitie van het CBS heeft een volwaardig bedrijf een omvang van 70 nge. Kleinere bedrijven kunnen echter doorgroeien of opvolging hebben.

In het belang van de agrarische sector is in Hof van Twente besloten de bestemming 'Agrarisch' zo lang mogelijk toe te kennen.

Bij een omvang groter of gelijk aan 10 nge wordt een agrarische onderneming als 'bedrijfsmatig' gezien en wordt een agrarisch bouwvlak toegekend. Boven de 10 nge is er doorgaans sprake van de aanwezigheid van, en behoefte aan, een substantiële hoeveelheid opstallen, wat een eigen bestemming vereist en rechtvaardigt. Uitgangspunt bij de nge-telling in dit bestemmingsplan is het bedrijfsmatig houden van dieren. Bij een omvang kleiner dan 10 nge, is er feitelijk geen sprake meer van agrarische activiteiten en is een woonbestemming toegekend. Dit geldt niet in de landbouwontwikkelingsgebieden, waar de agrarische bestemmingen zo veel mogelijk behouden blijven.

Overigens is in 2010 een nieuwe rekeneenheid in gebruik genomen voor de bedrijfsomvang en het bedrijfstype: de Standaardopbrengst (SO). Aangezien alle beschikbare informatie voor dit bestemmingsplan in nge's is weergegeven, is van deze rekeneenheid gebruik gemaakt.

6.4.1.3 Bouwvlak

De vorm en ligging van het toe te kennen bouwvlak vormen individueel maatwerk. De bedrijfsgebouwen en overige bouwwerken dienen in principe binnen het bouwvlak te worden opgericht. Aan de hand van de huidige situering van de kavel (bestaande rechten uit de vigerende bestemmingsplannen) met de daarin gelegen bedrijfsgebouwen en verhardingen (op basis van de luchtfoto's) én rekening houdend met de bestaande waarden en functies in de omgeving, kan de grens van de nieuwe bouwvlakken worden bepaald. Uitgangspunt voor de omvang van het toe te kennen bouwvlak is het vigerende bouwvlak met daarbij een zekere uitbreidingsruimte voor de komende planperiode daar waar een bouwvlak al volledig benut is.

Er wordt een bouwvlak op maat toegekend, op basis van de huidige kavel, het huidig gebruik en bedrijfsontwikkeling, tot een bovengrens van 1,5 ha voor grondgebonden agrarische bedrijven. Voor het bouwvlak van intensieve veehouderijen geldt het Reconstructiebeleid:

  • in landbouwontwikkelingsgebieden 2 ha of de werkelijke grootte, met een wijzigingsbevoegdheid voor uitbreiding tot 3 ha;
  • in verwevingsgebieden 1 ha of de werkelijke grootte;
  • in extensiveringsgebieden de bestaande oppervlakte aan bedrijfsgebouwen.
6.4.1.4 Toegestane activiteiten bij recht

Binnen de agrarische bouwvlakken zijn de volgende agrarische activiteiten bij recht toegestaan:

  • grondgebonden landbouw (akkerbouw, paardenfokkerij/-houderij, melkveehouderij/rundveehouderij, tuinbouw, boomkwekerij);
  • niet-grondgebonden landbouw (intensieve veehouderij):
    - in extensiveringsgebied en verwevingsgebied waar bestaand;
    - in landbouwontwikkelingsgebied op alle agrarische bouwvlakken;
  • glastuinbouwbedrijven daar waar bestaand en aangeduid.

De aanleg van boomkwekerijen is niet toegestaan in gebieden met waarde openheid.

Bij de uitoefening van (glas)tuinbouw, fruit- en boomteelt geldt dat een afstand van 50 meter aangehouden moet worden tot gevoelige functies in verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Deze afstandseis is gebaseerd op jurisprudentie.

6.4.1.5 Bouwwerken op het bouwvlak

Op het agrarisch bouwvlak zijn de volgende bouwwerken toegestaan, die in principe binnen het agrarisch bouwvlak dienen te worden opgericht:

  • de agrarische bedrijfsgebouwen (maximale goothoogte 5 m, maximale bouwhoogte 12 m);
  • het bestaande aantal vergunde bedrijfswoningen;
  • de bijgebouwen bij de bedrijfswoning (vrijstaand of gekoppeld met een ondergeschikt tussenlid behorend bij de bedrijfswoning);
  • overige bouwwerken waaronder:
    - mestsilo's, hooibergen, voedersilo's (maximale bouwhoogte 15 m);
    - sleufsilo's en kuilvoerplaten (maximale bouwhoogte 6 m);
    - overige bouwwerken (maximale bouwhoogte 2 m);
    - caravanstalling (maximaal 500 m2 en alleen toegestaan in bestaande bebouwing).

Buiten het bouwvlak zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Dit is met name bedoeld voor terreinafscheidingen en veekeringen.

6.4.1.6 Eerste bedrijfswoning

Vrijwel alle agrarische bedrijven hebben reeds de beschikking over een bedrijfswoning. De maximale inhoudsmaat voor een bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf is in de vigerende bestemmingsplannen vastgelegd op 750 m3. Deze maat wordt in dit bestemmingsplan vergroot naar 900 m3. Daarnaast geldt voor woningen die reeds groter zijn dat de bestaande grotere inhoudsmaten gerespecteerd blijven.

6.4.1.7 Tweede bedrijfswoning

Een tweede bedrijfswoning wordt via een afwijkingsbevoegheid mogelijk gemaakt, conform het aangepaste beleid van de provincie. Hierbij moet wel aan de voorwaarde worden voldaan dat de arbeidsbehoefte van het bedrijf ten minste 2 volwaardige arbeidskrachten bedraagt (dit komt overeen met een bedrijfsomvang van meer dan 120 nge). Daarnaast dient de tweede bedrijfswoning in de directe nabijheid van de eerste bedrijfswoning te worden gebouwd, mits overige bebouwing en aanwezige beplanting dat toelaat.

Bij bedrijven waar in het verleden reeds een tweede bedrijfswoning aanwezig was, maar waar deze is afgesplitst van het bedrijf (en een burgerwoning is geworden), bestaat geen mogelijkheid voor de oprichting van een tweede bedrijfswoning.

De hieronder genoemde criteria worden gehanteerd voor het oprichten van een 2e bedrijfswoning:

  • 1. een tweede bedrijfswoning nodig is in verband met:
    • a. constant toezicht en verzorging van het vee;
    • b. toezicht en onderhoud ter preventie van calamiteiten;
    • c. onregelmatige werktijden, bereikbaarheid en organisatorische efficiency;
  • 2. de omvang van het bedrijf zodanig is dat sprake is van een volwaardig tweepersoonsbedrijf (wat overeenkomt met een bedrijfsomvang van tenminste 120 nge), waarvan sprake is als het volledige werkgelegenheid en (binnen afzienbare tijd) een aanvaardbaar inkomen biedt aan tenminste twee arbeidskrachten of aannemelijk moet zijn gemaakt dat het bedrijf de komende tien jaar als volwaardig tweepersoonsbedrijf blijft bestaan, waarbij wordt gekeken naar de bedrijfsopzet, het uitgezette pad voor bedrijfsovername, de gebouwen en stalcapaciteit, productierechten en leeftijd, opleiding en ervaring van beide arbeidskrachten; wat dient te blijken uit een ondernemersplan dat is opgesteld door een agrarische adviesinstantie;
  • 3. de afstand van de bedrijfswoning tot één van de bedrijfsgebouwen niet groter is dan 25 meter;
  • 4. door de bedrijfswoning voor de naastgelegen bedrijven milieutechnisch geen belemmering voor hun ontwikkeling ontstaat;
  • 5. er slechts één bestaande en legale bedrijfswoning aanwezig is;
  • 6. er nog geen tweede bedrijfswoning bij het bedrijf is gebouwd, die vervolgens is afgezonderd;
  • 7. er wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing en erfinrichting door middel van een beplantingsplan waartoe een landschapsdeskundige wordt geraadpleegd.

6.4.1.8 Uitbreiding van een grondgebonden agrarisch bedrijf of intensieve veehouderij

Grondgebonden agrarisch bedrijf

Grondgebonden agrarische bedrijven spelen een belangrijke rol bij het beheer en de instandhouding van het landelijk gebied. Daarom wordt aan deze bedrijven ruimte geboden om zich te kunnen blijven ontwikkelen. Het provinciaal beleid geeft geen maximale oppervlaktematen aan, zodat de gemeente hier zelf invulling aan kan geven. Onder voorwaarden wordt een uitbreiding toegestaan van maximaal 0,5 ha ten opzichte van het bij recht toe te kennen oppervlak van maximaal 1,5 ha. Indien een bouwvlak ontstaat dat groter is dan 1,5 ha, moet uit een onderbouwing conform de systematiek van de kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van de provincie Overijssel worden aangetoond dat de uitbreiding van het agrarisch bedrijf in balans is met de investeringen in de omgevingskwaliteit.

Intensieve veehouderij

In landbouwontwikkelingsgebieden wordt ruimte geboden voor uitbreiding van agrarische bouwvlakken van intensieve veehouderijen. Grootschalige uitbreidingen, tot een bouwvlak van maximaal 3 ha, zijn alleen mogelijk als is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en landschappelijk kapitaal voldoende wordt gecompenseerd door te investeren in ruimtelijke kwaliteit.

In verwevingsgebieden geldt dat op locaties waar nu geen intensieve veehouderij aanwezig is, deze ook niet ontwikkeld kan worden.

Op locaties waar nu wel een intensieve veehouderij aanwezig is kan een uitbreiding plaatsvinden tot maximaal 1,5 ha. Er kan ook een groter bouwvlak worden toegekend indien sprake is van een gemengd bedrijf of een niet-agrarische bedrijfstak (bv een bio-energie-installatie). Voorwaarde is dat voorkomen wordt dat de productieruimte van de intensieve veehouderijtak de 1,5 ha overschrijdt. Het toekennen van sterlocaties is mogelijk op grond van het provinciale beleid, maar wordt, als dit aan de orde is en mogelijk is, middels een partiële herziening geregeld en niet in komend bestemmingsplan.

In extensiveringsgebieden bestaan geen mogelijkheden voor uitbreiding van een intensieve veehouderij(tak). Daarom wordt ook de bestaande omvang vastgelegd.

Er is een afwijkingsbevoegdheid van de bouwregels opgenomen voor het overschrijden van de bouwgrenzen aan maximaal twee zijden, mits:

  • de bouwgrens per zijde met maximaal 25 m wordt overschreden;
  • de overschrijding noodzakelijk is in verband met een doelmatige uitoefening van het bedrijf;
  • de oppervlakte van het fictieve bouwvlak voor grondgebonden agrarische bedrijven dat ontstaat niet groter wordt dan 2 ha (3 ha in het LOG);
  • de oppervlakte van het fictieve bouwvlak voor intensieve veehouderijen niet groter wordt dan 1,5 ha (3 ha in het LOG);
  • geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;

Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het vergroten of wijzigen van het agrarisch bouwvlak in het extensiveringsgebied en het verwevingsgebied ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijven, mits:

  • dit noodzakelijk is voor een doelmatige uitoefening van het agrarisch bedrijf;
  • het bouwvlak hierdoor geen groter aaneengesloten oppervlak krijgt dan 2 ha;
  • er wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing en erfinrichting door middel van een erfinrichtings- en/of beplantingsplan waartoe een landschapsdeskundige wordt geraadpleegd;
  • geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;

Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het vergroten of wijzigen van het agrarisch bouwvlak in landbouwontwikkelingsgebied, mits:

  • dit noodzakelijk is voor een doelmatige uitoefening van het agrarisch bedrijf;
  • het bouwvlak hierdoor geen groter aaneengesloten oppervlak krijgt dan 3 ha;
  • er wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing en erfinrichting door middel van een erfinrichtings- en/of beplantingsplan waartoe een landschapsdeskundige wordt geraadpleegd;
  • geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;

Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het vergroten of wijzigen van het agrarisch bouwvlak ten behoeve van intensieve veehouderij in verwevingsgebied, mits:

  • dit noodzakelijk is voor een doelmatige uitoefening van het agrarisch bedrijf;
  • het bouwvlak hierdoor geen groter aaneengesloten oppervlak krijgt dan 2 ha, waarbij de oppervlakte ten behoeve van de intensieve veehouderijtak niet groter wordt dan 1,5 ha. Daarbij dient aangegeven te worden welk deel van het bouwvlak niet voor de intensieve veehouderijtak gebruikt wordt;
  • er wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing en erfinrichting door middel van een erfinrichtings- en/of beplantingsplan waartoe een landschapsdeskundige wordt geraadpleegd;
  • geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;

Met voorgaande regelingen dient conform de systematiek van de kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van de provincie Overijssel voldoende te worden aangetoond dat de uitbreiding van het agrarisch bedrijf in balans is met de investeringen in de omgevingskwaliteit.

6.4.1.9 Omschakeling

Omschakeling naar een grondgebonden agrarisch bedrijf

Omschakeling naar een grondgebonden bedrijf wordt bij recht overal toegestaan binnen een bestaand agrarisch bouwvlak. Bij grondgebonden agrarische bedrijven gaat het om activiteiten die zorg dragen voor het onderhoud en beheer van het omringende landschap. Deze functie kan daarom overal worden toegestaan.

Omschakeling naar een intensieve veehouderij

Omschakeling naar intensieve veehouderij wordt, op grond van het provinciaal beleid, bij recht toegestaan op bestaande agrarische bouwvlakken in de landbouwontwikkelingsgebieden. Het hervestigen en/of oprichten van een intensieve veehouderij wordt door de gemeente passend geacht in de landbouwontwikkelingsgebieden op bestaande agrarische bouwvlakken Het gaat echter om functies waarvan de ruimtelijke impact en milieu-impact groot is. Een goede afweging om een nieuwe intensieve veehouderij toe te staan is dan ook noodzakelijk en daarom niet in dit bestemmingsplan opgenomen. Indien blijkt dat op grond van het initiatief en de belangenafweging medewerking kan worden verleend, kan dit met een aparte planologische procedure worden geregeld.

Nieuwvestiging van bedrijven draagt bij aan een verdere verstening van het landelijk gebied. Gelet op de alternatieven die aanwezig zijn in de vorm van hergebruik van vrijkomende agrarische bouwblokken is er dan ook niet direct noodzaak om nieuwvestiging op nieuw toe te kennen agrarische bouwvlakken toe te staan. Aan nieuwvestiging wordt daarom in principe geen medewerking verleend. Indien er een bedrijf is waar het gaat om verplaatsing in verband met het realiseren van grote publieke belangen of indien verplaatsing verband houdt met het ontbreken van milieuruimte waardoor de ontwikkeling van een bedrijf op slot zit kan, na toetsing en belangenafweging, een aparte planologische procedure gevolgd worden.

6.4.1.10 Teeltondersteunende voorzieningen

Teeltondersteunende voorzieningen zijn voorzieningen die de teelt van groente, fruit, bomen of potplanten bevorderen en beschermen. Te denken valt aan tunnel- en boogkassen, containerteelt, schaduwhallen, hagelnetten, stellingen en regenkappen.

De aanvaardbaarheid is mede afhankelijk van aard en verschijningsvorm in relatie tot de kwaliteit van het gebied. De volgende ruimtelijke afwegingen spelen een rol:

  • grondgebonden - niet-grondgebonden;
  • langdurig (langer dan 3 maanden) - tijdelijk;
  • laag (maximaal 1,5 m) - hoog;
  • open - dicht;
  • situering binnen of buiten bouwvlakken;
  • oppervlakte.

Teeltondersteunende voorzieningen buiten de bouwkavel worden in dit bestemmingsplan expliciet uitgesloten in verband met het behoud van de waarden die voorkomen in het landschap.

6.4.1.11 Mestvergisting

Mestvergisting(sbedrijven) worden met een afwijking van gebruiks- en/of bouwregels toegestaan op agrarische bouwpercelen in verwevingsgebied of landbouwontwikkelingsgebied, waarbij de maximale hoeveelheid te verwerken mest bepaald is op 15.000 m3 per jaar.

Installaties met een grotere omvang zijn alleen mogelijk bij grotere clusters van intensieve veehouderijen of op bedrijventerreinen.

6.4.1.12 Paardenbakken

Paardenbakken worden met een afwijking van gebruiks- en/of bouwregels mogelijk gemaakt op agrarische bouwvlakken en op/direct aansluitend aan een bestemmingsvlak waar een woning op aanwezig mag zijn. Voor de toetsing gelden de volgende voorwaarden:

  • de oppervlakte bedraagt maximaal 1.200 m2 op een agrarisch bouwvlak;
  • de oppervlakte bedraagt maximaal 800 m2 op een bestemmingsvlak met de bestemming Wonen of direct aansluitend aan een bestemmingsvlak Wonen;
  • terreinafscheidingen mogen maximaal 1,5 m hoog zijn;
  • de paardenbak dient op een landschappelijk verantwoorde manier te worden ingepast;
  • er mogen geen lichtmasten worden opgericht.

De omschakeling naar een manege is niet toegestaan.

6.4.2 Bedrijf

Alle bestaande legale niet-agrarische bedrijven krijgen een passende (bedrijfs)bestemming, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen agrarisch hulpbedrijf en overige bedrijvigheid (in lijst specifiek genoemd, inclusief functies met detailhandel waarvan het specifieke gebruik is benoemd). De aard van de activiteit en de maximaal toegestane oppervlakte van de bebouwing zijn vastgelegd.

Wijziging van bedrijfsactiviteiten

Er is een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels opgenomen voor het veranderen van de bedrijfsactiviteiten. Hieraan zijn de volgende voorwaarden verbonden:

  • de nieuwe activiteit is opgenomen in de categorieën 1 of 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten dan wel het betreft een bedrijf dat voor wat betreft de aard en omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt gelijk kan worden gesteld met een bedrijf zoals genoemd in de categorieën 1 of 2;
  • de nieuwe activiteit mag niet leiden tot een vergroting van de verkeersaantrekkende werking;
  • het perceel dient voorzien te zijn van een streekeigen landschappelijke inpassing;
  • overtollige bebouwing wordt gesloopt.
6.4.3 Bedrijf - Vab

De bestemming 'Bedrijf - Vab' heeft betrekking op locaties waar in het verleden met de VAB-regeling nieuwe activiteiten zijn toegestaan op het gebied van niet-agrarische bedrijvigheid, cultuur en ontspanning, horeca, kantoor of maatschappelijk. De aard van de activiteit en de maximaal toegestane oppervlakte van de bebouwing worden vastgelegd in bijlage 4b bij de regels.

Aangezien de bedrijvigheid op grond van de VAB-regeling mogelijk zijn geworden geldt dat geen uitbreiding in oppervlakte en/of hoogte van de bebouwing wordt toegestaan. Ook vervangende nieuwbouw is niet toegestaan.

Wijziging van bedrijfsactiviteiten

Er is een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels opgenomen voor het veranderen van de bedrijfsactiviteiten. Hieraan zijn de volgende voorwaarden verbonden:

  • de nieuwe activiteit is opgenomen in de categorieën 1 of 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten dan wel het betreft een bedrijf dat voor wat betreft de aard en omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt gelijk kan worden gesteld met een bedrijf zoals genoemd in de categorieën 1 of 2;
  • de nieuwe activiteit mag niet leiden tot een vergroting van de verkeersaantrekkende werking;
  • het perceel dient voorzien te zijn van een streekeigen landschappelijke inpassing;
  • overtollige bebouwing wordt gesloopt.
6.4.4 Bedrijf - Zandwinning

Het zandwinningbedrijf De Domelaar bij Markelo is bestemd als 'Bedrijf - Zandwinning'. De bebouwing rondom de plas wordt bestemd ten gunste van de bedrijfsvoering bij de zandwinplas Domelaar II. Binnen deze bestemming zijn daarnaast bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan tot een maximale bouwhoogte van 2,5 m. Na realisatie van De Domelaar II kan de bestemming worden gewijzigd naar 'Natuur', ten behoeve van natuurontwikkeling en extensieve dagrecreatie. De zandwinplas Domelaar I wordt nu reeds bestemd tot water en natuur.

6.4.5 Bos

Buiten de EHS en Natura 2000-gebieden zijn bosgronden bestemd als 'Bos'. Deze gronden zijn bedoeld voor bos en houtopstanden en zijn tevens bestemd voor multifunctionele bosbouw, het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van algemene natuur- en landschapswaarden, voor water en voorzieningen voor de waterhuishouding en voor recreatief medegebruik.

De bestaande bosgebieden worden op basis van de vigerende bestemmingsplannen én het feitelijk gebruik (op basis van luchtfoto's) aangegeven op de verbeelding. In de grotere bosgebieden komen sporadisch open plekken voor welke onderdeel uitmaken van het bos als geheel en daarom ook zo zijn bestemd.

Indien houtopstanden kleiner zijn dan 10 are worden ze als landschapselement gezien en geregeld binnen de bestemming (bijvoorbeeld 'Agrarisch met waarden') waarin ze zijn gelegen.

Onder multifunctionele bosbouw wordt verstaan: ”Het geheel van bedrijfsmatig handelen en activiteiten gericht op de duurzame instandhouding en ontwikkeling van bestaande en nieuwe bossen ten behoeve van natuur, houtproductie, landschap milieu of recreatie”.

Het duurzame gebruik van de gronden als bos is daarbij een belangrijke eigenschap van multifunctionele bosbouw. Het perceelsgewijs kappen door bedrijven geregistreerd bij het bosschap is toegestaan maar mag geen blijvende schade toebrengen aan de omgevingskwaliteit (veelal kleinschaligheid van het landschap).

Ten aanzien van het natuurbeheer geldt dat voor werken geen gebouw zijnde of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen geen omgevingsvergunning vereist is. Werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer van bos en natuur betreffen zijn bij recht toegestaan aangezien deze maatregelen bijdragen aan de instandhouding van het bestemde gebruik. De aanwezige houtopstanden worden verder beschermd vanuit de bomenverordening. Deze verwijst voor de landschappelijke afweging onder meer terug naar het behoud van het kleinschalig landschap. Bestemmingsplan en bomenverordening dienen dan ook in samenhang te worden gebruikt.

Algemeen geldt dat de productie van coniferen of andere siergewassen als boomkwekerij geldt, en niet tot bosbouw gerekend wordt.

De bestaande bosgebieden worden op basis van de vigerende bestemmingsplannen én op basis van de luchtfoto's aangegeven op de verbeelding (voor bos geldt een maat van 10 are of groter). De gronden binnen deze bestemming zijn bedoeld voor bos en houtopstanden, het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van algemene natuur- en landschapswaarden en voor water en voorzieningen voor de waterhuishouding. Daarbij is het mogelijk dat binnen de grotere bosgebieden sporadisch open plekken voorkomen welke onderdeel uitmaken van het bos als geheel.

Indien houtopstanden kleiner zijn dan 10 are worden ze als landschapselement gezien en zijn beschermd binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden' waarin ze zijn gelegen.

6.4.6 Buitenplaats

De buitenplaatsen van de landgoederen Twickel, Weldam, Nijenhuis, Westerflier, Warmelo, Huize Diepenheim en Backenhagen hebben ieder een eigen bestemming op maat gekregen waarbij de bestaande functies zijn gerespecteerd. Binnen de bestemming staat de instandhouding van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van de historische buitenplaats voorop. Ook mag er binnen de bestemming gewoond worden en kunnen ondergeschikte horeca-, maatschappelijke, recreatieve en educatieve activiteiten plaatsvinden, zoals wandelen en fietsen en onderwijsmogelijkheden. Er zijn specifieke aanduidingen opgenomen voor de overig toegestane functies. Middels een afwijkingsbevoegdheid kan de bebouwing worden herbouwd of verbouwd, mits dit de karakteristieke waarde van de bebouwing niet aantast en er geen uitbreiding van de bebouwing met meer dan 10% plaatsvindt.

6.4.7 Cultuur en ontspanning

Binnen Hof van Twente zijn vier locaties bestemd voor 'Cultuur en ontspanning'. Het gaat om twee watermolens en een museumboerderij..

6.4.8 Dienstverlening

Binnen het plangebied heeft één adres de bestemming 'Dienstverlening' gekregen, namelijk het congrescentrum aan de Diependaalseweg 8 in Markelo.

6.4.9 Horeca

Binnen het plangebied zijn 18 horecagelegenheden bestemd. Het gaat om bedrijven waar hoofdzakelijk dranken en/of etenswaren worden verstrekt. Horecabedrijven zijn in die zin anders dan reguliere bedrijven, dat er meer verkeersaantrekkende werking is en ze daarmee een andere ruimtelijke impact hebben.

6.4.10 Maatschappelijk

Diverse verenigingsgebouwen, scholen, religieuze instellingen of daarmee min of meer gelijk te stellen gebouwen zijn in deze bestemming ondergebracht. Voor alle maatschappelijke voorzieningen is per bestemmingsvlak in bijlage 4 (in de kolom “oppervlakte bebouwing in m2 exclusief bedrijfswoning mogelijk bij recht”) aangegeven wat de omvang van de bedrijfsbebouwing mag zijn.

6.4.11 Maatschappelijk - Defensiedepot

Binnen het plangebied is het depot Markelo van de Defensie Pijpleiding Organisatie gelegen. Rondom het object zijn uit het oogpunt van veiligheid een tweetal belemmeringszones geprojecteerd. Binnen een zone van 200 meter mogen geen nieuwe woningen worden gerealiseerd. Binnen een zone van 100 meter mag helemaal geen bebouwing worden gerealiseerd. Beide zones zijn opgenomen in het bestemmingsplan.

6.4.12 Maatschappelijk - Defensie tls

Binnen het plangebied is een zogenoemd Truck Loading Station (tankautolaadplaats) van de Defensie Pijpleiding Organisatie gelegen. Deze heeft een passende bestemming gekregen.

6.4.13 Natuur

De bestaande natuurgebieden (Natura 2000-gebieden, EHS-bestaande natuur en EHS-nieuw gerealiseerde natuur) en enkele, natuurgebieden op basis van de vigerende bestemmingsplannen én de luchtfoto's, zijn bestemd als 'Natuur' en zijn tevens bestemd voor multifunctionele bosbouw, voor water en voorzieningen voor de waterhuishouding en voor extensief recreatief medegebruik. Waar begrenzingen niet met elkaar corresponderen is het werkelijk gebruik leidend voor de toe te kennen bestemming. Indien landschapselementen kleiner zijn dan 10 are zijn ze beschermd binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden'.

Onder multifunctionele bosbouw wordt verstaan: ”Het geheel van bedrijfsmatig handelen en activiteiten gericht op de duurzame instandhouding en ontwikkeling van bestaande en nieuwe bossen ten behoeve van natuur, houtproductie, landschap milieu of recreatie”.

Het duurzame gebruik van de gronden als bos is daarbij een belangrijke eigenschap van multifunctionele bosbouw. Het perceelsgewijs kappen door bedrijven geregistreerd bij het bosschap is toegestaan maar mag geen blijvende schade toebrengen aan de omgevingskwaliteit (veelal kleinschaligheid van het landschap).

Ten aanzien van het natuurbeheer geldt dat voor werken geen gebouw zijnde of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen geen omgevingsvergunning vereist is. Werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer van bos en natuur betreffen zijn bij recht toegestaan aangezien deze maatregelen bijdragen aan de instandhouding van het bestemde gebruik. De aanwezige houtopstanden worden verder beschermd vanuit de bomenverordening. Deze verwijst voor de landschappelijke afweging onder meer terug naar het behoud van het kleinschalig landschap. Bestemmingsplan en bomenverordening dienen dan ook in samenhang te worden gebruikt.

Algemeen geldt dat de productie van coniferen of andere siergewassen als boomkwekerij geldt, en niet tot bosbouw gerekend wordt.

6.4.14 Recreatie

De 7 voorkomende dagrecreatieve functies (met een bestemming 'Recreatie') betreffen bijvoorbeeld ijsbanen en volkstuinen. De gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn in de regels van dit plan duidelijk weergegeven. Ten aanzien van de volkstuinen wordt opgemerkt dat de genoemde oppervlakte bebouwing bedoeld is voor het gehele complex.

Naast deze bestemde dagrecreatieve terreinen worden fiets- en wandelpaden, water, e.d. ook gebruikt voor dagrecreatie. Deze zijn bestemd voor de hoofdfunctie óf zijn bij recht mogelijk binnen de toegekende gebiedsbestemmingen 'Agrarisch', 'Agrarisch met waarden'.

6.4.15 Recreatie - Verblijfsrecreatie

In het plangebied komen diverse terreinen voor verblijfsrecreatie voor. Hierbij kan gedacht worden aan de reguliere campings of kampeerboerderijen. De 18 reguliere verblijfsrecreatieterreinen worden bestemd conform de huidige situatie. Er mag geen sprake zijn van permanente bewoning. Bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, of daar waar ze op de verbeelding specifiek zijn aangeduid. Indien geen bouwvlak of aanduiding is opgenomen, mogen dus geen bedrijfsgebouwen of bedrijfswoning worden opgericht. Het oprichten van bedrijfsgebouwen ten behoeve van onderhoud en sanitaire voorzieningen ten behoeve van een kampeerterrein of de bedrijfsmatige exploitatie van een verblijfsrecreatief terrein is onder voorwaarden toegestaan, ook wanneer er geen bouwvlak aanwezig is.

Locaties voor verblijfsrecreatie hebben zeer diverse wensen voor uitbreidingsmogelijkheden. Daarom worden in dit bestemmingsplan bij voorbaat geen uitbreidingsmogelijkheden geboden, maar zal sprake moeten zijn van maatwerk. Zodra een ontwikkeling zich voordoet, kan deze op dat moment getoetst worden aan het dan geldende beleid en kan goed beoordeeld en afgewogen worden of een uitbreiding mogelijk is. Op dat moment kan de uitbreiding in een apart bestemmingsplan worden geregeld/vastgelegd.

6.4.15.1 Solitaire recreatieverblijven

Deze solitair gelegen recreatieverblijven (zomerhuisjes/zomerverblijven) zijn verspreid in het landelijk gebied gelegen en mogen niet permanent bewoond worden. De verblijven hebben op de verbeelding een aanduiding gekregen. Locaties waar wel permanent gewoond wordt en waar niet handhavend opgetreden kan worden, vallen onder het persoonsgebonden overgangsrecht. Dit wil zeggen dat de huidige bewoners het gebruik nog voort mogen zetten, maar dit recht niet op nieuwe bewoners kan worden overgedragen.

Als peildatum voor het gedogen van de permanente bewoning van solitaire recreatieverblijven wordt de datum van de publicatie (1 juni 2011) van het voorontwerp bestemmingsplan buitengebied Hof van Twente gehanteerd. Naar verwachting komen circa 15-20 solitaire recreatiewoningen in aanmerking voor een zelf aan te vragen persoonsgebonden gedoogbeschikking. In andere gevallen wordt handhavend opgetreden tegen permanente bewoning.

6.4.16 Sport

Binnen de bestemming 'Sport' zijn 14 sportterreinen van diverse sportverenigingen opgenomen. Binnen deze bestemming zijn alle sportvoorzieningen algemeen mogelijk gemaakt. Een zwembad, de manege, de golfbaan, een pitch & putt golfbaan en het motorcrossterrein zijn specifiek aangeduid, aangezien deze voorzieningen een andere uitstraling hebben dan bijvoorbeeld sportvelden. In de regels bij dit plan zijn de gebruiks- en bouwmogelijkheden weergegeven.

6.4.17 Tuin

De bestemming 'Tuin' heeft betrekking op onbebouwde erven behorende bij woningen in het buurtschap Stokkum.

6.4.18 Verkeer

De wegen binnen het plangebied zijn allen bestemd als verkeer. Ook de wegbermen en naastgelegen waterlopen (geen A-watergangen zijnde) zijn hierin opgenomen. De breedte van de bestemming geeft aan wat voor soort weg er binnen de bestemming op een bepaalde plek aanwezig mag zijn. De breedte van het bestemmingsvlak bepaalt de mogelijkheid voor meerbaanswegen. De bestemming dient tevens tot behoud van de landschappelijke waarde van onverharde wegen en paden. Ter bescherming hiervan is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen.

6.4.19 Verkeer - Spoorverkeer

De bestaande spoorwegen zijn in het bestemmingsplan bestemd als 'Verkeer - Spoorverkeer'. Ook de naastgelegen bermen en waterlopen (geen A-watergangen) zijn hierin opgenomen.

6.4.20 Water

De hoofdwatergangen in het plangebied van het bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente vallen onder het beheer van waterschap Rijn en IJssel en het waterschap Regge en Dinkel. In de keuren van de waterschappen zijn reeds vele regels over de omgang met water en waterlopen opgenomen. De keuren blijven onverkort van kracht naast hetgeen in dit bestemmingsplan met betrekking tot water wordt vermeld.

Het watersysteem van het gebied is veiliggesteld door de hoofdwatergangen (volgens de Keur van het waterschap) en grotere oppervlaktewateren te bestemmen als 'Water'. Binnen de bestemming water is extensieve dagrecreatie toegestaan.

6.4.21 Water - Kanaal

Het Twentekanaal, dat door het plangebied loopt en waar verkeer en transport te water plaatsvindt, heeft de bestemming 'Water - Kanaal'. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken toegestaan tot een maximale hoogte van 3 meter en waterbouwkundige kunstwerken. Bruggen en viaducten mogen een maximale hoogte hebben van 12 meter.

6.4.22 Wonen

Voor de regeling voor burgerwoningen in het buitengebied is in principe uitgegaan van één bestemming Wonen waarbinnen alle bestaande burgerwoningen vallen. De bestaande woningen staan met een bestemmingsvlak op de verbeelding aangegeven. Hierdoor is duidelijk welke gronden voor de woning met tuin en erf bedoeld zijn. Daarbinnen mogen de woning en bijbehorende bijgebouwen gerealiseerd worden.

De bestaande woningen in het buitengebied zijn verschillend van grootte. Als uitgangspunt wordt gehanteerd 900 m3 bij recht.

Vrijstaande of aangebouwde bijgebouwen bij de woning mogen worden opgericht achter het verlengde van de voorgevel van de woning. Aangebouwde bijgebouwen dienen een ondergeschikt tussenlid te hebben. De gezamenlijke oppervlakte mag maximaal 150 m2 bedragen. De goothoogte mag maximaal 3 m en de bouwhoogte mag maximaal 6 m bedragen. In de algemene bepalingen van het bestemmingsplan is geregeld dat de bestaande grotere inhoud, hoogte en goothoogte gerespecteerd blijven.

6.4.22.1 Herbouw van de woning

Het kan voorkomen dat een woning gesloopt wordt en nieuw wordt opgebouwd waarbij de woning ook verplaatst wordt. Het betreft hier dus geen nieuwbouw van een extra woning. Ten behoeve van deze mogelijkheid is een afwijking van de bouwregels opgenomen om de verplaatsing van de woning mogelijk te maken. Hierbij geldt dat de woning maximaal 10 m van de plek van de bestaande woning herbouwd mag worden en dat het woonklimaat aanvaardbaar blijft (in verband met geluid van verkeer over aangrenzende wegen). In verband met deze laatste voorwaarde is in de regels opgenomen dat een woning op minimaal 50 m van een (ander) agrarisch bedrijf dient te worden gebouwd (danwel op dezelfde plek, als dit minder dan 50 m is). Bovendien mag de woning alleen met een afwijkingsbevoegdheid dichterbij een nabijgelegen weg worden gebouwd.

Een woning die wordt teruggebouwd mag een maximale inhoudsmaat van 900 m3 hebben. Voor een Rood voor Rood woning geldt 750 m3. Deze mogelijkheid geldt niet voor gesplitste woningen.

6.4.22.2 Landhuis

De bestaande landhuizen met een maximale inhoud van 2000 m3, welke op grond van de landhuizenregeling zijn opgericht (ten minste 800 m2 bebouwing is gesloopt en tenminste 1,5 ha grond is omgezet naar natuur), zijn in bijlage 7 van de regels bij dit bestemmingsplan expliciet aangegeven. De bouwmogelijkheden verschillen namelijk van de regulieren woningen in het buitengebied.

6.4.23 Wonen - Azelo

De bestemming Wonen - Azelo heeft betrekking op de woningen die in het buurtschap Azelo mogelijk zijn gemaakt met de rood voor rood-regeling. Het buurtschap Azelo wordt getransformeerd, waardoor een specifieke regeling noodzakelijk is. De nu opgenomen regeling sluit aan op de regeling zoals neergelegd in het bestemmingsplan Azelo 2010 dat wordt opgesteld voor dit buurtschap.

6.4.24 Wonen - Beschermd dorpsgezicht

De bestemming 'Wonen - Beschermd dorpsgezicht' komt voor ter plaatse van het buurtschap Stokkum. Binnen deze bestemming zijn woningen mogelijk tot een inhoud van maximaal 450 m3 en worden geen bijgebouwen toegestaan van 150 m2, zoals binnen de normale woonbestemming is toegestaan. Omdat het kleine, dicht op elkaar gebouwde en wellicht cultuurhistorisch waardevolle woningen betreft, mogen bijgebouwen binnen deze bestemming slechts een maximale omvang van 75 m2 hebben. Binnen deze bestemming is bovendien geen wijzigingsbevoegdheid opgenomen naar andere functies. De bouwmogelijkheden zijn afgestemd op de regels zoals deze nu gelden binnen het beschermd dorpsgezicht Stokkum. Tot slot is een sloopvergunningstelsel opgenomen. Hiermee is het verboden om zonder of in afwijking van deze vergunning bouwwerken geheel of gedeeltelijk af te breken.

6.4.25 Wonen - Boerderijwoningen

De bestemming 'Wonen - Boerderijwoningen' komt voor ter plaatse van het buurtschap Stokkum. Binnen deze bestemming worden woningen binnen het bouwvlak gebouwd. Bijgebouwen zijn toegestaan tot een gezamenlijke oppervlakte van 75 m2. Binnen deze bestemming zijn specifieke regels opgenomen met betrekking tot monumenten.

6.4.26 Wonen - Vab

De bestemming 'Wonen - Vab' heeft betrekking op locaties waar in het verleden met de VAB-regeling activiteiten zijn toegestaan naast de woonfunctie. Aangezien de activiteiten naast het wonen op grond van de VAB-regeling mogelijk zijn geworden geldt dat geen uitbreiding in oppervlakte en/of hoogte van de bebouwing wordt toegestaan. Ook vervangende nieuwbouw is niet toegestaan. De intentie is dat wonen de hoofdfunctie is en blijft.

6.4.27 Leiding - Brandstof

In het plangebied zijn leidingen aanwezig van de DPO (Defensie Pijpleiding Organisatie). In de leidingen wordt kerosine getransporteerd. De leidingen hebben een belemmeringenstrook van 5 m ter weerszijden van de leiding. Hierbinnen gelden beperkende maatregelen ten aanzien van het gebruik en het bouwen. De leidingen hebben een plaatsgebonden risicocontour van 12 meter aan weerszijden van de hartlijn.

Naam leiding   Doorsnede in mm   Werkdruk in bar   Wanddikte in mm   Aanduiding  
4412 - P108D en P108E   219,08   04,00   07,04   hartlijn leiding - brandstof 1  
4371 - P20   219,08   80,00   07,04   hartlijn leiding - brandstof 2  
4396 - P21   219,08   80,00   07,04   hartlijn leiding - brandstof 2  
4400 - P24   219,08   80,00   07,04   hartlijn leiding - brandstof 2  

Binnen de bestemming is het niet toegestaan nieuwe bouwwerken te realiseren. Dit kan alleen met een afwijking van de bouwregels waarbij advies wordt gevraagd aan de leidingbeheerder. Voor andere werken is een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen.

6.4.28 Leiding - Gas

In het plangebied zijn aardgas(transport)leidingen aanwezig. Deze leidingen zijn bestemd met de dubbelbestemming 'Leiding - Gas'. Het betreft de volgende leidingen.

Naam leiding   Doorsnede
in mm  
Werkdruk in bar   Wanddikte in mm   Aanduiding  
N-557-52-KR-009   114,30   40,00   04,37   hartlijn leiding - gas 1  
N-557-52-KR-010 t/m 014   108,00   40,00   03,75   hartlijn leiding - gas 1  
N-557-57-KR-001 t/m 007   114,30   40,00   04,37   hartlijn leiding - gas 2  
N-528-70-KR-014, 016, 017   159,00   40,00   04,50   hartlijn leiding - gas 3  
N-528-70-KR-015   168,30   40,00   04,78   hartlijn leiding - gas 3  
N-557-50-KR-001 en 002   114,30   40,00   04,00   hartlijn leiding - gas 4  
N-557-49-KR-005 t/m 018   219,10   40,00   05,56   hartlijn leiding - gas 5  
A-508-KR-057   457,00   66,20   07,03   hartlijn leiding - gas 6  
A-508-KR-058   457,00   66,20   05,59   hartlijn leiding - gas 6  
A-508-KR-059 t/m 067   457,00   66,20   06,43   hartlijn leiding - gas 6  
A-646-KR-002 t/m 010   610,00   79,90   11,10   hartlijn leiding - gas 7  
A-646-KR-011   610,00   79,90   13,30   hartlijn leiding - gas 7  
A-670-KR-001-044   762,00   80,00   10,00   hartlijn leiding - gas 8  

Rondom aardgasleidingen is een zone gelegen waarbinnen geen nieuwe bouwwerken mogen worden opgericht. De leidingen en zones zijn opgenomen op de verbeelding en in de regels.

Gasleidingen met een druk van 40 bar hebben een belemmeringenstrook van 4 m. Gasleidingen met een druk van 66,2 bar en 80 bar hebben een belemmeringenstrook van 5 m. Binnen de belemmeringenstrook mogen geen nieuwe bouwwerken worden opgericht. Met een afwijking van de bouwregels kan hiervan worden afgeweken als hierover advies is verkregen van de leidingbeheerder.

Het Rijk, de Gasunie, provincies, gemeenten en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) hebben nieuw beleid (ten aanzien van externe veiligheid) voor hogedruk aardgastransportleidingen.

6.4.29 Leiding - Hoogspanningsverbinding

In het plangebied zijn tevens diverse bovengrondse hoogspanningsleidingen aanwezig. Deze zijn op de verbeelding aangegeven met de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding'. Aan weerszijden van de leiding is een strook gelegen waarbinnen beperkingen gelden ten aanzien van het bouwen en het gebruik.

Binnen het plangebied zijn verschillende hoogspanningsleidingen gelegen met een verschillend voltage. Er zijn leidingen van 110kV en een leiding van 380 kV. De aan te houden afstanden vanaf het hart van deze leidingen zijn aangegeven in de regels. Deze afstanden betreffen zakelijk rechtstroken waarbinnen geen hoge andere bouwwerken (geen gebouwen) mogen worden opgericht, tenzij de netbeheerder hier geen probleem mee heeft. Bij deze zakelijk rechtstroken geldt dat voor werkzaamheden die het normale grondgebruik te boven gaan schriftelijke toestemming noodzakelijk is van de netbeheerder.

De volgende bovengrondse hoogspanningsleidingen zijn in het plangebied aanwezig:

  • 110 kV lijn Goor - Knooppunt Rijssen. De belemmeringenstrook is 35 m (17,50 m aan weerszijden van het hart van de lijn);
  • 110 kV lijn Delden - Oost Weideweg. De belemmeringenstrook is 35 m (17,50 m aan weerszijden van het hart van de lijn);
  • 110 kV lijn Rijssen - Knooppunt Rijssen. De belemmeringenstrook is 35 m (17,50 m aan weerszijden van het hart van de lijn);
  • 110 kV lijn Goor - Haaksbergen. De belemmeringenstrook is 35 m (17,50 m aan weerszijden van het hart van de lijn);
  • 380 kV lijn Hengelo - Doetinchem. De belemmeringenstrook is 72 m (36 m aan weerszijden van het hart van de lijn);
  • 110 kV lijn Goor - Delden West. De belemmeringenstrook is 35 m (17,50 m aan weerszijden van het hart van de lijn).
6.4.30 Leiding - Riool

De rioolpersleidingen die in het plangebied liggen zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Leiding - Riool'. Ter bescherming van de rioolpersleidingen is op de verbeelding een zone van 5 m aan weerszijden van het hart van de leiding opgenomen. Binnen deze zone mag alleen na advies van de beheerder van de leiding worden gebouwd ten behoeve van de andere hier aanwezige bestemmingen.

6.4.31 Leiding - Water

De drinkwatertransportleidingen van Vitens die in het plangebied zijn gelegen, zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Leiding - Water'. Voor de drinkwatertransportleidingen is een beschermende zone van 5 m aan weerszijden van het hart van de leiding opgenomen. Binnen deze zone mag geen bebouwing worden opgericht en mag geen diepwortelende beplanting worden aangebracht (>1 m onder maaiveld).

6.4.32 Waarde - Archeologie 1

De bestemming 'Waarde - Archeologie 1' is opgenomen ter herkenning van de bekende, beschermde archeologische monumenten. De bescherming van de monumenten is geregeld in de Monumentenwet 1988.

6.4.33 Waarde - Archeologie 2

De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' is toegekend aan overige AMK-terreinen. Het beleid dat voor deze bestemming geldt is dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij ingrepen dieper dan 40 cm of met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 50 m2.

Bij de aangegeven beschermde monumenten (waarvoor geen regels zijn opgenomen) geldt dat er geen bodemverstorende activiteiten zijn toegestaan, tenzij een vergunning van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is verkregen.

6.4.34 Waarde - Archeologische verwachting 1 t/m 3

In het bestemmingsplan hebben gebieden met een zeer hoge verwachtingswaarde voor archeologische vondsten de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' gekregen. Gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde hebben de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' gekregen. Gebieden met een lage verwachting voor de aanwezigheid van archeologische waarden hebben de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3' gekregen. Deze gebieden worden beschermd door middel van een verplichting tot het overleggen van een archeologisch onderzoek bij bouwaanvragen en omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.

Het onderscheid tussen de gebieden wordt gemaakt in oppervlakten waar onderzoek noodzakelijk is.

Binnen de archeologische bestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarbij deze bestemming kan worden toegevoegd of verwijderd. Dit kan blijken uit archeologisch onderzoek ter plaatse op basis waarvan inzichten gewijzigd kunnen zijn en een aanpassing van deze bestemming noodzakelijk kan zijn.

Bestemming   Regels  
Waarde - Archeologische verwachting 1   Bij ingrepen dieper dan 40 cm of met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 2.500 m2 is archeologisch onderzoek noodzakelijk.  
Waarde - Archeologische verwachting 2   Bij ingrepen dieper dan 40 cm of met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 5.000 m2 is archeologisch onderzoek noodzakelijk.  
Waarde - Archeologische verwachting 3   Bij ingrepen dieper dan 40 cm of met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 10 ha is archeologisch onderzoek noodzakelijk.  

Er is alleen Archeologisch onderzoek nodig als aan beide voorwaarden worden overschreden.

6.4.35 Waarde - Beschermd dorpsgezicht

Het beschermd dorpsgezicht betreft onder andere het buurtschap Stokkum, dat een zuiver agrarische nederzetting is. Het is een voorbeeld van een nederzettingsvorm die in Oost-Nederland is ontstaan uit de wijze van ontginnen gedurende de Middeleeuwen. Stokkum heeft zich dan ook kunnen ontwikkelen als typisch esdorp.

De huidige bebouwing is gegroepeerd rond twee open ruimten, die onderling gescheiden zijn door een doorgaande weg. Het dorpsbeeld wordt volledig bepaald door de veelal monumentale boerderijen op erven met een hoog opgaand geboomte. De kenmerkende dorpsstructuur, in samenhang met de historisch waardevolle dorpsbebouwing levert een beeld van zodanige cultuurhistorische waarde, waardoor het gebied is aangewezen als beschermd dorpsgezicht op grond van de Monumentenwet.

Tot het aangewezen dorpsgezicht behoren de samenhangende onderdelen van de ruimtelijke structuur, waaruit de historische ontwikkeling is te lezen. Dit betreft vooral de twee open ruimten en de aangrenzende bebouwing. Voorts dienen hiertoe gerekend te worden enige hoeven direct ten zuiden van de westelijke open ruimte.

Ten tweede betreft het beschermd dorpsgezicht het gehucht Den Haller, dat in de Middeleeuwen is ontstaan bij een watermolen. De nederzettingsstructuur wordt vooral bepaald door de (oude) Watermolenweg en de Nijhofweg, samen met de Diepenheimsche Molenbeek. Hierop is de bebouwing georiënteerd. De kenmerkende structuur, in samenhang met de historisch waardevolle bebouwing, levert een hoge cultuurhistorische waarde op. Karakteristiek zijn de Molenbeek met de molenkolk en de bochtige Watermolenweg, die ten zuiden van de kolk de beek kruist. Hier bevindt zich het molenbuurtje, waarvan de watermolen het middelpunt vormt. Door het bochtige beloop van de oude Watermolenweg en de situering van de gebouwen dicht bij of direct aan de straat, is een besloten ruimtelijke opbouw ontstaan, die wordt versterkt doordat aan de buitenzijde van de bochten bebouwing en/of beplanting aanwezig is. Het meest opvallende gebouw is de watermolen, zowel door zijn ligging als door het bouwmateriaal. Het is een grotendeels houten, zwart geteerde onderslagmolen, onder een schilddak.

De bescherming van het beschermd dorpsgezicht is opgenomen in het bestemmingsplan met de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht'. De aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, de bescherming en de versterking van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het buurtschap Stokkum en Den Haller. Met betrekking tot het bouwen gelden de regels zoals die zijn opgenomen binnen de detailbestemmingen. Daarbij geldt dat de gemeente, op grond van de dubbelbestemming, nadere eisen kan stellen.

6.4.36 Waarde - Ehs

Aan de agrarische gronden die volgens de provinciale verordening binnen de EHS zijn gelegen wordt, aanvullend op de agrarische bestemming, de dubbelbestemming 'Waarde - Ehs' toegekend. Naast de agrarische functie vervullen deze gebieden ook een natuurfunctie. Het agrarische gebruik van de gronden kan zonder meer voortgezet worden. Deze gronden bevatten natuurwaarden die samenhangen met het agrarisch gebruik of bieden de potentie voor verdere ontwikkeling van de natuurwaarden.

Deze dubbelbestemming leidt tot een bescherming van de waarden die met de EHS samenhangen. Bij het nemen van besluiten over omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden, afwijkings - en wijzigingsbevoegdheden conform de enkelbestemming van het perceel, dient advies te worden gevraagd aan een onafhankelijke deskundige op het gebied van natuur en landschap. In dit advies wordt beoordeeld of er geen sprake is van een significante aantasting van wezenlijke natuur- en landschapskenmerken en waarden van het gebied.

Via een wijzigingsbevoegdheid wordt het binnen de bestemming 'Waarde - Ehs' mogelijk gemaakt de bestemming te wijzigen in 'Natuur'. Dit kan gaan om natuurontwikkeling door natuurbeherende instanties in opdracht van de overheid, maar het kan ook gaan om natuurontwikkeling op particulier initiatief. Als voorwaarde geldt dat de omzetting past binnen de eisen aan de ecologische hoofdstructuur zoals door de provincie vastgelegd in het provinciaal Omgevingsplan. Tevens geldt dat de aanleg van bos niet is toegestaan in het gebied dat is beschermd vanwege haar openheid.

6.4.37 Algemene aanduidingsregels
6.4.37.1 Reconstructiewetzones

Voor de gronden ter plaatse van de aanduidingen 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied', 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied' en 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied', gelden de regels zoals opgenomen in de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden' (artikelen 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden') voor deze afzonderlijke gebieden.

Dit betekent dat in extensiveringsgebieden geen mogelijkheden bestaan voor uitbreiding van een intensieve veehouderij(tak). In deze gebieden wordt de bestaande omvang vastgelegd.

In landbouwontwikkelingsgebieden wordt ruimte geboden voor uitbreiding van agrarische bouwvlakken van intensieve veehouderijen. Grootschalige uitbreidingen, tot een bouwvlak van maximaal 3 ha, zijn alleen mogelijk als is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en landschappelijk kapitaal voldoende wordt gecompenseerd door te investeren in ruimtelijke kwaliteit.

In verwevingsgebieden geldt dat op locaties waar nu geen intensieve veehouderij aanwezig is, deze ook niet ontwikkeld kan worden. Op locaties waar wel intensieve veehouderij aanwezig is kan een uitbreiding plaatsvinden tot maximaal 1,5 ha.

Er kan ook een groter bouwvlak worden toegekend, indien sprake is van een gemengd bedrijf of een niet-agrarische bedrijfstak (bijvoorbeeld een bio-enegerie-installatie) Voorwaarde is dat voorkomen wordt dat de productieruimte van de intensieve veehouderijtak de 1,5 ha overschrijdt. Het toekennen van sterlocaties is mogelijk op grond van het provinciale beleid maar wordt, als dit aan de orde is en mogelijk is, middels een partiële herziening geregeld en niet in dit bestemmingsplan. De twee bestaande sterlocaties zijn in dit bestemmingsplan positief bestemd.

6.4.37.2 Geluidzone - industrie

Op het bedrijventerrein nabij de haven van Goor, gelegen buiten het plangebied van dit bestemmingsplan, is een Eternitfabriek gevestigd. Dit bedrijf is een zogenaamde 'geluidszoneringsplichtige' inrichting. Dit zijn inrichtingen die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken. Het bedrijventerrein is voorzien van een geluidszone op basis van de Wet geluidhinder. Deze geluidszone reikt tot binnen het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan.

De geluidszone uit het geldende bestemmingsplan is overgenomen in voorliggend bestemmingsplan. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en instandhouding van de geluidsruimte in verband met de nabijheid van een inrichting als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder. Binnen deze zone mogen nieuwe woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen uitsluitend na verlening van een omgevingsvergunning worden gebouwd onder de voorwaarde dat de geluidbelasting vanwege het industrieterrein van de gevels van deze woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor toegestane geluidbelasting.

6.4.37.3 Luchtvaartverkeerzone

Over het plangebied is een laagvliegroute van het ministerie van Defensie gelegen. Deze heeft een bepaalde bescherming nodig. Op de route mag in afwijking van de algemene minimumvlieghoogte (300 m) door militaire vliegtuigen worden gevlogen op een hoogte van minimaal 75 m. Onder de laagvliegroute gelden beperkingen voor de bouw van obstakels (zoals telecommunicatiemasten, windturbines e.d.). Uit veiligheidsoogpunt wordt de bouw van obstakels hoger dan 40 m onder de laagvliegroute niet toelaatbaar geacht.

De aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en instandhouding van de luchtvaartverkeerzone. Op deze gronden mogen geen bouwwerken met een bouwhoogte hoger dan 40 m worden gebouwd.

6.4.37.4 Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied en Milieuzone - intrekgebied

Binnen het grondgebied van de gemeente Hof van Twente zijn twee waterwingebieden gelegen, met elk hun eigen grondwaterbeschermingszone en intrekgebied. Dit zijn zones ten behoeve van de bescherming van de drinkwaterkwaliteit. Grondwaterbeschermingsgebieden bestaan uit een 25-jaarszone en een 100-jaarszone. Het grondwater in de gebieden in de 25-jaarszone komt binnen 25 jaar in aanmerking om opgepompt te worden ten behoeve van de waterwinning en het grondwater in de 100-jaarszone binnen 100 jaar. De kwaliteit van dit grondwater is van groot belang, daarom is voor deze gebieden een dubbelbestemming opgenomen. In de grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden zijn alleen functies toegestaan die harmoniëren met de functie voor drinkwatervoorziening.

De huidige situatie van de locaties (inclusief de bouwwerken) is in voorliggend bestemmingsplan gerespecteerd en de grondwaterbeschermingsgebieden zijn opgenomen als Milieuzone - Grondwaterbeschermingsgebied. Intrekgebieden zijn opgenomen als Milieuzone - Intrekgebied.

Binnen deze zones geldt een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden voor de bescherming van het grondwater.

Voordat een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden wordt verleend wint het college van burgemeester en wethouders advies in bij het waterleidingbedrijf. Daarmee wordt voorkomen dat de grondwaterkwaliteit verslechtert ten koste van de drinkwaterwinning. Bouwen wordt niet bij recht toegestaan, maar is met een afwijking van de bouwregels mogelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0025.jpg"

Waterwingebieden Herikerberg (geel) en Goor (rood) met hun beschermingszones

6.4.37.5 Milieuzone - waterwingebied

Binnen het grondwaterbeschermingsgebied zijn twee waterwingebieden gelegen: Goor en Herikerberg. Hier wordt daadwerkelijk grondwater gewonnen ten behoeve van drinkwater. De gronden zijn mede bedoeld voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater. Er mag alleen gebouwd worden ten behoeve van de bestemming.

6.4.37.6 Veiligheidszone - bevi

Rondom het bedrijf Elementis Specialties, wat een bevi-inrichting is, is een veiligheidszone gelegen. Deze zone beschermt het woon- en leefklimaat rondom de inrichting. Binnen de zone kunnen niet zondermeer nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden opgericht.

6.4.37.7 Veiligheidszone - defensiedepot 1 en 2

Rondom de bestemming 'Maatschappelijk - Defensiedepot' zijn veiligheidszones gelegen waarbinnen geen nieuwe woningen (binnen 200 m) en/of nieuwe bebouwing (binnen 100 m) mogen worden opgericht. Deze zones zijn aangegeven op de verbeelding.

6.4.37.8 Vrijwaringszone - radar

Het plangebied is voor een groot deel gelegen binnen het verstoringsgebied van de radar op de voormalige vliegbasis Twente. In verband hiermee zijn er ter voorkoming van radarverstoring beperkingen van toepassing op de bouw en overige bouwwerken die hoger zijn dan 45 m. Voorkomen dient te worden dat regelingen worden opgenomen die leiden tot een onaanvaardbare verstoring van de radar.

6.4.37.9 Vrijwaringszone - straalpad

Een straalpad bestaat uit luchtruimte die vrij moet blijven voor radiocommunicatie. Voor gronden met de aanduiding 'vrijwaringszone - straalpad' wordt, in afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen, op de verbeelding geregeld wat de toegestane 'maximum hoogte (m)' van gebouwen is.

Hoofdstuk 7 Haalbaarheid

Voorliggend bestemmingsplan is een plan waarmee geen grote ruimtelijke veranderingen worden beoogd te realiseren. Het accent ligt op behoud en ontwikkeling van hoofdzakelijk bestaande functies, op bestaande locaties. Er worden, bij recht, geen bedrijven of woningen toegestaan op locaties waar nu nog in het geheel geen bebouwing aanwezig is. Deze milieuparagraaf heeft daarom een beschouwend karakter, wat inhoudt dat er geen onderzoeken zijn verricht en dat de benoemde milieuthema's algemeen beschreven zijn.

Zodra ontwikkelingen via het toepassen van een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijzigingsbevoegdheid worden mogelijk gemaakt, is het noodzakelijk dat deze ontwikkeling vanuit de milieutechnische kant onderzocht en onderbouwd wordt. Onderstaande beschreven thema's als geluid, lucht en bodem kunnen hierbij dienen als eerste aanzet.

7.1 Plan-MER

7.1.1 Algemeen

Voor dit bestemmingsplan is een plan-milieueffectrapport (hierna genoemd plan-MER) opgesteld. Het plan-MER bestaat uit de volgende documenten:

  • Planmilieueffectrapport “Plan-MER Hof van Twente”, d.d. 17 mei 2011, inclusief een aanvulling naar aanleiding van het voorlopig toetsingsadvies Commissie m.e.r. (hierna genoemd Plan-MER Buitengebied); en
  • de aanvulling naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State 5 maart 2014, neergelegd in het rapport opgesteld door Antea "Aanvullend Stikstofdepositieonderzoek – Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente" d.d. 28 mei 2014 (hierna genoemd Aanvullend stikstikstofonderzoek).

Het plan-MER heeft ten doel het milieu een volwaardige plaats te geven in het besluitvormingsproces tot vaststelling van het bestemmingsplan. De verplichting tot het opstellen van een plan-MER komt voort uit het kaderstellende karakter van het bestemmingsplan gelet op de mogelijkheden tot oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren binnen bestaande agrarische bedrijven (het bestemmingsplan maakt het toevoegen van nieuwe bouwvlakken niet mogelijk). Voorts is de plan-m.e.r. ingegeven vanwege de (in eerste instantie) mogelijke significante effecten op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden ten gevolge van de uitbreidingsmogelijkheden van de (intensieve)veehouderijen binnen het plangebied.

In het Plan-MER Buitengebied in combinatie met het Aanvullend stikstofonderzoek zijn de effecten van het bestemmingsplan op diverse aspecten, zoals natuur, landschap en cultuurhistorie en leefbaarheid en gezondheid, in beeld gebracht. De uitkomsten van het MER dienen mede ter onderbouwing van de haalbaarheid van het bestemmingsplan.

Om een goed inzicht te krijgen in de mogelijke effecten van het beleid is de huidige situatie ('scenario feitelijk') in het Plan-MER Buitengebied afgezet tegen vijf alternatieven/scenario's:

  • 1. autonome ontwikkeling nulgroei: realistisch scenario bij het vigerende bestemmingsplan;
  • 2. autonome ontwikkeling maximaal: maximale benutting van de mogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan;
  • 3. basisalternatief nulgroei: realistisch scenario bij het nieuwe bestemmingsplan;
  • 4. basisalternatief maximaal: maximale benutting van de mogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan, rekening houdend met enkele ter plaatse aanwezige beperkingen in milieuruimte, etc. ;
  • 5. maximaal: maximale benutting van de mogelijkheden van het reconstructiebeleid.

In navolgende tabel zijn de gevolgen van het bestemmingsplan per thema in beeld gebracht.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0026.png"

Betekenis van de score:

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0027.png"

Onderdeel van het Plan-MER Buitengebied vormt de in dat kader opgestelde passende beoordeling, waarvoor Antea Group in 2011 stikstofdepositieberekeningen heeft uitgevoerd, gelet op de mogelijkheden opgenomen in het op 18 december 2012 vastgestelde bestemmingsplan. Zoals in deze plantoelichting reeds aangegeven is dit bestemmingsplan evenwel op 5 maart 2014 gedeeltelijk vernietigd (ABRvS 5 maart 2014, nr. 201302029/1/R1).

In deze uitspraak komt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tot de conclusie dat de raad zich gebaseerd heeft op het in het Plan-MER onderzochte scenario “Basisalternatief nulgroei”. Dat scenario veronderstelt dat het totale aantal landbouwdieren op gemeentelijk niveau niet of weinig zal veranderen (door stoppers of doordat bepaalde bedrijven niet zullen uitbreiden). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State concludeert in r.o. 39.10 evenwel dat het plan bij recht en via wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden in aanmerkelijke uitbreidingsmogelijkheden in sommige delen van het plangebied voorziet, zonder dat de in het Basisalternatief nulgroei veronderstelde afname van het aantal dieren in andere delen van het plangebied is gewaarborgd. De raad is volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij planvaststelling ten onrechte niet van de maximale mogelijkheden uitgegaan. Nu uit het MER volgt dat in de onderzochte worst-case situatie (Basisalternatief maximaal) significante effecten (gelet op de stikstof die mogelijk neerslaat in de betreffende Natura 2000-gebieden) niet zijn uit te sluiten is het plan onzorgvuldig voorbereid en daarmee vastgesteld in strijd met artikel 19j Nbw 1998.

Gelet op de inhoud van deze uitspraak zijn enkele planregels in de agrarische bestemmingen neergelegd in de artikelen 3 en 4 toegevoegd. Deze dragen ervoor zorg dat de stikstofemissie afkomstig uit de agrarische bouwvlakken na uitbreiding (al dan niet bij flexibiliteitsbepalingen) ten opzichte van de feitelijke bestaande situatie niet toeneemt (zodat de door de Raad van State aangehaalde situatie voor wat betreft de toename van stikstofdepositie in de betreffende Natura 2000-gebieden in de situatie (Basisalternatief maximaal) zich niet kan voordoen). Nu de stikstofemissie niet toeneemt, staat op voorhand, mede gelet op de hierna genoemde jurisprudentie, vast dat de uitbreidingsmogelijkheden nimmer kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden en is een passende beoordeling en plan-MER ex artikel 7.2a lid 1 Wm niet vereist.

De gekozen wijze van borging van de stikstofemissie in planregels is in lijn met het bestemmingsplan buitengebied Tynaarlo, die door de Afdeling is geaccordeerd (ABRS 29 oktober 2014, nr. 201307656/1/R4). In die uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak overwogen dat wanneer in een bestemmingsplanregel is vastgelegd dat een uitbreiding van de bebouwde oppervlakte voor dierenverblijven slechts is toegestaan onder de voorwaarde dat de uitbreiding niet gepaard gaat met een toename van de ammoniakemissie van het betreffende bedrijf, het op voorhand vaststaat dat de uitbreidingsmogelijkheden niet zullen leiden tot een toename van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Dat in die situatie geen passende beoordeling is vereist is bevestigd in ABRS 5 november 2014, nr. 201308949/1/R2 (r.o. 39.11, slot derde alinea). Als geen passende beoordeling is vereist, bestaat er evenmin een verplichting tot het opstellen van een plan-MER ex artikel 7.2a lid 1 Wm.

Voorts is aan Antea Group gevraagd om aanvullende stikstofdepositieberekeningen uit te voeren, die zijn neergelegd in het Aanvullend stikstofonderzoek. Dit onderzoek vormt een aanvulling op de reeds verrichte passende beoordeling. Uit het aanvullende onderzoek blijkt dat ook bij een volledige benutting van alle uitbreidingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt (zonder rekening te houden met het stikstofemissieplafond), er door toepassing van mitigerende maatregelen geen sprake zal zijn van enige stikstofdepositietoename binnen welk Natura 2000-gebied dan ook. Daarmee staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan vast. Voor de toepassing van artikel 19j Nbw 1998 was het aanvullende onderzoek door Antea niet nodig. Door de vorenbedoelde beperkingen in de artikelen 3 en 4 is immers reeds op voorhand verzekerd dat er geen toename van stikstofemissie zal kunnen zijn en dus ook geen toename van stikstofdepositie binnen een Natura 2000-gebied.

In planregel 1.121 wordt tevens geanticipeerd op de inwerkingtreding van de PAS-wet (Wet van 8 oktober 2014, houdende wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 (programmatische aanpak stikstof), Staatsblad 2014, 419, de inwerkingtreding van de daarbij behorende Algemene Maatregel van Bestuur (Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof) en het PAS-programma.

Na inwerkingtreding van deze wijzigingen zullen reeds door de in het PAS-programma opgenomen maatregelen de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden die in dit programma zijn opgenomen, worden gerealiseerd. Daarmee wordt ruimte voor economische ontwikkelingen die stikstofdepositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden gerealiseerd. Het programma maakt daartoe zogenoemde “depositieruimte” beschikbaar voor projecten, andere handelingen en overige ontwikkelingen die stikstofdepositie veroorzaken. De depositieruimte is beschikbaar per hectare van voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied. Deze depositieruimte bestaat uit twee delen.

Een deel van deze algemene depositieruimte betreft de zogenoemde “ontwikkelingsruimte”, die door het bevoegd gezag wordt toegedeeld aan projecten of andere handelingen die een zodanige stikstofdepositie veroorzaken dat er voor die activiteit vooraf toestemming is vereist op grond van artikel 19d lid 1 van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna Nbw). De in het onderhavige bestemmingsplan opgenomen planregeling anticipeert niet op deze ontwikkelingsruimte.

Een ander deel van de algemene depositieruimte is beschikbaar voor projecten en andere handelingen die slechts een geringe stikstofdepositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden.

Dit deel van de algemene depositieruimte betreft de “depositieruimte voor grenswaarden”. De gewijzigde regeling in de Nbw voorziet erin dat wanneer onder deze drempel wordt gebleven er geen artikel 19d Nbw-vergunningplicht meer geldt voor een project of andere handeling. De drempelwaarde (de depositieruimte voor grenswaarden) wordt zodanig vastgesteld dat op voorhand op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat projecten of andere handelingen die onder deze drempelwaarde blijven afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied zullen aantasten (zie artikel 19kh lid 8 Nbw na inwerkingtreding PAS-wet). De hoogte van deze drempelwaarde is thans nog niet bekend (de AMvB Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof moet nog worden vastgesteld), evenwel volgt thans uit het ontwerpbesluit dat de drempelwaarde op stikstofgevoelig habitat gelegen zal zijn tussen de 0,05 en de 1 mol N/ha/jaar (zie artikel 2, lid 1 en lid 3, ontwerpbesluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof). De in het onderhavige bestemmingsplan opgenomen planregeling anticipeert op deze depositieruimte voor grenswaarden.

Meer concreet voorziet de planregeling erin – kort samengevat – dat na inwerkingtreding van de PAS-wet en het Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof (in samenhang met het PAS-programma) er tevens geen sprake is van een toename van stikstofemissie, wanneer de depositie gepaard gaande met deze bouwactiviteit onder vorenbedoelde drempelwaarde blijft.

Wanneer een bouwactiviteit een stikstofdepositie veroorzaakt die op zichzelf onder deze drempelwaarde blijft, maar de stikstofdepositie van die uitbreiding in cumulatie met de stikstofdepositie van verschillende daaraan voorafgaande kleine uitbreidingen ten aanzien van hetzelfde agrarische bedrijf in dezelfde programmaperiode bij elkaar opgeteld wel leiden tot overschrijding van de grenswaarde, is er wel sprake van een toename van stikstofemissie als bedoeld in dit bestemmingsplan. Daarmee wordt het opknippen van een grotere bouwactiviteit waardoor de drempelwaarde tezamen ondanks de planregeling wordt overschreden, voorkomen. Het bestemmingsplan maakt een dergelijke ontwikkeling niet mogelijk.

Het onderhavige bestemmingsplan maakt na de wetswijziging aldus louter projecten en andere handelingen mogelijk waarbij op voorhand op basis van objectieve gegevens verzekerd is dat de natuurlijke kenmerken niet worden aangetast (doordat de regeling louter gestoeld is op depositieruimte voor grenswaarden). Daardoor voorziet het onderhavige bestemmingsplan eveneens louter in planologische mogelijkheden waarvan op voorhand verzekerd is dat deze niet zullen leiden tot significante effecten gelet op de natuurlijke kenmerken van de betreffende Natura 2000-gebieden. Gelet op deze ontwikkelingen behoeft voor het bestemmingsplan aldus niet afzonderlijk een passende beoordeling als bedoeld in artikel 19j lid 2 Nbw te worden doorlopen.

In onderstaande paragrafen wordt een nadere toelichting gegeven op de belangrijkste thema's uit het plan-MER. Voor het volledige overzicht wordt naar het plan-MER en het Aanvullend stikstofonderzoek verwezen.

7.1.2 Natuur

Bepalend voor de beoordeling van het bestemmingsplan op het aspect natuur is de invloed van de veehouderij op de stikstofdepositie in daarvoor gevoelige habitats.

Bij autonome ontwikkeling blijft de veebezetting nagenoeg gelijk. De vergunde ruimte wordt volledig opgevuld, waardoor het aantal dieren iets toeneemt. Maatregelen op grond van het Besluit huisvesting zorgen voor een daling van de ammoniakuitstoot en daardoor voor een daling van de ammoniakbelasting van de Natura 2000-gebieden.

In het Basisalternatief nulgroei is de totale veebezetting gelijk aan die bij autonome ontwikkeling, maar is de verdeling over het hele gebied anders als gevolg van concentratie in de LOG's Zeldam, Wiene en Markelose Broek en verlaging van de veebezetting elders. Dit heeft een positief effect op Natura 2000-gebied Boddenbroek, maar niet per sé voor de andere Natura 2000-gebieden. Over het geheel genomen is het effect iets gunstiger dan de huidige situatie of de situatie bij autonome ontwikkeling, maar afhankelijk van de precieze invulling kan het lokaal ook iets ongunstiger uitpakken. Vooral extra uitbreiding in het LOG Elsenerbroek zou het licht negatieve effect op de Borkeld kunnen versterken.

De scenario's met maximale groei laten een forse toename zien ten opzichte van de huidige en (nog meer) ten opzichte van de autonome ontwikkeling (bij nulgroei).

De regelgeving op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en de provinciale 'Beleidsregel Natura 2000 voor stikstof en veehouderijen' zorgt er evenwel voor dat ontwikkelingen in de veehouderij geen significante effecten zullen hebben. Het beleid zal in zijn totaliteit resulteren in een lichte afname van de stikstofdepositie. Voorts is hiervoor reeds aangegeven dat in het bestemmingsplan is geborgd dat bij een uitbreiding van een veehouderij de ammoniakemissie niet mag toenemen, zodat ook verzekerd is dat er geen sprake zal zijn van toename van stikstofdepositie in een Natura 2000-gebied.

Een andere factor die bepalend is voor de beoordeling van het bestemmingsplan op het aspect natuur is de ecologische hoofdstructuur. Centraal staat de mogelijke invloed op de delen van de ecologische hoofdstructuur die zeer kwetsbaar zijn voor stikstofdepositie.

Het Basisalternatief nulgroei is overwegend positief ten opzichte van zowel de huidige situatie als de autonome ontwikkeling. De concentratie in Markelose Broek aan de westkant heeft echter negatieve gevolgen. Scenario's met maximale groei laten een forse toename zien ten opzichte van de huidige en (nog meer) ten opzichte van de autonome ontwikkeling (bij nulgroei). De verschillende scenario's met toename van stikstofdepositie doen zich evenwel niet voor, nu in het bestemmingsplan is geborgd dat bij een uitbreiding van een veehouderij de ammoniakemissie niet mag toenemen. Aldus is geborgd dat er geen sprake zal zijn van toename van stikstofdepositie in de ecologische hoofdstructuur.

7.1.3 Landschap en cultuurhistorie

Bij het toekennen van de reconstructiezones is rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden binnen de gemeente. Hiermee worden mogelijke negatieve effecten op het cultuurhistorisch landschap vermeden dan wel beperkt. Door vergroting van (intensieve) veehouderijen zijn negatieve gevolgen voor het landschap en de cultuurhistorische kenmerken niet zonder meer uitgesloten.

In de drie LOG's, waar de veehouderij zal kunnen toenemen, kan de schaalvergroting van de bedrijven negatieve gevolgen hebben, maar door eisen ten aanzien van de landschappelijke inpassing en doordat de LOG's buiten de meer waardevolle landschappen liggen, is het effect licht negatief. Het effect buiten de drie LOG's zal neutraal zijn, en lokaal (bijvoorbeeld door toepassing van 'rood voor rood') licht positief. Vanwege de schaal van de ontwikkelingsmogelijkheden in de LOG's is het totaaleffect echter wel als licht negatief ingeschat.

7.1.4 Leefbaarheid en gezondheid

Geur 

In alle scenario's waarbij de maximale ruimte wordt benut, neemt de geurbelasting in de bebouwde kom en in het buitengebied toe ten opzichte van de autonome ontwikkeling. In de bebouwde kommen is deze toename weinig waarneembaar en blijft de leefkwaliteit nagenoeg gelijk. In het buitengebied neemt de oppervlakte met de categorie slechte tot zeer slechte leefkwaliteit toe.

De kans op geurhinder zal bij het Basisalternatief nulgroei buiten de drie LOG's met groei (Zeldam, Wiene en Markelose Broek) iets afnemen, terwijl de geurbelasting in deze drie LOG's (net als bij het Basisalternatief maximaal) een duidelijke verslechtering laat zien. Het totaaleffect is als licht negatief beoordeeld.

Luchtkwaliteit

De geldende grenswaarden zullen niet worden overschreden.

Gezondheid

Op veel plaatsen is de onderlinge afstand tussen bedrijven kleiner dan 1 kilometer, of liggen er veehouderijbedrijven binnen een zone van 1 km rond de Landbouwontwikkelingsgebieden. Uitbreiding van bedrijven, en daarmee een hogere veedichtheid, kan de kans op verspreiding van dierziekten van bedrijf tot bedrijf en op de kans op besmetting van mensen via de lucht licht doen toenemen. De werkelijke kans hierop is mede afhankelijk van de bedrijfsvoering en de inrichting van de bedrijven.

Fijn stof kan bij gevoelige personen en bevolkingsgroepen ook bij een concentratie die duidelijk onder de wettelijke normen ligt, negatieve gevolgen voor de gezondheid hebben. Daarom is de invloed hiervan - anders dan bij de beoordeling van de luchtkwaliteit - toch als licht negatief beoordeeld.

Verkeersveiligheid

De voorgenomen ontwikkelingen kunnen in elk geval lokaal tot meer (vracht)verkeer leiden en daardoor tot knelpunten in de verkeersveiligheid, vooral voor fietsers (schoolgaande kinderen). Het bestemmingsplan buitengebied biedt de mogelijkheid om, indien dit zich voordoet, wegen te verbreden, maar hiervoor bestaan geen concrete plannen.

7.1.5 Aanvullend stikstofonderzoek (Antea 2014)

Berekening

In het kader van het bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente' is een aanvullende stikstofdepositie berekening uitgevoerd. De huidige feitelijke bestaande situatie is als referentiesituatie opnieuw doorgerekend. Verder zijn vier 'Worst-case varianten' doorgerekend, waarbij maximaal invulling is gegeven aan de planologische mogelijkheden, en die vervolgens zijn afgezet tegen de referentiesituatie. Tot die varianten behoort onder meer de in een absolute zin worst-casevariant (leghennen).

Uit de berekende stikstofemissie en de daaruit berekende stikstofdepositie op de betreffende kwalificerende stikstofgevoelige habitattypen in de Natura 2000-gebieden, volgt dat in de variant 'Worst-case leghennen', de depositie hoger is dan in de huidige feitelijk bestaande situatie als referentie. Datzelfde geldt voor de variant 'Worst-case vleesvarkens'. In zoverre kunnen significante effecten niet worden uitgesloten gelet op de in de worst-case berekende stikstofdepositie op deze Natura 2000-gebieden.

Om deze reden zijn twee varianten onderzocht, waarbij eveneens is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan, evenwel wordt in deze variant tevens rekening gehouden met toe te passen mitigerende maatregelen (extra stikstofreducerende stalsystemen). Dit betreffen de varianten 'Worst-case leghennen met mitigatie' en 'Worst-case vleesvarkens met mitigatie'. Daarbij is de Worst-case leghennen respectievelijk de Worst-case vleesvarkens als uitgangspunt genomen, waardoor (onder meer) rekening is gehouden met een 100% benutting van de bij recht en flexibiliteitsbepalingen mogelijke bouwvlakken voor pluimveebedrijven met leghennen respectievelijk varkenshouderijen met vleesvarkens. In de varianten met mitigatie is geen stijging van de ammoniakemissie ter plaatse en (derhalve) evenmin van een toename van de stikstofdepositie op de desbetreffende habitattypen. Daarmee kan worden geconcludeerd dat de planologische mogelijkheden (inclusief de flexibiliteitsbepalingen) uit het voorgenomen bestemmingsplan uitvoerbaar zijn, zonder dat de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden worden aangetast.

De borging van de in de passende beoordeling genoemde eventueel te treffen mitigerende maatregelen vindt op zich plaats in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet. Voor projecten en andere handelingen met mogelijk verstorende effecten op een Natura 2000-gebied is op grond van dat artikel immers een vergunning vereist. Pas na vergunningverlening zal een op grond van het bestemmingsplan toegestaan gebruik daadwerkelijk kunnen worden gerealiseerd. Niettegenstaande de borging in de Natuurbeschermingswet, is in het bestemmingsplan geborgd dat bij een uitbreiding van een veehouderij de ammoniakemissie van het bedrijf niet mag toenemen. Dat impliceert tevens dat een uitbreiding van een veehouderijbedrijf nimmer zal leiden tot een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied.

7.2 Milieuaspecten

Ten aanzien van de toets van de onderstaande milieuaspecten wordt aangehaakt op het Milieubeleidsplan Hof van Twente 2011-2014.

7.2.1 Bodem

Ten behoeve van dit bestemmingsplan is geen nader onderzoek naar de bodemgesteldheid gedaan (op grond van de Wet bodembescherming). In principe dient bij elke nieuwe ruimtelijke ontwikkeling te worden nagegaan of de bodem en het grondwater vrij zijn van verontreiniging en daarmee geschikt zijn voor de nieuwe functie. Zodra zich een ontwikkeling voordoet die met een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijziging mogelijk wordt gemaakt, wordt op dat moment het aspect bodem onderzocht aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving en normen.

7.2.2 Lucht

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichts bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diversie regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden.

Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 øg/m3 verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM.

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.

Zodra een ontwikkeling zich voordoet, welke met een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijziging mogelijk kan worden gemaakt, wordt op dat moment het aspect luchtkwaliteit onderzocht aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving en normen.

7.2.3 Geluid

Het aspect geluid vloeit voort uit de Wet geluidhinder en kan worden onderverdeeld in geluid afkomstig van wegverkeer, railverkeer en industrie. De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het kader voor toetsing van initiatieven.

Wegverkeer en railverkeer

De hoogte van de maximaal toegestane gevelbelasting is onder andere afhankelijk van de geluidsbron (weg- of railverkeer) en de ligging van de geluidsgevoelige bebouwing (stedelijk of buitenstedelijk gebied).

In de onderstaande tabel is de meest voorkomende maximaal toegestane gevelbelastingen uit de Wgh voor wegverkeer en uit het Besluit geluidhinder (BGH) voor railverkeer weergegeven ten aanzien van buitenstedelijk gebied:

  wegverkeer   railverkeer  
voorkeurswaarde   48 dB (art. 82)   55 dB (art. 4.9 lid 1)  
Maximale ontheffingswaarde voor buitenstedelijke locaties   53 dB (art. 83 lid 1)   68 dB (art. 4.10)  
Maximale ontheffingswaarde voor binnenstedelijke locaties   58 dB (art. 83 lid 5)   n.v.t.  

Gezien de voorkeurswaarde en de maximaal toelaatbare gevelbelasting kunnen drie situaties zich voordoen:

  • 1. Een gevelbelasting lager dan de voorkeurswaarde. Met deze waarde wordt voor geluidsgevoelige bebouwing binnen de invloedssfeer van een geluidsbron (wegen, spoorweg enz.) een vrij goede woon-/leefsituatie gegarandeerd. Voor geluidsgevoelige bebouwing met een gevelbelasting lager dan de voorkeurswaarde zijn geen nadere acties nodig om deze te realiseren.
  • 2. Een gevelbelasting tussen de voorkeurswaarde en de maximaal toelaatbare gevelbelasting. Voor deze situatie dienen bij voorkeur maatregelen te worden getroffen om de gevelbelasting terug te brengen tot een waarde die lager is dan de voorkeurswaarde. Wanneer er overwegende bezwaren zijn vanuit een stedenbouwkundig, verkeerskundig, landschappelijk of financieel oogpunt dan kan voor de geluidsgevoelige bebouwing een hogere grenswaarde worden aangevraagd. De gemeente heeft hiervoor in 2008 de Beleidsregel Hogere Grenswaarde vastgesteld, die aangeeft in welke situaties een hogere grenswaarde kan worden verleend.
  • 3. Een gevelbelasting hoger dan de maximaal toelaatbare gevelbelasting. Voor een dergelijke situatie is de bouw van geluidsgevoelige bebouwing in principe niet mogelijk, tenzij er geluidsbeperkende maatregelen worden getroffen waardoor de gevelbelasting daalt tot een waarde lager dan de voorkeurswaarde of de maximaal toelaatbare gevelbelasting.

Wanneer de voorkeurswaarde uit de Wgh wordt overschreden kan ook de akoestische binnenwaarde worden overschreden. Volgens artikel 111a van de Wgh moet ten gevolge van wegverkeerslawaai een binnenwaarde van 33 dB bij een nieuwe woning worden gegarandeerd. Voor de akoestische binnenwaarde ten gevolge van wegverkeer mag de aftrek ex artikel 110g van de Wgh (een aftrek van 2 of 5 dB) niet worden toegepast. Mogelijk moeten voor de woningen met een hogere gevelbelasting dan de voorkeursgrenswaarde aanvullende isolerende voorzieningen worden getroffen om de akoestische binnenwaarde te halen.

Daarnaast liggen langs wegen en spoorlijnen zones. Binnen deze zones moet voor de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bebouwing akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De wettelijke zone van een landelijke spoorweg is onder andere afhankelijk van het aantal bakken (wagons) dat per uur over de spoorlijn rijdt. Voor geluidsgevoelige bebouwing die wordt gerealiseerd in de zone van landelijke spoorwegen moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd conform artikel 106 van de Wgh.

De zone van een spoorlijn varieert tussen de 100 meter voor een rustige spoorlijn en 1.200 meter voor een zeer drukke spoorlijn. Door de gemeente Hof van Twente loopt de spoorlijn Zutphen - Hengelo (traject 160). Deze spoorlijn heeft een zone van 100 meter. De zone wordt gemeten vanuit de buitenste spoorstaaf.

De zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken en het type gebied waarin de weg ligt. In onderstaande tabel zijn de zones weergegeven welke gelden in buitenstedelijk gebied, volgens artikel 74 lid 1 van de Wgh. De zone ligt aan weerszijden van de weg en is gemeten vanuit de wegas. In de zones is akoestisch onderzoek nodig naar de gevelbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de betreffende weg.

Aantal rijstroken   Buitenstedelijk gebied  
1 of 2 rijstroken   250 meter  
3 of 4 rijstroken   400 meter  
5 of meer rijstroken   600 meter  

Industrielawaai

In de Wgh is bepaald dat rond industrieterreinen waarop bepaalde, krachtens de Wet milieubeheer, aangewezen inrichtingen zijn gevestigd of zich mogen vestigen (grote lawaaimakers), een geluidszone moet zijn vastgesteld. In artikel 2.4 van het Inrichtingen en vergunningenbesluit is vastgelegd welke inrichtingen als grote lawaaimaker moeten worden beschouwd. Buiten de geluidszone rondom een industrieterrein mag de gezamenlijke geluidbelasting van de op het industrieterrein gevestigde inrichtingen niet hoger zijn dan 50 dB(A) etmaalwaarde.

Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel lawaaimakers als aan woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Lawaaimakers kunnen aan de ene kant hun geluidproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen (gezondheidsgebouwen, onderwijsgebouwen, binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de lawaaimakers toe. Een eenmaal vastgestelde zone kan worden gewijzigd. Een wijziging van een zone is echter niet toegestaan voor het gebied waar een hogere geluidsbelasting optreedt dan 50 dB(A) als gevolg van het gezoneerde industrieterrein. De wijziging moet tevens worden vastgelegd in het bestemmingsplan.

Indien zich binnen de geluidszone woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen bevinden, gelden daarvoor aparte regels. Voor woningen zijn deze regels te vinden in de Wgh zelf en voor andere geluidsgevoelige bestemmingen in het Besluit geluidhinder.

In voorliggend bestemmingsplan zijn twee geluidgezoneerde industrieterreinen gelegen, de industrieterreinen Haven Markelo en Haven Goor. De zones zijn opgenomen op de verbeelding en in de regels.

Nota geluidbeleid gemeente Hof van Twente

In het geluidbeleid en geluidwetgeving doen zich ontwikkelingen voor met betrekking tot deregulering, marktwerking en externe integratie.

Deze ontwikkelingen leggen de verantwoordelijkheid met betrekking tot het voorkomen en beperken van geluidhinder bij lokale overheden neer. Gemeenten hebben beleidsvrijheid om specifiek gebiedsgericht geluidbeleid te ontwikkelen inclusief bijbehorende reductiedoelstellingen en te nemen maatregelen.

De wijziging in geluidwet- en regelgeving met onder andere decentralisatie van geluidtaken naar de gemeente, jurisprudentie, de wens tot harmonisatie van het gemeentelijk geluidbeleid in regionaal verband en de aankondiging van een “geluidnota” in het milieubeleidsplan 2011 - 2014, hebben geresulteerd in voorliggende nota gebiedsgericht geluidbeleid gemeente Hof van Twente, verder de nota. Voorliggende nota bevat onze visie, beleidsambities en acties op het gebied van geluid voor de periode 2011 - 2012. De nota wordt in samenhang met de “Beleidsregel hogere grenswaarden, voorkeursgrenswaarden en ten hoogste toelaatbare geluidbelasting gemeente Hof van Twente 2011” gelezen en gebruikt.

Overheden hebben de afgelopen decennia actief beleid gevoerd en ervaringen opgedaan op het gebied van het voorkomen en beperken van hinder door industrielawaai en verkeerslawaai. Primair dient via ruimtelijke ordening afstand bewaard te worden tussen geluidsbron en ontvanger om zodoende het optreden van hinder als gevolg van industrie- en/of verkeerslawaai te voorkomen. De geluidsituatie wordt formeel vastgelegd via de Wet milieubeheer (Wm) instrumenten zoals vergunningverlening.

Middels een goede ruimtelijke ordening waarbij het VNG-boekje Bedrijven en Milieuzonering een belangrijke rol speelt, wordt gestreefd naar behoud en ontwikkeling van een acceptabel woon- en leefklimaat ook uit geluidoogpunt. Bij het projecteren van nieuwe woningen in de nabijheid van luidruchtige inrichtingen worden de in de nota opgenomen grenswaarden gehanteerd op grond waarvan het noodzakelijk kan zijn een bepaalde afstand tussen de geluidsbron en de nieuwe bestemming aan te houden.

Natuur- en extensiveringsgebieden

De geluidambitie voor het wegverkeer is 43 dB(A). De plafondwaarde voor het wegverkeer is 53 dB(A) bij nieuwe bestemmingen en 58 dB(A) bij aanleg of wijziging van een weg. De geluidambitie voor industrielawaai is 40 dB(A), 35 dB(A) en 30 dB(A) voor respectievelijke de dag-, avond- en nachtwaarde. De plafondwaarde is respectievelijk 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A).

Verwevings- en landbouwontwikkelingsgebieden

De geluidsambitie voor het wegverkeer is 43 dB(A) met als plafondwaarde 53 dB(A) bij nieuwe bestemmingen en 58 dB(A) bij aanleg of wijziging van een weg. De geluidambitie voor industrielawaai is 45 dB(A), 40 dB(A) en 35 dB(A), de plafondwaarden zijn 55 dB(A), 50 dB(A) en 45 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Rood voor rood

Onder de voorwaarde dat versterking van de ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt, nieuwbouw van woningen op de slooplocatie of op een andere geschikte locatie kan plaatsvinden. Nieuwbouw van rood voor rood-woningen wordt uit oogpunt van geluid toegestaan indien het geluid van het wegverkeer op de gevel maximaal 53 dB(A) bedraagt. Ontheffing hiervan is mogelijk tot een absoluut maximum van 58 dB(A) via een hogere grenswaarde procedure.

Als plafondwaarde voor industrielawaai op de gevel van de nieuw te bouwen woning gelden de normwaarden voor het gebied waarin de nieuw te bouwen woning zich bevindt. Voorwaarde is dat een binnenniveau van maximaal 35 dB(A) is gegarandeerd.

7.2.4 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij gaat in op de toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten. Geurgevoelige objecten zijn objecten welke juridisch/planologisch bestemd zijn voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of daarmee vergelijkbare wijze van gebruik worden gebruikt.

Buiten de bebouwde kom geldt dat een veehouderij geen grotere geurbelasting op geurgevoelige objecten mag hebben van 14 odourunits/m3 lucht.

Daarnaast wordt aangegeven dat in bestaande situaties de afstand van de buitenzijde van een dierverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom minimaal 25 m moet bedragen.

In nieuwe situaties welke door het toepassen van een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijzigingsbevoegdheid ontstaan, dient de afstand van de veehouderij tot nieuwe geurgevoelige objecten tenminste 50 m te bedragen.

Zodra een ontwikkeling zich voordoet, die met een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijziging mogelijk kan worden gemaakt, wordt op dat moment het aspect geur onderzocht aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving en normen.

Plattelandswoningen

Op 22 maart 2011 heeft de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu van de Tweede Kamer gesproken over de voorbereiding van een wetsvoorstel inzake 'plattelandswoningen'. Het gaat hierbij om de bewoning van (voormalige) agrarische bedrijfswoningen door derden, die geen binding (meer) hebben met het agrarische bedrijf, zonder dat dit (extra) beperkingen stelt aan het exploiteren van het agrarische bedrijf zelf. Hoewel de strekking van het wetsvoorstel dat eind 2011 naar de Tweede Kamer is gestuurd helder is, kan nog niet op de precieze inhoud van een mogelijke wetswijziging vooruit worden gelopen.

Doelstelling van het wetsvoorstel is te voorkomen dat een woning, die van een agrarisch bedrijf is afgesplitst en als burgerwoning in gebruik is, als milieugevoelig geldt ten opzichte van het nabijgelegen agrarische bedrijf . In dit bestemmingsplan hebben de woningen, die na 19 maart 2000 van een agrarisch bedrijf zijn afgesplitst ten behoeve van bewoning door derden of als compensatie voor sloop zijn gerealiseerd, de aanduiding 'plattelandswoning' gekregen (zie bijlage 9 van de regels). Deze aanduiding houdt geen extra mogelijkheden of beperkingen op grond van het bestemmingsplan in. De aanduiding maakt het mogelijk om, indien de wet ongewijzigd in werking treedt, deze direct toe te kunnen passen, en milieugevoeligheid van deze woningen bij te stellen.

Tevens is er, voorsorterend op dit wetsvoorstel, via een afwijking de mogelijkheid opgenomen om bedrijfswoningen af te splitsten van het agrarische bedrijf en deze als burgerwoning in gebruik te nemen.

7.2.5 Bedrijven en milieuzonering

Voorliggend plan biedt bij recht geen mogelijkheden om milieubelastende functies te realiseren die van invloed kunnen zijn op gevoelige functies. Nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied die met een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels- of wijzigingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt worden veelal getoetst aan de brochure Bedrijven en Milieuzonering van de VNG. Daarin zijn richtafstanden van milieubelastende functies ten opzichte van milieugevoelige functies opgenomen. Indien voldaan kan worden aan de gestelde richtafstanden, mag verondersteld worden dat de op te richten (hinderveroorzakende) functie geen belemmeringen en/of hinder geeft voor omliggende gevoelige functies als wonen. De gemeente hanteert sinds 2009 de Beleidsregel 'weigeren milieuvergunning wegens strijdigheid met geldend planologisch regime'. Daarin wordt aangegeven wanneer milieuvergunningen geweigerd worden als de activiteit niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan.

7.2.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico's bij onder meer de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden.

Voor de oriënterende waarde en richtwaarde geldt dat afwijken alleen met een degelijke motivering is toegestaan. Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is.

Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen, zoals een chemische fabriek of een lpg-tankstation, en de mobiele bronnen, zoals een tankwagen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0028.jpg"

Uitsnede van de risicokaart (bron: provincie Overijssel)

Stationaire bronnen

In het plangebied is het bedrijf Elementis Specialties (vroeger Sasol Servo en Condea Servo B.V. geheten) aanwezig op de locatie Langestraat 167 te Delden. Hier vindt opslag en verlading van gevaarlijke stoffen plaats. Binnen de 10-6 contour (plaatsgebonden risicocontour) zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig. Uit de berekening van het groepsrisico (1 september 2006) blijkt dat het aantal slachtoffers minder dan tien is en ligt onder de oriëntatiewaarde risico inrichtingen. Gelet op de huidige planologische situatie van het bedrijf en de mogelijkheden in dit bestemmingsplan wordt gesteld dat het risico aanvaardbaar is.

Binnen de opgenomen risicocontour zijn geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten zijn toegestaan. Dit kan alleen als blijkt dat een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden wat blijkt uit onderzoek.

Mobiele bronnen

De aspecten gasleidingen, hoogspanningsleidingen en de Bevi-inrichting vormen vanwege het consoliderende karakter van onderhavig plan geen belemmering voor de uitvoerbaarheid. Hier wordt niet verder op ingegaan.

Het aspect transport gevaarlijke stoffen over de weg wordt hier wel aangehaald, aangezien dit niet direct aan één bestemming kan worden gekoppeld.

De regelgeving voor externe veiligheid met betrekking tot transport van gevaarlijke stoffen is geregeld in de circulaire “Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen” en het concept Basisnet Weg, Water en Spoor. Naar verwachting wordt het Basisnet in 2010 vastgesteld. Algemeen geldt dat het plaatsgebonden risico langs wegen niet als probleem wordt gezien. Het groepsgebonden risico wordt alleen een probleem daar waar de gebruiksintensiteit van een gebied erg hoog is.

In het kader van het MER is het bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente getoetst aan de relevante normen voor externe veiligheid.

Rijksweg A1/A35

De veiligheidszone bedraagt voor het beschouwde wegdeel 0 meter, wat betekent dat de 10-6 / jaar plaatsgebonden risicocontour niet verder dan 0 meter uit het hart van de snelweg kan komen. Aangezien er op 0 meter uit het hart van de lijn geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten aanwezig zijn, is aan de normen voor het plaatsgebonden riico voldaan. Uit de berekening van de groepsrisico's blijkt bovendien dat de curven van de A1 en A35 de oriëntatiewaarden van de groepsrisico's niet overschrijden.

Spoorlijn Delden-Hengelo

Voor de spoorlijn Delden-Hengelo blijkt uit de berekening dat geen 10-6 contour aanwezig is. Dit betekent dat het plaatsgebonden risico als gevolg van vervoer van gevaarlijke stoffen over deze spoorlijn geen belemmering vormt voor het mogelijk maken van de nieuwe ontwikkelingen. Uit de berekening van het groepsrisico blijkt dat de curve de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschrijdt.

Defensie Pijplijn Organisatie (DPO) leidingen

Geen van de beschouwde DPO leidingen heeft een 0-6/jaar plaatsgebonden risicocontour. Daarmee is automatisch voldaan aan de plaatsgebonden risico normen.

De DPO-leidingen kennen bovendien geen groepsrisico: de grafieken van het groepsrisico blijven leeg. Dit betekent dat de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden en dat het maximale groepsrisico beneden de 0,1 maal de oriëntatiewaarde blijft. Ook is aangetoond dat door het realiseren van het bestemmingsplan het groepsrisico niet toeneemt.

Hogedruk-aardgasleidingen

Van de doorgerekende leidingen hebben twee leidingen een 10-6/jaar-contour. Het betreft:

  • N-557-57: 10-6/jaar-contour treedt op twee geïsoleerde plaatsen op en heeft dan een breedte van maximaal 10 m gemeten vanaf het hart van de leiding. Binnen deze contour zijn geen objecten aanwezig. Er is voldaan aan het Bevb.
  • A-508: 10-6/jaar-contour ligt op en afstand van circa 90 meter van het hart van de leiding. Binnen de contour zijn op diverse plekken beperkt kwetsbaar objecten aanwezig: er is niet voldaan aan een richtwaarde van het Bevb. Hierover wordt afstemming gezocht met de Gasunie.

De overige leidingen hebben geen 10-6/jaar-plaatsgebonden risicocontour. Daarmee is automatisch voldaan aan de plaatsgebonden risico normen.

Het Bevb schrijft voor: “Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object wordt toegelaten, wordt tevens het groepsrisico in het invloedsgebied van de buisleiding verantwoord”. Dit betekent dat voor leidingen met groepsrisico (d.w.z. een groepsrisico is aanwezig bij meer dan 10 personen) in het kader van de ruimtelijke procedure voor een bestemmingsplan een invulling van de verantwoordingsplicht noodzakelijk is.

Geconstateerd wordt dat het berekende maximale groepsrisico per km beneden de oriëntatiewaarde blijft voor alle berekende trajecten. Ook blijft het maximale groepsrisico voor alle trajecten beneden de 0,1 x de oriëntatiewaarde. Een van de uitgangspunten was dat de bevolkingssituatie van het vigerende bestemmingsplan en de bevolkingssituatie van het nieuwe bestemmingsplan identiek zijn: er is dus geen toename van het groepsrisico als gevolg van het realiseren van het bestemmingsplan.

7.3 Water

Om te garanderen dat water voldoende aandacht krijgt bij het opstellen van ruimtelijke plannen is de zogenaamde 'watertoets' in het leven geroepen. Hiertoe hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen de “Bestuurlijke notitie Waterbeleid in de 21e  eeuw” en de “Handreiking watertoets” ondertekend. Doel van de watertoets is het vroegtijdig en expliciet betrekken van de waterbeheerders bij het planproces. Het resultaat hiervan wordt vastgelegd in de zogenaamde 'waterparagraaf'.

Voorliggende waterparagraaf maakt verplicht deel uit van het bestemmingsplan en bevat de resultaten van de watertoets. Daarnaast biedt de waterparagraaf inzicht in het overlegproces dat in het kader van de watertoets met de waterbeheerders is gevoerd.

De belangrijkste partners op het gebied van waterbeleid zijn op hoofdlijnen de Europese Unie en het Rijk en de provincie en meer specifiek Rijkswaterstaat, de waterschappen en gemeenten. Het Rijk geeft richting aan het beleid op hoofdlijnen, daarbij rekening houdend met de Europese “Kaderrichtlijn Water”. Binnen deze kaders zorgen provincies, waterschappen en gemeenten voor een integraal waterbeheer waarbij belangen worden afgewogen. Het waterschap Rijn en IJssel en het waterschap Regge en Dinkel behartigen alle aspecten van het beheer van de regionale wateren. Een uitzondering betreft de grondwateraspecten, waarvoor de provincie als waterbeheerder geldt.

Water in dit bestemmingsplan

De gemeente acht een duurzaam en veilig watersysteem van belang. De gemeente heeft bij het opstellen van het bestemmingsplan afstemming gezocht met het waterschap Rijn en IJssel en het waterschap Regge en Dinkel. De A-watergangen zijn rechtstreeks opgenomen met een bestemming 'Water' op de verbeelding. Tevens is rekening gehouden met de 100 meter beschermingszone rond essentiële watergangen als opgenomen in het Provinciaal Omgevingsplan. Ook intrekgebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en waterwingebieden zijn bestemd en komen op de kaart terug. Ter bescherming van de waterkwaliteit is ter plaatse van de gebiedsaanduidingen milieuzone grondwaterbeschermingsgebied, waterintrekgebied en waterwingebied zijn in afwijking van het bepaalde in de daar voorkomende bestemmingen de uitoefening van (glas)tuinbouw, fruit- en boomteelt niet toegestaan. Deze bepaling is niet van toepassing op akkerbouw.

Aangezien het bestemmingsplan conserverend van aard is en verder geen directe ontwikkelingen mogelijk maakt zijn effecten op de waterhuishouding verder niet te verwachten. Wanneer zich een ontwikkeling voordoet dient op dat moment aan het aspect water te worden getoetst. In algemene zin zijn ingrepen die significant effect kunnen hebben op de waterhuishouding, zoals het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen en het aanbrengen van verhardingen, niet bij recht toegestaan, maar gekoppeld aan een omgevingsvergunning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS40_0029.jpg"

Indicatieve weergave van de waterschappen binnen de gemeente Hof van Twente

Keur

Zaken die in de Keur van de waterschappen zijn geregeld zijn in het bestemmingsplan niet opgenomen. Dit zou immers resulteren in een dubbele regelgeving. Werkzaamheden die tot het normale onderhoud van watergangen behoren zijn vrij van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden. Doel van de Keur is het veiligstellen van de waterstaatkundige en daaraan verbonden ecologische belangen. De Keur bevat daartoe geboden en verboden (met betrekking tot wateren) ter bescherming van de aan- en afvoer van water en het bergend vermogen van het waterhuishoudkundig systeem. De Keur bestaat uit drie gedeelten: een algemeen gedeelte, een gedeelte met betrekking tot wateren en een gedeelte met betrekking tot waterkeringen.

7.4 Flora- en fauna

In het kader van gebiedsbescherming en soortenbescherming zoals geregeld in de Natuurbeschermingswet (waarin de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn opgenomen) en de Flora- en faunawet dient bij ruimtelijke ingrepen te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op mogelijk aanwezige beschermde soorten. Het voorliggende plan is vooral gericht op het beheersmatig bestemmen van de huidige situatie, maar er worden ook kleinschalige ontwikkelingsmogelijkheden geboden. Zo kunnen agrarische bedrijven binnen hun bouwpercelen bebouwing oprichten en is natuurontwikkeling in bepaalde gebieden mogelijk. Deze ingrepen hebben mogelijk invloed op beschermde planten en dieren die ter plaatse voorkomen.

De ruimtelijke ingrepen die in dit bestemmingsplan buitengebied mogelijk worden gemaakt, hebben over het algemeen een beperkte schaal en zullen met name in het agrarisch gebied en bovendien op bestaande bouwpercelen plaatsvinden.

Deze ingrepen zullen mogelijk plaatselijk leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten, bijvoorbeeld door verontrusting van de soorten of het aantasten van holen of broedplaatsen. Indien dit het geval is zal hiervoor in het kader van de natuurwetgeving een ontheffing moeten worden aangevraagd. Een ontheffing wordt in de meeste gevallen verleend; voor veel soorten kan zelfs worden volstaan met een algemene vrijstelling. Er zijn daarom op voorhand geen aanwijzingen dat deze recente wetgeving zal leiden tot onoverkomelijke problemen bij de uitvoering van dit bestemmingsplan. Het kan echter voorkomen dat een bepaalde ingreep op basis van de natuurwetgeving niet kan worden uitgevoerd (omdat er alternatieven zijn die minder of geen schade aan beschermde flora en fauna aanbrengen) of dat verzachtende of compenserende (inrichtings)maatregelen moeten worden getroffen. Zodra een initiatief zich voordoet waaraan door middel van afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijziging medewerking verleend kan worden, wordt op dat moment het aspect soortenbescherming en gebiedsbescherming onderzocht aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving.

7.5 Economische uitvoerbaarheid

Voorliggend bestemmingsplan is een plan dat met name is gericht op het beheer van de bestaande ruimtelijke situatie van het buitengebied van Hof van Twente.

Op grond van de Wro kan de gemeenteraad een exploitatieplan vaststellen voor gronden waarop een bij algemene maatregels van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Onder een bouwplan wordt in dit kader het volgende verstaan:

  • de bouw van een of meer woningen;
  • de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;
  • de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 of met een of meer woningen;
  • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1000 m2 bedraagt;
  • de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2.

De gemeenteraad kan echter ook besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen als:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld niet noodzakelijk is, en
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels niet noodzakelijk is.

Er worden met dit bestemmingsplan geen (grootschalige) ontwikkelingen in het landelijk gebied toegestaan waarvan de economische uitvoerbaarheid ter discussie zou kunnen staan. De mogelijkheden die het plan biedt ten aanzien van ontwikkelingen kunnen op particulier initiatief toegepast worden (met instemming van de gemeente).

Bij het oprichten van particuliere initiatieven binnen de bepalingen van het bestemmingsplan bestaan er geen kosten voor de gemeente.

Via de legesverordening worden kosten reeds doorgerekend aan initiatiefnemers. Ook het aspect planschade wordt doorberekend aan initiatiefnemers. Van het stellen van nadere eisen, regels, e.d. is in dit plan geen sprake. Ook het aspect uitwerking of fasering is in dit plan niet aan de orde. Het opstellen van een exploitatieplan wordt dan ook niet noodzakelijk geacht en is achterwege gelaten.

Hoofdstuk 8 Procedure

8.1 Vooroverleg

Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de provincie die betrokken is bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast is met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Het bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente 2013 is ter vooroverleg aangeboden aan:

  • Provincie Overijssel
  • Waterschap Regge en Dinkel
  • Waterschap Rijn en IJssel

8.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente 2013 heeft met bijbehorende stukken met ingang van 26 januari 2012 gedurende 6 weken voor een ieder ter inzage gelegen overeenkomstig artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan zijn binnen de daarvoor gestelde termijn PM zienswijzen naar voren gebracht.

8.3 Beroep

Op 18 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan “Buitengebied Hof van Twente” vastgesteld. Tegen het bestemmingsplan zijn 18 beroepen ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna Afdeling).

Op 5 maart 2014 heeft de Afdeling uitspraak gedaan inzake de ingestelde beroepen. De Afdeling heeft vastgesteld dat het bestemmingsplan op onderdelen niet juist is.

De 18 beroepschriften betroffen veelal individuele percelen van appellanten. Het grootste en belangrijkste onderdeel dat gerepareerd moet worden heeft betrekking op de agrarische bouwvlakken in de landbouwontwikkelingsgebieden en de agrarische bouwvlakken met een aanduiding intensieve veehouderij in de verwevingsgebieden. Kort samengevat betreft de uitspraak voor deze onderdelen het volgende.

De Afdeling heeft het bestemmingsplan voor wat betreft de plandelen met de bestemming “Agrarisch” en de bestemming “Agrarisch met waarden”, met de aanduiding “Reconstructiewetzone – landbouwontwikkelingsgebied” vernietigd. De vernietiging betreft uitsluitend de bouwvlakken.

Verder heeft de Afdeling een voorlopige voorziening getroffen voor de plandelen met de bestemming “Agrarisch” en de bestemming “Agrarisch met waarden”, met de aanduiding “Reconstructiewetzone – verwevingsgebieden”.

De reden hiervoor is dat de maximale milieugevolgen van het bestemmingsplan niet voldoende zijn onderzocht in de Milieueffectrapportage (hierna Mer). Hierdoor is het plan deels vernietigd (LOG's) en deels bevroren (verwevingsgebieden).

Na afweging van alle belangen heeft de Afdeling besloten de raad van de gemeente Hof van Twente in de gelegenheid te stellen het bestemmingsplan binnen een termijn van 1 jaar te herstellen.

Door de gemeenteraad is eerder de wens uitgesproken om in aanvulling op het bestemmingsplan “Buitengebied Hof van Twente” de volgende onderwerpen planologisch te regelen.

  • 1. De inhoud van woningen in het buitengebied vergroten.
  • 2. Aanpassen van de Rood voor rood regeling.

Het gerepareerde bestemmingsplan “Buitengebied Hof van Twente” voorziet in het repareren van de vernietigde onderdelen en het regelen van deze twee onderwerpen alsmede enkele andere percelen waarvan geconstateerd is dat die niet goed opgenomen waren in het bestemmingsplan “Buitengebied Hof van Twente”. Het nu voorliggende bestemmingsplan omvat eveneens het gehele buitengebied.