direct naar inhoud van 5.2 Milieuaspecten
Plan: Buitengebied Hof van Twente
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS30

5.2 Milieuaspecten

Ten aanzien van de toets van de onderstaande milieuaspecten wordt aangehaakt op het Milieubeleidsplan Hof van Twente 2005-2008.

5.2.1 Bodem

Ten behoeve van dit bestemmingsplan is geen nader onderzoek naar de bodemgesteldheid gedaan (op grond van de Wet bodembescherming). In principe dient bij elke nieuwe ruimtelijke ontwikkeling te worden nagegaan of de bodem en het grondwater vrij zijn van verontreiniging en daarmee geschikt zijn voor de nieuwe functie. Zodra zich een ontwikkeling voordoet die met een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijziging mogelijk wordt gemaakt, wordt op dat moment het aspect bodem onderzocht aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving en normen.

5.2.2 Lucht

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichts bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diversie regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden.

Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m3 verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM.

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten opzichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.

Zodra een ontwikkeling zich voordoet, welke met een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijziging mogelijk kan worden gemaakt, wordt op dat moment het aspect luchtkwaliteit onderzocht aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving en normen.

5.2.3 Geluid

Het aspect geluid vloeit voort uit de Wet geluidhinder en kan worden onderverdeeld in geluid afkomstig van wegverkeer, railverkeer en industrie. De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het kader voor toetsing van initiatieven.

Wegverkeer en railverkeer

De hoogte van de maximaal toegestane gevelbelasting is onder andere afhankelijk van de geluidsbron (weg- of railverkeer) en de ligging van de geluidsgevoelige bebouwing (stedelijk of buitenstedelijk gebied).

In de onderstaande tabel is de meest voorkomende maximaal toegestane gevelbelastingen uit de Wgh voor wegverkeer en uit het Besluit geluidhinder (BGH) voor railverkeer weergegeven ten aanzien van buitenstedelijk gebied:

  wegverkeer   railverkeer  
voorkeurswaarde   48 dB (art. 82)   55 dB (art. 4.9 lid 1)  
Maximale ontheffingswaarde voor buitenstedelijke locaties   53 dB (art. 83 lid 1)   68 dB (art. 4.10)  
Maximale ontheffingswaarde voor binnenstedelijke locaties   58 dB (art. 83 lid 5)   n.v.t.  

Gezien de voorkeurswaarde en de maximaal toelaatbare gevelbelasting kunnen drie situaties zich voordoen:

  • 1. Een gevelbelasting lager dan de voorkeurswaarde. Met deze waarde wordt voor geluidsgevoelige bebouwing binnen de invloedssfeer van een geluidsbron (wegen, spoorweg enz.) een vrij goede woon-/leefsituatie gegarandeerd. Voor geluidsgevoelige bebouwing met een gevelbelasting lager dan de voorkeurswaarde zijn geen nadere acties nodig om deze te realiseren.
  • 2. Een gevelbelasting tussen de voorkeurswaarde en de maximaal toelaatbare gevelbelasting. Voor deze situatie dienen bij voorkeur maatregelen te worden getroffen om de gevelbelasting terug te brengen tot een waarde die lager is dan de voorkeurswaarde. Wanneer er overwegende bezwaren zijn vanuit een stedenbouwkundig, verkeerskundig, landschappelijk of financieel oogpunt dan kan voor de geluidsgevoelige bebouwing een hogere grenswaarde worden aangevraagd. De gemeente heeft hiervoor in 2008 de Beleidsregel Hogere Grenswaarde vastgesteld, die aangeeft in welke situaties een hogere grenswaarde kan worden verleend.
  • 3. Een gevelbelasting hoger dan de maximaal toelaatbare gevelbelasting. Voor een dergelijke situatie is de bouw van geluidsgevoelige bebouwing in principe niet mogelijk, tenzij er geluidsbeperkende maatregelen worden getroffen waardoor de gevelbelasting daalt tot een waarde lager dan de voorkeurswaarde of de maximaal toelaatbare gevelbelasting.

Wanneer de voorkeurswaarde uit de Wgh wordt overschreden kan ook de akoestische binnenwaarde worden overschreden. Volgens artikel 111a van de Wgh moet ten gevolge van wegverkeerslawaai een binnenwaarde van 33 dB bij een nieuwe woning worden gegarandeerd. Voor de akoestische binnenwaarde ten gevolge van wegverkeer mag de aftrek ex artikel 110g van de Wgh (een aftrek van 2 of 5 dB) niet worden toegepast. Mogelijk moeten voor de woningen met een hogere gevelbelasting dan de voorkeursgrenswaarde aanvullende isolerende voorzieningen worden getroffen om de akoestische binnenwaarde te halen.

Daarnaast liggen langs wegen en spoorlijnen zones. Binnen deze zones moet voor de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bebouwing akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De wettelijke zone van een landelijke spoorweg is onder andere afhankelijk van het aantal bakken (wagons) dat per uur over de spoorlijn rijdt. Voor geluidsgevoelige bebouwing die wordt gerealiseerd in de zone van landelijke spoorwegen moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd conform artikel 106 van de Wgh.

De zone van een spoorlijn varieert tussen de 100 meter voor een rustige spoorlijn en 1.200 meter voor een zeer drukke spoorlijn. Door de gemeente Hof van Twente loopt de spoorlijn Zutphen - Hengelo (traject 160). Deze spoorlijn heeft een zone van 100 meter. De zone wordt gemeten vanuit de buitenste spoorstaaf.

De zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken en het type gebied waarin de weg ligt. In onderstaande tabel zijn de zones weergegeven welke gelden in buitenstedelijk gebied, volgens artikel 74 lid 1 van de Wgh. De zone ligt aan weerszijden van de weg en is gemeten vanuit de wegas. In de zones is akoestisch onderzoek nodig naar de gevelbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de betreffende weg.

Aantal rijstroken   Buitenstedelijk gebied  
1 of 2 rijstroken   250 meter  
3 of 4 rijstroken   400 meter  
5 of meer rijstroken   600 meter  

Industrielawaai

In de Wgh is bepaald dat rond industrieterreinen waarop bepaalde, krachtens de Wet milieubeheer, aangewezen inrichtingen zijn gevestigd of zich mogen vestigen (grote lawaaimakers), een geluidszone moet zijn vastgesteld. In artikel 2.4 van het Inrichtingen en vergunningenbesluit is vastgelegd welke inrichtingen als grote lawaaimaker moeten worden beschouwd. Buiten de geluidszone rondom een industrieterrein mag de gezamenlijke geluidbelasting van de op het industrieterrein gevestigde inrichtingen niet hoger zijn dan 50 dB(A) etmaalwaarde.

Met zonering wordt beoogd rechtszekerheid te bieden aan zowel lawaaimakers als aan woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen. Lawaaimakers kunnen aan de ene kant hun geluidproducerende activiteiten niet onbeperkt uitbreiden ter bescherming van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen (gezondheidsgebouwen, onderwijsgebouwen, binnen en buiten de zone. Aan de andere kant wordt, ter bescherming van hun akoestische ruimte, voorkomen dat woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen te veel oprukken naar de lawaaimakers toe. Een eenmaal vastgestelde zone kan worden gewijzigd. Een wijziging van een zone is echter niet toegestaan voor het gebied waar een hogere geluidsbelasting optreedt dan 50 dB(A) als gevolg van het gezoneerde industrieterrein. De wijziging moet tevens worden vastgelegd in het bestemmingsplan.

Indien zich binnen de geluidszone woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen bevinden, gelden daarvoor aparte regels. Voor woningen zijn deze regels te vinden in de Wgh zelf en voor andere geluidsgevoelige bestemmingen in het Besluit geluidhinder.

In voorliggend bestemmingsplan zijn twee geluidgezoneerde industrieterreinen gelegen, de industrieterreinen Haven Markelo en Haven Goor. De zones zijn opgenomen op de verbeelding en in de regels.

Nota geluidbeleid gemeente Hof van Twente

In het geluidbeleid en geluidwetgeving doen zich ontwikkelingen voor met betrekking tot deregulering, marktwerking en externe integratie.

Deze ontwikkelingen leggen de verantwoordelijkheid met betrekking tot het voorkomen en beperken van geluidhinder bij lokale overheden neer. Gemeenten hebben beleidsvrijheid om specifiek gebiedsgericht geluidbeleid te ontwikkelen inclusief bijbehorende reductiedoelstellingen en te nemen maatregelen.

De wijziging in geluidwet- en regelgeving met onder andere decentralisatie van geluidtaken naar de gemeente, jurisprudentie, de wens tot harmonisatie van het gemeentelijk geluidbeleid in regionaal verband en de aankondiging van een “geluidnota” in het milieubeleidsplan 2005 - 2008, hebben geresulteerd in voorliggende nota gebiedsgericht geluidbeleid gemeente Hof van Twente, verder de nota. Voorliggende nota bevat onze visie, beleidsambities en acties op het gebied van geluid voor de periode 2011 - 2020. De nota wordt in samenhang met de “Beleidsregel hogere grenswaarden, voorkeursgrenswaarden en ten hoogste toelaatbare geluidbelasting gemeente Hof van Twente 2011” gelezen en gebruikt.

Overheden hebben de afgelopen decennia actief beleid gevoerd en ervaringen opgedaan op het gebied van het voorkomen en beperken van hinder door industrielawaai en verkeerslawaai. Primair dient via ruimtelijke ordening afstand bewaard te worden tussen geluidsbron en ontvanger om zodoende het optreden van hinder als gevolg van industrie- en/of verkeerslawaai te voorkomen. De geluidsituatie wordt formeel vastgelegd via de Wet milieubeheer (Wm) instrumenten zoals vergunningverlening.

Middels een goede ruimtelijke ordening waarbij het VNG-boekje Bedrijven en Milieuzonering een belangrijke rol speelt, wordt gestreefd naar behoud en ontwikkeling van een acceptabel woon- en leefklimaat ook uit geluidoogpunt. Bij het projecteren van nieuwe woningen in de nabijheid van luidruchtige inrichtingen worden de in de nota opgenomen grenswaarden gehanteerd op grond waarvan het noodzakelijk kan zijn een bepaalde afstand tussen de geluidsbron en de nieuwe bestemming aan te houden.

Natuur- en extensiveringsgebieden

De geluidambitie voor het wegverkeer is 43 dB(A). De plafondwaarde voor het wegverkeer is 53 dB(A) bij nieuwe bestemmingen en 58 dB(A) bij aanleg of wijziging van een weg. De geluidambitie voor industrielawaai is 40 dB(A), 35 dB(A) en 30 dB(A) voor respectievelijke de dag-, avond- en nachtwaarde. De plafondwaarde is respectievelijk 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A).

Verwevings- en landbouwontwikkelingsgebieden

De geluidsambitie voor het wegverkeer is 43 dB(A) met als plafondwaarde 53 dB(A) bij nieuwe bestemmingen en 58 dB(A) bij aanleg of wijziging van een weg. De geluidambitie voor industrielawaai is 45 dB(A), 40 dB(A) en 35 dB(A), de plafondwaarden zijn 55 dB(A), 50 dB(A) en 45 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Rood voor rood

Onder de voorwaarde dat versterking van de ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt, nieuwbouw van woningen op de slooplocatie of op een andere geschikte locatie kan plaatsvinden. Nieuwbouw van rood voor rood-woningen wordt uit oogpunt van geluid toegestaan indien het geluid van het wegverkeer op de gevel maximaal 53 dB(A) bedraagt. Ontheffing hiervan is mogelijk tot een absoluut maximum van 58 dB(A) via een hogere grenswaarde procedure.

Als plafondwaarde voor industrielawaai op de gevel van de nieuw te bouwen woning gelden de normwaarden voor het gebied waarin de nieuw te bouwen woning zich bevindt. Voorwaarde is dat een binnenniveau van maximaal 35 dB(A) is gegarandeerd.

5.2.4 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij gaat in op de toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten. Geurgevoelige objecten zijn objecten welke juridisch/planologisch bestemd zijn voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of daarmee vergelijkbare wijze van gebruik worden gebruikt.

Buiten de bebouwde kom geldt dat een veehouderij geen grotere geurbelasting op geurgevoelige objecten mag hebben van 14 odourunits/m3 lucht.

Daarnaast wordt aangegeven dat in bestaande situaties de afstand van de buitenzijde van een dierverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom minimaal 25 m moet bedragen.

In nieuwe situaties welke door het toepassen van een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijzigingsbevoegdheid ontstaan, dient de afstand van de veehouderij tot nieuwe geurgevoelige objecten tenminste 50 m te bedragen.

Zodra een ontwikkeling zich voordoet, die met een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijziging mogelijk kan worden gemaakt, wordt op dat moment het aspect geur onderzocht aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving en normen.

Plattelandswoningen

Op 22 maart 2011 heeft de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu van de Tweede Kamer gesproken over de voorbereiding van een wetsvoorstel inzake 'plattelandswoningen'. Het gaat hierbij om de bewoning van (voormalige) agrarische bedrijfswoningen door derden, die geen binding (meer) hebben met het agrarische bedrijf, zonder dat dit (extra) beperkingen stelt aan het exploiteren van het agrarische bedrijf zelf. Hoewel de strekking van het wetsvoorstel dat eind 2011 naar de Tweede Kamer is gestuurd helder is, kan nog niet op de precieze inhoud van een mogelijke wetswijziging vooruit worden gelopen.

Doelstelling van het wetsvoorstel is te voorkomen dat een woning, die van een agrarisch bedrijf is afgesplitst en als burgerwoning in gebruik is, als milieugevoelig geldt ten opzichte van het nabijgelegen agrarische bedrijf . In dit bestemmingsplan hebben de woningen, die na 19 maart 2000 van een agrarisch bedrijf zijn afgesplitst ten behoeve van bewoning door derden of als compensatie voor sloop zijn gerealiseerd, de aanduiding 'plattelandswoning' gekregen (zie bijlage 9 van de regels). Deze aanduiding houdt geen extra mogelijkheden of beperkingen op grond van het bestemmingsplan in. De aanduiding maakt het mogelijk om, indien de wet ongewijzigd in werking treedt, deze direct toe te kunnen passen, en milieugevoeligheid van deze woningen bij te stellen.

Tevens is er, voorsorterend op dit wetsvoorstel, via een afwijking de mogelijkheid opgenomen om bedrijfswoningen af te splitsten van het agrarische bedrijf en deze als burgerwoning in gebruik te nemen.

5.2.5 Bedrijven en milieuzonering

Voorliggend plan biedt bij recht geen mogelijkheden om milieubelastende functies te realiseren die van invloed kunnen zijn op gevoelige functies. Nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied die met een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels- of wijzigingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt worden veelal getoetst aan de brochure Bedrijven en Milieuzonering van de VNG. Daarin zijn richtafstanden van milieubelastende functies ten opzichte van milieugevoelige functies opgenomen. Indien voldaan kan worden aan de gestelde richtafstanden, mag verondersteld worden dat de op te richten (hinderveroorzakende) functie geen belemmeringen en/of hinder geeft voor omliggende gevoelige functies als wonen. De gemeente hanteert sinds 2009 de Beleidsregel 'weigeren milieuvergunning wegens strijdigheid met geldend planologisch regime'. Daarin wordt aangegeven wanneer milieuvergunningen geweigerd worden als de activiteit niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan.

5.2.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico's bij onder meer de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden.

Voor de oriënterende waarde en richtwaarde geldt dat afwijken alleen met een degelijke motivering is toegestaan. Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is.

Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen, zoals een chemische fabriek of een lpg-tankstation, en de mobiele bronnen, zoals een tankwagen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS30_0023.jpg"

Uitsnede van de risicokaart (bron: provincie Overijssel)

Stationaire bronnen

In het plangebied is het bedrijf Elementis Specialties (vroeger Sasol Servo en Condea Servo B.V. geheten) aanwezig op de locatie Langestraat 167 te Delden. Hier vindt opslag en verlading van gevaarlijke stoffen plaats. Binnen de 10-6 contour (plaatsgebonden risicocontour) zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig. Uit de berekening van het groepsrisico (1 september 2006) blijkt dat het aantal slachtoffers minder dan tien is en ligt onder de oriëntatiewaarde risico inrichtingen. Gelet op de huidige planologische situatie van het bedrijf en de mogelijkheden in dit bestemmingsplan wordt gesteld dat het risico aanvaardbaar is.

Binnen de opgenomen risicocontour zijn geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten zijn toegestaan. Dit kan alleen als blijkt dat een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden wat blijkt uit onderzoek.

Mobiele bronnen

De aspecten gasleidingen, hoogspanningsleidingen en de Bevi-inrichting vormen vanwege het consoliderende karakter van onderhavig plan geen belemmering voor de uitvoerbaarheid. Hier wordt niet verder op ingegaan.

Het aspect transport gevaarlijke stoffen over de weg wordt hier wel aangehaald, aangezien dit niet direct aan één bestemming kan worden gekoppeld.

De regelgeving voor externe veiligheid met betrekking tot transport van gevaarlijke stoffen is geregeld in de circulaire “Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen” en het concept Basisnet Weg, Water en Spoor. Naar verwachting wordt het Basisnet in 2010 vastgesteld. Algemeen geldt dat het plaatsgebonden risico langs wegen niet als probleem wordt gezien. Het groepsgebonden risico wordt alleen een probleem daar waar de gebruiksintensiteit van een gebied erg hoog is.

In het kader van het MER is het bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente getoetst aan de relevante normen voor externe veiligheid.

Rijksweg A1/A35

De veiligheidszone bedraagt voor het beschouwde wegdeel 0 meter, wat betekent dat de 10-6 / jaar plaatsgebonden risicocontour niet verder dan 0 meter uit het hart van de snelweg kan komen. Aangezien er op 0 meter uit het hart van de lijn geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten aanwezig zijn, is aan de normen voor het plaatsgebonden riico voldaan. Uit de berekening van de groepsrisico's blijkt bovendien dat de curven van de A1 en A35 de oriëntatiewaarden van de groepsrisico's niet overschrijden.

Spoorlijn Delden-Hengelo

Voor de spoorlijn Delden-Hengelo blijkt uit de berekening dat geen 10-6 contour aanwezig is. Dit betekent dat het plaatsgebonden risico als gevolg van vervoer van gevaarlijke stoffen over deze spoorlijn geen belemmering vormt voor het mogelijk maken van de nieuwe ontwikkelingen. Uit de berekening van het groepsrisico blijkt dat de curve de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschrijdt.

Defensie Pijplijn Organisatie (DPO) leidingen

Geen van de beschouwde DPO leidingen heeft een 0-6/jaar plaatsgebonden risicocontour. Daarmee is automatisch voldaan aan de plaatsgebonden risico normen.

De DPO-leidingen kennen bovendien geen groepsrisico: de grafieken van het groepsrisico blijven leeg. Dit betekent dat de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden en dat het maximale groepsrisico beneden de 0,1 maal de oriëntatiewaarde blijft. Ook is aangetoond dat door het realiseren van het bestemmingsplan het groepsrisico niet toeneemt.

Hogedruk-aardgasleidingen

Van de doorgerekende leidingen hebben twee leidingen een 10-6/jaar-contour. Het betreft:

  • N-557-57: 10-6/jaar-contour treedt op twee geïsoleerde plaatsen op en heeft dan een breedte van maximaal 10 m gemeten vanaf het hart van de leiding. Binnen deze contour zijn geen objecten aanwezig. Er is voldaan aan het Bevb.
  • A-508: 10-6/jaar-contour ligt op en afstand van circa 90 meter van het hart van de leiding. Binnen de contour zijn op diverse plekken beperkt kwetsbaar objecten aanwezig: er is niet voldaan aan een richtwaarde van het Bevb. Hierover wordt afstemming gezocht met de Gasunie.

De overige leidingen hebben geen 10-6/jaar-plaatsgebonden risicocontour. Daarmee is automatisch voldaan aan de plaatsgebonden risico normen.

Het Bevb schrijft voor: “Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object wordt toegelaten, wordt tevens het groepsrisico in het invloedsgebied van de buisleiding verantwoord”. Dit betekent dat voor leidingen met groepsrisico (d.w.z. een groepsrisico is aanwezig bij meer dan 10 personen) in het kader van de ruimtelijke procedure voor een bestemmingsplan een invulling van de verantwoordingsplicht noodzakelijk is.

Geconstateerd wordt dat het berekende maximale groepsrisico per km beneden de oriëntatiewaarde blijft voor alle berekende trajecten. Ook blijft het maximale groepsrisico voor alle trajecten beneden de 0,1 x de oriëntatiewaarde. Een van de uitgangspunten was dat de bevolkingssituatie van het vigerende bestemmingsplan en de bevolkingssituatie van het nieuwe bestemmingsplan identiek zijn: er is dus geen toename van het groepsrisico als gevolg van het realiseren van het bestemmingsplan.