direct naar inhoud van 5.1 Plan-MER
Plan: Buitengebied Hof van Twente
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS20

5.1 Plan-MER

5.1.1 Algemeen

Voor dit bestemmingsplan is een plan-MER opgesteld (zie de separate bijlage Plan-MER Hof van Twente en Aanvulling naar aanleiding van voorlopig toetsingsadvies Commissie m.e.r.). Het MER heeft ten doel het milieu een volwaardige plaats te geven in het beleid. Het MER wordt niet als zelfstandig stuk vastgesteld, maar vormt wel een vast onderdeel bij het bestemmingsplan. De verplichting tot het opstellen van een plan-MER komt voort uit het kaderstellende karakter van de uitbreidingsmogelijkheden van de intensieve veehouderijen en uit het feit dat significant negatieve effecten op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden ten gevolge van de uitbreidingsmogelijkheden van de (intensieve)veehouderijen binnen het bestemmingsplan vooraf niet zijn uit te sluiten.

In het plan-MER worden de effecten van het bestemmingsplan op diverse aspecten, zoals natuur, landschap en cultuurhistorie en leefbaarheid en gezondheid, in beeld gebracht. De uitkomsten van het MER dienen mede ter onderbouwing van de haalbaarheid van het bestemmingsplan.

Om een goed inzicht te krijgen in de mogelijke effecten van het beleid is de huidige situatie ('scenario feitelijk') in het MER afgezet tegen vijf alternatieven/scenario's:

  • 1. autonome ontwikkeling nulgroei: realistisch scenario bij het vigerende bestemmingsplan;
  • 2. autonome ontwikkeling maximaal: maximale benutting van de mogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan;
  • 3. basisalternatief nulgroei: realistisch scenario bij het nieuwe bestemmingsplan;
  • 4. basisalternatief maximaal: maximale benutting van de mogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan;
  • 5. maximaal: maximale benutting van de mogelijkheden van het reconstructiebeleid.

In navolgende tabel zijn de gevolgen van het bestemmingsplan per thema in beeld gebracht.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS20_0021.jpg"

Betekenis van de score:

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.HVTBuitengebied-VS20_0022.jpg"

Onderstaand zijn de belangrijkste thema's uit het MER nader toegelicht, voor het volledige overzicht wordt naar het planMER zelf verwezen.

5.1.2 Natuur

Bepalend voor de beoordeling van het bestemmingsplan op het aspect Natuur is de invloed van de veehouderij op de stikstofdepositie in daarvoor gevoelige habitats.

Bij autonome ontwikkeling blijft de veebezetting nagenoeg gelijk. De vergunde ruimte wordt volledig opgevuld, waardoor het aantal dieren iets toeneemt. Maatregelen op grond van het Besluit huisvesting zorgen voor een daling van de ammoniakuitstoot en daardoor voor een daling van de ammoniakbelasting van de Natura 2000-gebieden.

In het Basisalternatief nulgroei is de totale veebezetting gelijk aan die bij autonome ontwikkeling, maar is de verdeling over het hele gebied anders als gevolg van concentratie in de LOG's Zeldam, Wiene en Markelose Broek en verlaging van de veebezetting elders. Dit heeft een positief effect op Natura 2000-gebied Boddenbroek, maar niet per sé voor de andere Natura 2000-gebieden. Over het geheel genomen is het effect iets gunstiger dan de huidige situatie of de situatie bij autonome ontwikkeling, maar afhankelijk van de precieze invulling kan het lokaal ook iets ongunstiger uitpakken. Vooral extra uitbreiding in het LOG Elsenerbroek zou het licht negatieve effect op de Borkeld kunnen versterken.

De scenario's met maximale groei laten een forse toename zien ten opzichte van de huidige en (nog meer) ten opzichte van de autonome ontwikkeling (bij nulgroei). Op grond van deze uitkomsten zijn significante effecten op de Natura 2000-gebieden niet uit te sluiten.

De regelgeving op grond van de Natuurbeschermingswet en de provinciale 'Beleidsregel Natura 2000 voor stikstof en veehouderijen' zorgt ervoor dat ontwikkelingen in de veehouderij geen significante effecten zullen hebben. Het beleid zal in zijn totaliteit resulteren in een lichte afname van de stikstofdepositie.

Een andere factor die bepalend is voor de beoordeling van het bestemmingsplan op het aspect Natuur is de ecologische hoofdstructuur. Centraal staat de mogelijke invloed op de delen van de ecologische hoofdstructuur die zeer kwetsbaar zijn voor stikstofdepositie.

Het Basisalternatief nulgroei is overwegend positief ten opzichte van zowel de huidige situatie als de autonome ontwikkeling. De concentratie in Markelose Broek aan de westkant heeft echter negatieve gevolgen. Over het geheel bezien, wegen de positieve gevolgen op tegen de negatieve.

De scenario's met maximale groei laten een forse toename zien ten opzichte van de huidige en (nog meer) ten opzichte van de autonome ontwikkeling (bij nulgroei). Deze scoren alle duidelijk negatief.

5.1.3 Landschap en cultuurhistorie

Bij het toekennen van de reconstructiezones is rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden binnen de gemeente. Hiermee worden mogelijke negatieve effecten op het cultuurhistorisch landschap vermeden dan wel beperkt. Door vergroting van (intensieve) veehouderijen negatieve gevolgen voor het landschap en de cultuurhistorische kenmerken niet zondermeer uitgesloten.

In de drie LOG's, waar de veehouderij zal toenemen, kan de schaalvergroting van de bedrijven negatieve gevolgen hebben, maar door eisen ten aanzien van de landschappelijke inpassing en doordat de LOG's buiten de meer waardevolle landschappen liggen, is het effect naar verwachting hier slechts licht negatief. Het effect buiten de drie LOG's zal neutraal zijn, en lokaal (bijvoorbeeld door toepassing van 'rood voor rood') licht positief. Vanwege de schaal van de ontwikkelingsmogelijkheden in de LOG's is het totaaleffect echter wel als licht negatief ingeschat.

5.1.4 Leefbaarheid en gezondheid

Geur

In alle scenario's waarbij de maximale ruimte wordt benut, neemt de geurbelasting in de bebouwde kom en in het buitengebied toe ten opzichte van de autonome ontwikkeling. In de bebouwde kommen is deze toename weinig waarneembaar en blijft de leefkwaliteit nagenoeg gelijk. In het buitengebied neemt de oppervlakte met de categorie slechte tot zeer slechte leefkwaliteit toe.

De kans op geurhinder zal bij het Basisalternatief nulgroei buiten de drie LOG's met groei (Zeldam, Wiene en Markelose Broek) iets afnemen, terwijl de geurbelasting in deze drie LOG's (net als bij het Basisalternatief maximaal) een duidelijke verslechtering laat zien. Het totaaleffect is als licht negatief beoordeeld.

Luchtkwaliteit

De geldende grenswaarden zullen niet worden overschreden.

Gezondheid

Op veel plaatsen is de onderlinge afstand tussen bedrijven kleiner dan 1 kilometer, of liggen er veehouderijbedrijven binnen een zone van 1 km rond de Landbouwontwikkelingsgebieden. Uitbreiding van bedrijven, en daarmee een hogere veedichtheid, kan de kans op verspreiding van dierziekten van bedrijf tot bedrijf en op de kans op besmetting van mensen via de lucht licht doen toenemen. De werkelijke kans hierop is mede afhankelijk van de bedrijfsvoering en de inrichting van de bedrijven.

Fijn stof kan bij gevoelige personen en bevolkingsgroepen ook bij een concentratie die duidelijk onder de wettelijke normen ligt, negatieve gevolgen voor de gezondheid hebben. Daarom is de invloed hiervan - anders dan bij de beoordeling van de luchtkwaliteit - toch als licht negatief beoordeeld.

Verkeersveiligheid

De voorgenomen ontwikkelingen kunnen in elk geval lokaal tot meer (vracht)verkeer leiden en daardoor tot knelpunten in de verkeersveiligheid, vooral voor fietsers (schoolgaande kinderen). Het bestemmingsplan buitengebied biedt de mogelijkheid om, indien dit zich voordoet, wegen te verbreden, maar hiervoor bestaan geen concrete plannen.

5.1.5 Conclusie

Het bestemmingsplan Buitengebied is een conserverend bestemmingsplan, dat evenwel uitbreidingsruimte biedt door middel van onder meer flexibiliteitsbepalingen. Hierdoor is vooraf geen exacte berekening van de effecten te maken. Op basis van de verkenningen in het MER komt het volgende beeld naar voren.

Het scenario Basisalternatief nulgroei illustreert dat sturing op concentratie in enkele LOG's gekoppeld aan afname elders kan bijdragen aan een ruimtelijke verdeling van de bedrijven, waardoor afname van de depositie op de (nu sterk overbelaste) Natura2000-gebieden wordt bevorderd. De werkelijke uitkomst zal echter erg afhankelijk zijn van de situering van bedrijven die groeien, met name in het LOG Markelose Broek en het LOG Elsenerbroek13. Daar staat tegenover dat het scenario Basisalternatief maximaal laat zien, dat bij de planologische regeling in het voorgenomen bestemmingsplan ook buiten de LOG's nog een aanmerkelijke groei mogelijk is. Hierdoor kan het voorgenomen bestemmingsplan ook tot andere uitkomsten leiden, waarbij meer sprake is van spreiding dan van concentratie. De uitkomst kan dan lijken op het scenario Autonome ontwikkeling nulgroei. Dit scenario is eveneens positief ten opzichte van de huidige situatie, het verschil met het Basisalternatief nulgroei is in het algemeen klein, met als uitzondering de prognose voor Boddenbroek. De berekende afname bij Basisalternatief nulgroei is hier duidelijk groter dan bij Autonome ontwikkeling nulgroei.

Los van de regelgeving in het bestemmingsplan, zal de stikstofdepositie vanuit de landbouw in Hof van Twente op de Natura 2000-gebieden naar verwachting afnemen. Dit volgt uit toepassing van de 'Beleidsregel Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen' van de provincie Overijssel; de provinciale uitwerking van de bepalingen hierover in de Natuurbeschermingswet 1998. Hiermee ontstaat milieuruimte welke kan bijdragen aan mogelijke ontwikkelingen.