direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Goor, herziening Hengevelderstraat 29-37
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1735.GOxHengevelder29-VS10

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De initiatiefnemer is voornemens om op het perceel aan de Hengevelderstraat 29-37 te Goor een appartementencomplex met 12 appartementen te realiseren.

De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is het noodzakelijk een juridisch-planologische procedure te volgen. Voor onderhavig plan is gekozen voor een partiële herziening van het bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied is gelegen in het centrumgebied van Goor aan de Hengelvelderstraat 29-37 te Goor. De percelen staan kadastraal bekend als (kadastrale) gemeente Goor, sectie C, nummers 2674, 3522, 3523 met een totale oppervlakte van 2.515 m². Afbeelding 1.1 geeft de ligging van het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.GOxHengevelder29-VS10_0001.jpg"

Afbeelding 1.1: ligging en globale begrenzing plangebied

1.3 De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan 'Goor, herziening Hengevelderstraat 29-37' bestaat uit de volgende stukken:

  • verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.1735.GOxHengevelder29-OP10) en een renvooi;
  • regels (met bijbehorende bijlagen);

Op de verbeelding zijn de bestemmingen binnen het plangebied aangegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en is een verplicht onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting is niet juridisch bindend.

1.4 Huidig planologisch regiem

Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan 'Goor-Oost 2015' vigerend, vastgesteld op 12 januari 2016 door de gemeenteraad Hof van Twente. Afbeelding 1.2 geeft een uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.GOxHengevelder29-VS10_0002.jpg"

Afbeelding 1.2: uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan (plangebied rood omkaderd)

Op basis van het vigerende bestemmingsplan heeft het plangebied de volgende bestemmingen:

  • 1. Enkelbestemmingen: 'Woongebied-1' en 'Groen-Groene ruimte'.
  • 2. Dubbelbestemming: 'Waarde – Archeologische verwachtingen 1'
  • 3. Bouwaanduidingen: 'Twee-aaneen', 'Vrijstaand',
  • 4. Diverse maatvoeringen (maximum aantal wooneenheden 1 en maximum bouwhoogte 6 en 10 meter en goothoogte 3 en 6 meter)

De voorgenomen ontwikkeling is op grond van het vigerende bestemmingsplan niet toegestaan vanwege de strijdigheid van het appartementencomplex met bijgebouwen met de huidige bestemmingen, bouwaanduidingen en diverse maatvoeringen welke gelden voor het plangebied.

Gelet op bovengenoemde dient ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een partiële herziening van het bestemmingsplan worden opgesteld, waarin onderhavig plan mogelijk wordt gemaakt.

1.5 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie in en rondom het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt de gewenste ontwikkeling beschreven. Hoofdstuk 4 behandelt het relevante beleid. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 ingegaan op de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 6 gaat in op bestemmingsplansystematiek en licht de bestemmingen toe. In hoofdstuk 7 wordt de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan toegelicht, gevolgd door de maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 8.

Hoofdstuk 2 De beschrijving van de huidige situatie

2.1 De omgeving

De Hengevelderstraat is één van de oude invalswegen van Goor voorzien van oude lintbebouwing. De bebouwing wordt met name gekenmerkt door grondgebonden woningen met daartussen gelegen wijkvoorzieningen. Zo is het plangebied naast woningen omgeven door winkels, kantoren en horeca. Aan de overzijde van het plangebied is de katholieke kerk gelegen.

De Hengevelderstraat kenmerkt zich nog steeds als één van de belangrijkste hoofdwegen die het centrumgebied en de woongebieden van Goor ontsluiten.

2.2 Het plangebied

In het plangebied hebben tot voor kort nog enkele leegstaande woon- en winkelpanden uit de 19e eeuw gestaan. In afbeelding 1.3 is de voormalige bebouwing weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.GOxHengevelder29-VS10_0003.jpg"

Afbeelding 1.3: voormalige bebouwing

De bebouwing in het plangebied is reeds gesloopt en de beplanting op het achtererf is gerooid. Het plangebied bestaat nu uit een braakliggend terrein.

In afbeelding 1.4 is de huidige situatie van het plangebied weergeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.GOxHengevelder29-VS10_0004.jpg"

Afbeelding 1.4: huidige situatie plangebied (globale begrenzing plangebied rood omkaderd)

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 De ontwikkeling

De voorgenomen ontwikkeling betreft het realiseren van een appartementencomplex met 12 appartementen.

Met de bebouwing wordt aangesloten bij de bestaande bebouwingsstructuur van de Hengevelderstraat. Het appartementencomplex volgt de rooilijn van de overige lintbebouwing van deze straat. De voorgevel komt aan de weg te liggen. Het achtererf is te bereiken middels een in- en uitrit welke gelegen is aan de zuidzijde van het appartementencomplex. Het achtererf wordt voorzien van groen en voldoende parkeerplaatsen voor de appartementen. Tevens heeft ieder appartement toegang tot één berging welke gesitueerd wordt op het achtererf. In afbeelding 3.1 is de toekomstige situatie van het plangebied weergeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.GOxHengevelder29-VS10_0005.jpg"

Afbeelding 3.1: toekomstige situatie plangebied

In afbeelding 3.2 is een impressie van het vooraanzicht van het appartemencomplex weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.GOxHengevelder29-VS10_0006.jpg"

Afbeelding 3.2: vooraanzicht appartementencomplex

Het appartementencomplex bestaat uit drie woonlagen, met vier appartementen per woonlaag. De appartementen op de bovenste twee woonlagen zijn te bereiken via een gezamenlijk trappenhuis. De appartementen hebben een gebruiksoppervlakte variërend van circa 78 t/m 95 m2. De appartementen bestaan uit een woonkamer met open keuken, twee slaapkamers, badkamer en berging.

3.2 Verkeer en parkeren

3.2.1 Verkeersgeneratie

Op basis van de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' (publicatie 317, oktober 2012) van het CROW kan de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte van de ontwikkeling berekend worden. De kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde gehanteerd, zo ook in dit geval.

Voor het berekenen van de verkeersgeneratie kan uitgegaan worden van de volgende uitgangspunten:

  • Functie: etage koop midden
  • Verstedelijkingsgraad: schil centrum
  • Stedelijke zone: weinig stedelijk

De verkeersgeneratie op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten is 5,9 vervoersbewegingen per weekdag per appartement.

Dit houdt in dat voorgenomen ontwikkeling resulteert in een extra verkeersgeneratie van 71 vervoersbewegingen. Een dergelijke toename is verwaarloosbaar, waardoor er gesteld wordt dat de gewenste ontwikkeling vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren oplevert.

3.2.2 Parkeren

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de extra parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. De gemeente Hof van Twente heeft eigen parkeernormen vastgesteld. De parkeernormen maken onderscheid in functie, verstedelijkingsgraad en stedelijke zone.

Uitgegaan kan worden van de volgende uitgangspunten:

  • Functie: etage koop midden
  • Verstedelijkingsgraad: schil centrum
  • Stedelijke zone: weinig stedelijk

De parkeerbehoefte op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten bedraagt 1,7 parkeerplaatsen per appartement.

Dit houdt in dat met de voorgenomen ontwikkeling in totaal 21 parkeerplaatsen benodigd zijn. Op het achtererf van het appartementencomplex is voldoende ruimte om aan deze parkeerbehoefte te voldoen, hier worden 22 parkeerplaatsen gerealiseerd. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.2.3 Ontsluiting

De ontsluiting van het plangebied vindt middels één in- en uitrit plaats welke gelegen is aan de zuidzijde van het appartementencomplex en welke aangesloten wordt op de Hengevelderstraat.

Hoofdstuk 4 Inventarisatie van relevant beleid

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
4.1.1.1 Algemeen

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De SVIR schetst het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid van het rijk met ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028.

4.1.1.2 Rijksdoelen, belangen en regionale opgaven

In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen voor de middellange termijn:

  • Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland
  • Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid
  • Waarborgen kwaliteit leefomgeving

Voor de drie rijksdoelen worden 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:

  • Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol;
  • Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw;
  • Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe);
  • Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet.
4.1.1.3 Ladder voor duurzame vestedelijking

In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond.

De Ladder geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Echter, uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie met name de overzichtsuitspraak van 28 juni 2017 met nummer ECLI:NL:RVS:2017:1724) blijkt dat niet álle woningbouwprojecten gezien moeten worden als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. Zo stelt dat Afdeling dat een bouwplan van niet meer dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie kunnen worden beschouwd, in beginsel niet beschouwd moet worden als een stedelijke ontwikkeling waarop de Ladder van toepassing is.

4.1.1.4 Toetsing van het initiatief aan SVIR

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale en kleinschalige ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen nationale belangen als opgenomen in de structuurvisie.

Voorgenomen ontwikkeling omvat het realiseren van 12 appartementen. Binnen het plangebied stonden tot begin 2018 nog gebouwen welke al voorzien waren van een woonbestemming. Ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan waarin 1 woning is toegestaan, komen er met voorgenomen ontwikkeling 11 woningen bij. Gezien de hierboven benoemde jurisprudentie is hierbij geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (niet meer dan 11 woningen). Er is tijdens de planvorming uiteraard gekeken naar de behoefte aan de beoogde appartementen. Gemeenten hebben in het kader van woningbouwprogramma's de actuele behoefte, in samenwerking met provincie en de regio, reeds in beeld gebracht. Binnen het Regionale Woonprogrammering Twente is er nog ruimte in het regionale woonprogramma voor nieuwe woningbouwinitiatieven. Uit de structuurvisie Goor 2025 komt naar voren dat er behoefte is naar één en twee persoonshuishoudens van 55 jaar en ouder en uit de Woonagenda Hof van Twente 2016-2020 dat de woningbehoefte van ongeveer 30 woningen per jaar in Goor grotendeels ingevuld moet worden met appartementen. Voorgenomen ontwikkeling, het realiseren van een appartementencomplex met 12 appartementen voor kleinere huishoudens sluit goed aan op de behoefte genoemd in de regionale en gemeentelijke beleidsdocumenten.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
4.1.2.1 Algemeen

Het Rijk legt met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vast. Enerzijds betreft het de belangen die reeds in de (ontwerp-) AMvB Ruimte uit 2009 waren opgenomen en anderzijds is het Barro aangevuld met onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden.

Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de decentrale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.

4.1.2.2 Toetsing van het initiatief aan Barro

Met het planvoornemen zijn geen nationale belangen in het geding. Het Barro vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.

4.2 Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel, welke is verankerd in de Omgevingsverordening. Op 12 april 2017 hebben Provinciale Staten van Overijssel de nieuwe Omgevingsvisie Overijssel 2017 'Beken Kleur' en bijbehorende Omgevingsverordening Overijssel 2017 vastgesteld. Op 1 mei 2017 zijn de nieuwe Omgevingsvisie en Omgevingsverordening in werking getreden. Op 26 september 2018 hebben Provinciale Staten de Actualisatie Omgevingsvisie 2017/21018 vastgesteld.

4.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie is een integrale provinciale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of ‘rode draden’ bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel.

Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn:

  • door meer aandacht voor herstructurering wordt ingezet op een breed spectrum aan woon-, werk- en mixmilieu's; dorpen en steden worden gestimuleerd hun eigen kleur te ontwikkelen;
  • investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan;
  • zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik; deze methode gaat ervan uit dat eerst het gebruik van de ruimte wordt geoptimaliseerd, dan de mogelijkheid van meervoudig ruimtegebruik wordt onderzocht en dan pas de mogelijkheid om het ruimtegebruik uit te breiden, wordt bekeken;
  • ruimtelijke plannen ontwikkelen aan de hand van gebiedskenmerken en keuzes voor duurzaamheid.

Om de provinciale ambities waar te kunnen maken, bevat de Omgevingsvisie een Uitvoeringsmodel. In paragraaf 4.2.3 komt het Uitvoeringsmodel aan de orde.

4.2.2 Omgevingsverordening Overijssel 2017

De hoofdlijnen van de Omgevingsvisie zijn juridisch geborgd in de Omgevingsverordening. Het gaat om de onderwerpen uit de visie die de provincie zo belangrijk vindt dat deze dwingend worden opgelegd. In de verordening staan algemene regels op het gebied van de ruimtelijke ordening, mobiliteit, milieu, water en bodem. De Omgevingsverordening geeft regels aan gemeenten die bij het maken van bestemmingsplannen in acht genomen moeten worden. Voor de behandeling van de voorgenomen ontwikkeling aan het provinciaal beleid vindt er in paragraaf 4.2.4 een toetsing aan het Uitvoeringmodel Omgevingsvisie en aan de regels gesteld in de Omgevingsverordening plaats.

4.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de ambities, wordt gebruik gemaakt van het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal. Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, etcetera kun je aan de hand van deze drie stappen bepalen of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden.

In de navolgende afbeelding is het uitvoeringsmodel en de niveaus daarin weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.GOxHengevelder29-VS10_0007.png"

Afbeelding 4.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

4.2.3.1 Generieke beleidskeuzes - of

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van behoefte aan een bepaalde voorziening. Daarnaast zijn er in de Omgevingsvisie gebiedsgerichte beleidskeuzes opgenomen met het oog op het beschermen van waardevolle gebieden en aandachtsgebieden.

4.2.3.2 Ontwikkelingsperspectieven - waar

In de Omgevingsvisie worden zes ontwikkelingsperspectieven onderscheiden, drie voor de Groene Omgeving en drie voor de Stedelijke omgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.

4.2.3.3 Gebiedskenmerken - hoe

Nieuwe ruimtelijke opgaven dienen verbonden te worden met bestaande gebiedskenmerken. De gebiedskenmerken spelen zo een belangrijke rol bij de vraag hoe een initiatief invulling kan krijgen. Onder gebiedskenmerken verstaan we de ruimtelijke kenmerken van een gebied of een gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Voor de gebiedskenmerken welke zijn onderverdeeld in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen.

4.2.4 Toetsing van het iniatief aan Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel
4.2.4.1 Generieke beleidskeuzes - of

Ten aanzien van de generieke en gebiedsgerichte beleidskeuzes zijn artikel 2.1.3 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, artikel 2.1.5 Ruimtelijke kwaliteit en artikel 2.2.2. Realisatie nieuwe woningen van belang.

Artikel 2.1.3: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie;
  • dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “groene omgeving” nader gedefinieerd als: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied.

In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “bestaand bebouwd gebied” nader gedefinieerd als: de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro.

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening

Met voorgenomen ontwikkeling vindt er een herstructurering plaats binnen bestaand stedelijk gebied en zorgt de ontwikkeling niet voor een extra ruimtebeslag op de Groene Omgeving. Gesteld wordt dat de voorgenomen ontwikkeling passend is binnen artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening.

Artikel 2.1.5: Ruimtelijke kwaliteit

Nieuwe ontwikkelingen in bestemmingsplannen kunnen mogelijk worden gemaakt indien deze de ruimtelijke kwaliteit versterken conform de geldende gebiedskenmerken en wordt gemotiveerd dat de ontwikkeling past binnen het geldende ontwikkelingsperspectief. De mogelijkheid bestaat om van het ontwikkelingsperspectief af te wijken indien er sprake is van een sociaaleconomische en/of maatschappelijk belang en voldoende verzekerd is dat er sprake is van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.5 van de Omgevingsverordening

In de navolgende twee paragrafen wordt aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken.

Artikel 2.2.2: Realisatie nieuwe woningen

Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van een actueel onderzoek woningbouw.

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt voldaan aan de uitgangspunten van de "Woonagenda Hof van Twente 2016-2020". De uitgangspunten in de Woonagenda zijn gevormd door een uitgevoerd woonwensonderzoek onder de inwoners van de gemeente Hof van Twente.

4.2.4.2 Ontwikkelingsperspectieven - waar

In dit geval zijn de ontwikkelingsperspectieven voor de stedelijke omgeving van belang. In de stedelijke omgeving wordt door de provincie onderscheidt gemaakt in de volgende drie ontwikkelingsperspectieven:

  • stedelijke netwerken als motor
  • steden en dorpen als veelzijdige leefmilieus
  • hoofdinfrastructuur: vlot en veilig

Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief 'Steden en dorpen als veelzijdige leefmilieus' waarna het plangebied binnen dit ontwikkelingsperspectief gelegen is binnen het gebied 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'

Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken

De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).

Toetsing van het initiatief aan het Ontwikkelingsperspectief

Binnen gebieden met het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' is ruimte voor herstructurering en transformatie. Met voorgenomen ontwikkeling zijn de voormalige gedateerde panden gesloopt en wordt er een nieuw appartementencomplex gerealiseerd wat bijdraagt aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Met voorgenomen ontwikkeling wordt geanticipeerd op de klimaatverandering door genoeg ruimte voor groen te reserveren, waar het hemelwater opgevangen kan worden. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt voldaan aan de lokale behoefte aan wonen en is regionaal afgestemd. De nieuwe bebouwing is zowel functioneel als stedenbouwkundig goed in te passen.

4.2.4.3 Gebiedskenmerken - hoe

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en -opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen.

Natuurlijke laag 

Het plangebied is gelegen binnen de natuurlijke laag 'Dekzandvlakte en Ruggen', echter zijn deze lagen ter plaatse van het plangebied niet meer waarneembaar door het voormalige gebruik van het perceel.

Agrarische laag

Het plangebied is gelegen binnen de agrarische laag 'Oude Hoevenlandschap'. Deze laag blijft buiten beschouwing, omdat het plangebied gelegen is in stedelijk gebied en geen agrarische eigenschappen heeft.

Stedelijke laag

Het plangebied is gelegen in een gebied wat zich kenmerkt als 'Historische centra binnensteden'.

Als ontwikkelingen plaatsvinden in historische centra, binnensteden en landstadjes, dan dragen deze bij aan behoud en versterking de mix van functies, het historisch gegroeide patroon van wegen en openbare ruimte en de leefbaarheid. Grote bouwopgaven, zoals bij herstructurering, inbreiding of intensivering van woon-, werk-, en voorzieningen milieus worden ingepast met respect voor de historie, het individuele karakter van de bebouwing en de leefbaarheid, in relatie tot de problematiek van verkeer en parkeren.

De voorgenomen ontwikkeling behoud het historische gegroeide patroon van wegen. Met de bebouwing wordt aangesloten bij de bestaande bebouwingsstructuur van de Hengevelderstraat. Het appartementencomplex volgt de rooilijn van de overige lintbebouwing van deze straat. De voorgevel komt aan de weg te liggen. De omgeving wordt met name gekenmerkt door grondgebonden woningen met daartussen gelegen wijkvoorzieningen. Zo is het plangebied naast woningen omgeven door winkels, kantoren en horeca. Aan de overzijde van het plangebied is een kerk gesitueerd. De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan het behoud van de mix van functies.

Laag van de beleving

De 'Laag van beleving' heeft binnen het plangebied geen specifieke kenmerken en blijft daarom verder buiten beschouwing.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Toekomstvisie Hof van Twente "Zicht op 2030"
4.3.1.1 Algemeen

De gemeente Hof van Twente heeft in juni 2010 de toekomstvisie 'Hof van Twente, zicht op 2030' vastgesteld. Het doel van deze toekomstvisie is het schetsen van de grote lijnen: wat kenmerkt de gemeente nu en straks.

Globaal kan de gemeente Hof van Twente omschreven worden als een gemeente met meerdere kernen, die een eenheid in verscheidenheid vormt. De kernen zijn allen uniek en voor een groot deel zelfvoorzienend. Wonen, werken, voorzieningen, scholing, recreëren is vaak binnen de eigen of naburige kern mogelijk. Het centraal gelegen Goor heeft qua bedrijven en instellingen betekenis voor de gehele gemeente.

Een landelijke trend is dat in de komende tientallen jaren de bevolking vergrijst en ontgroent. Om deze reden moeten er meerdere woningen gerealiseerd worden voor ouderen. Verder moeten er acties en maatregelen ondernomen worden om de gemeente weer aantrekkelijk te maken voor jongeren. Verder zal de gemeente zich richten op het verhogen van de kwaliteit van de nieuwbouw en de bestaande woningvoorraad en het verhogen van het aandeel levensloopbestendige woningen. Herstructurering en nieuwbouw zal samengaan met investeringen in duurzaamheid van woningen.

De toekomstvisie geeft een mogelijk toekomstperspectief voor de gemeente, met vernieuwende ideeën en kansrijke oplossingsrichtingen. In deze visie zijn 20 streefbeelden opgenomen. Voor voorgenomen ontwikkeling is vooral streefbeeld 14 van belang.

4.3.1.2 Streefbeeld 14: Kwaliteit woningenbestand is hoog en divers, aansluitend op de markt/behoefte van inwoners, maar toch betaalbaar gebleven

De grotere kernen in Hof van Twente houden een belangrijke woonfunctie; de meeste mensen wonen daar. Ze hebben ook de functie om woonruimte te bieden aan mensen die uit het buitengebied komen. Als centraal gelegen kern heeft Goor het meest een stedelijk karakter. In de buurtschappen en het buitengebied wordt het wonen zorgvuldig geïntegreerd in het landschap. Vrijkomende agrarische gebouwen krijgen alleen een andere, bijvoorbeeld woonfunctie, na een zorgvuldige afweging. Structuurvisies en bestemmingsplannen zijn op deze uitgangspunten aangepast. In het buitengebied en de buurtschappen zal het wonen kleinschalig, groen en duurzaam zijn.

Belangrijker in omvang dan uitbreiding zijn de plannen voor inbreiding in kernen en voor vernieuwing/verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. In 2030 bestaat op het gebied van de volkshuisvesting de grootste opgave uit het vervangen van in de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw gebouwde wijken/woningen. Dit gaat gepaard met een verduurzaming. Tegelijk komen als gevolg hiervan ruimtes in kernen vrij die niet direct weer voor woningbouw gebruikt worden. Dit biedt stedenbouwkundig nieuwe kansen. Hier is nadrukkelijk ingespeeld op de kansen van de demografische krimp. De kwaliteit gaat in alles boven de kwantiteit in 2030. Waar vanaf 2020 in de nieuwbouw energieneutrale woningen de standaard zijn, zijn in 2030 ook enkele energiepositieve wijken ontstaan. Daarbij is een verschuiving van type wooneenheden opgetreden. Wooncomplexen met een diversiteit van wooneenheden zijn in de grotere kernen ontstaan. Combinaties met zorgaanbod passen in die opzet. De traditionele twee-onder-één kap woningen zijn geleidelijk wat teruggelopen in aandeel.

Daarnaast wordt in 2030 gewerkt aan het energieneutraal maken van relatief nieuwe wijken.

4.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan Toekomstvisie Hof van Twente "Zicht op 2030"

Met voorgenomen ontwikkeling vindt er een inbreiding plaats in de kern Goor. De voormalige woon-/winkelpanden zijn reeds gesloopt en worden vervangen voor een nieuw appartementencomplex welke passend is binnen de omgeving. De appartementen zijn tevens aantrekkelijk voor ouderen.

4.3.2 Stuctuurvisie Goor 2025
4.3.2.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders van de gemeente Hof van Twente hebben op 18 juni 2013 de structuurvisie “Goor 2025” gewijzigd vastgesteld.

De structuurvisie bevat de gemeentelijke visie op de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de periode tot en met 2025 voor de kern Goor. Na een uiteenzetting van de visie op de gewenste ruimtelijke kwaliteit komen de volgende functies aan de orde: wonen; economie; verkeer en infrastructuur; welzijn; zorg en educatie; recreatie en ontspanning; groen en water; milieu en duurzaamheid en cultuurhistorie.

4.3.2.2 Wonen

Demografische ontwikkelingen als ontgroening en vergrijzing zorgen voor een druk op de woningmarkt in Goor. Door aanhoudende gezinsverdunning blijft er behoefte aan nieuwe woningen. De ontwikkeling van huishoudens in Goor bestaat, naast een beperkte groei in het aantal jonge starters, hoofdzakelijk uit groei van de groep één en twee persoonshuishoudens van 55 jaar en ouder. Het aantal gezinnen zal licht stijgen en het aantal één en twee persoonshuishoudens onder de 55 jaar zal licht dalen.

Het plangebied is gelegen in de centrumschil van Goor en is te categoriseren onder vroegstedelijke ontwikkeling (tot 1850). De centrumschil bestaat uit de oudste delen van Goor, het gebied rond de Hofkerk en het Schild, alsmede de tussen enkele oudere bebouwingslinten gelegen gebieden. Bindend kenmerk is de functiemenging in het gebied. Wonen wordt afgewisseld met detailhandel, horeca, dienstverlening en kleinschalige bedrijvigheid. De bebouwing stamt uit alle perioden. Monumenten, bebouwing van mindere kwaliteit en nieuwbouw wisselen elkaar af. Er is een sterkte relatie naar het centrum.

De Hengevelderstrraat is op de visiekaart aangemerkt als een weg waar begeleidend groen aangebracht dient te worden. Een sterke, groene aankleding van toegangswegen; in dit kader wordt gestreeft naar versterking van de boomstructuur langs de Deldensestraat, Hengelvelderstraat en Iependijk.

4.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan Structuurvisie Goor 2025

Er blijft behoefte naar woningen in Goor, met name woningen voor één en twee persoonshuishoudens van 55 jaar en ouder. Voorgenomen ontwikkeling, het realiseren van een appartementencomplex met 12 appartementen voor kleinere huishoudens sluit goed aan op de behoefte. De functiemenging in het gebied blijft bestaan. De omgeving van het plangebied wordt naast woningen omgeven door winkels, kantoren en horeca.

4.3.3 Woonagenda Hof van Twente 2016-2020
4.3.3.1 Algemeen

Op 22 maart 2016 heeft de gemeenteraad de Woonagenda Hof van Twente vastgesteld. In juni 2015 is onder de inwoners van Hof van Twente een grootschalig woonwensenonderzoek gehouden. De resultaten vormen mede de onderbouwing van de woonagenda.

De woningbehoefte in Goor groeit met ongeveer 30 woningen per jaar. Dit is bijna de helft van het totaal voor Hof van Twente. Dit aantal dient voor meer dan de helft uit appartementen te bestaan. Het is van belang om dit nu nog niet exact in te vullen (met aantallen te bouwen woningen en in welk segment), maar om flexibiliteit te behouden en te kunnen anticiperen op de concrete vraag.

De groeiende behoefte aan appartementen volgt uit de voorziene groei van het aantal oudere en kleinere huishoudens. Het onderzoek geeft aan dat er de komende jaren veel 75+-ers bijkomen.

Er dient een passende oplossing te komen voor de inbreidingslocaties in Goor. Inzetten op kwaliteit is hierbij van belang.

Toekomstige aanvragen voor woningbouwplannen worden onder andere getoetst aan deze Woonaegnda, aan de factsheets (onder andere woningaantallen, woningtypes, doelgroepen en specifieke locaties) een aan het woningbouwprogramma. De gemeente bepaalt niet zelf op voorhand welke plannen gebouwd gaan worden, maar staat open voor initiatieven vanuit markt en maatschappij die binnen deze kaders passen.

4.3.3.2 Toetsing van het initiatief aan Woonagenda Hof van Twente 2016-2020

Uit de resultaten van het uitgevoerde woonwensonderzoek blijkt dat de woningbehoefte van ongeveer 30 woningen per jaar grotendeels ingevuld moet worden met appartementen. Het voorliggend plan sluit aan bij de uitkomsten uit het woonwensonderzoek, met het plan worden appartementen gerealiseerd voor kleinere huishoudens.

4.3.4 Welstandsnota
4.3.4.1 Algemeen

De gemeenteraad van Hof van Twente heeft voor de hele gemeente een welstandsnota vastgesteld met criteria voor de welstandstoets. Daarbij is zowel het buitengebied als de kernen ingedeeld in verschillende gebieden aan de hand van karakteristieken van de bestaande bebouwing. Per gebied zijn criteria opgesteld die door de welstandscommissie worden gebruikt bij het beoordelen van aanvragen om vergunning. Daarbij wordt onder andere gelet op de plaats, de hoofdvorm en de detaillering. Er zijn geen welstandsvrije gebieden. Naast de gebiedscriteria zijn objectgerichte criteria opgesteld die niet voor een gebied, maar voor een bouwwerk gelden. Het gaat dan om regels voor bijvoorbeeld monumenten, landgoederen en serrestallen. Onderhavig plangebied is gelegen in het welstandsgebied Linten aan de weg'

4.3.4.2 Linten aan de weg

Kenmerken

Goor kent de meeste linten met panden aan de weg, al dan niet met tussenruimtes in de vorm van een oprit of een steegje. De uiteenlopende architectuur van de panden geeft de linten een afwisselend beeld, tegelijk zorgt de overeenkomst in grootte van de bouwwerken voor een rustige opbouw. Er zijn nog meer overeenkomsten tussen de panden: de meeste nokken staan loodrecht op de straat, ook is er bijna altijd sprake van harmonisch kleurgebruik.

Beleid

De 'linten aan de weg' geven sfeer aan de kernen. In deze voor de kernen zo belangrijke straten is het van belang de samenhang in het ritme en de korrelmaat te behouden. Tegelijk staan de linten voor levendigheid; dit wordt vooral bereikt door de verschillenden tussen de panden.

Criteria

Om de continuïteit in het lint te waarborgen ligt de nadruk bij dit deelgebied op de plaatsing en oriëntatie van het gebouw. Een individuele uitstraling en het doortrekken van het gevelmateriaal tot aan het maaiveld doen de rest. De welstandsnota bevat diverse criteria met betrekking tot plaatsing, hoofdvorm, gevel, aan-, uit- en bijgebouwen en dakkapellen, detaillering en erfafscheidingen.

4.3.4.3 Toetsing van het initiatief aan Welstandsnota

Het bouwplan voldoet aan de uitgangspunten van de Welstandnota. De definitieve toetsing het advies wordt uitgevoerd door de welstandcommissie.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheidsaspecten

Dit onderdeel bevat een inventarisatie van de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. Daarbij komen de volgende aspecten aan de orde: geluid, bodem, water, archeologie, cultuurhistorie, ecologie, externe veiligheid, bedrijvigheid en luchtkwaliteit.

5.1 Geluid

5.1.1 Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen.

De Nota gemeentelijk geluidbeleid 2013 – 2020 bevat voor 7 verschillende gebiedstypen beleid met betrekking tot wegverkeerslawaai en industrielawaai. De geluidnota bevat ook beleid voor onder andere cumulatie en compensatie van geluid. Het beleid is gericht op behoud van stilte waar het stil is. Dit geldt voor zowel het buitengebied als voor de kern.

Waar van nature al meer geluid is, bijvoorbeeld door verkeer op drukke doorgangswegen, is de gemeentelijke ambitie minder hoog.

5.1.2 Situatie plangebied

De beoogde appartementen worden op basis van de Wgh aangemerkt als geluidsgevoelige objecten. Hierna wordt achtereenvolgens ingegaan op de aspecten industrie-, railverkeers- en wegverkeerslawaai als bedoeld in de Wgh.

5.1.2.1 Industrielawaai

In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing.

5.1.2.2 Railverkeerslawaai

In voorliggend geval is het aspect railverkeerslawaai niet van belang, aangezien er geen spoorweg in de directe omgeving aanwezig is.

5.1.2.3 Wegverkeerslawaai

Het plangebied is gesitueerd binnen de geluidzone van de Deldensestraat. In het kader van de Wet geluidhinder dient de geluidbelasting te worden berekend en getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder en aan de Beleidsregel Hogere Waarde van de gemeente Hof van Twente. Voor het aspect wegverkeerslawaai is een akoestich onderzoek uitgevoerd. De resultaten van het akoestisch onderzoek worden hierna behandeld. Voor de rapportage van het akoestisch onderzoek wordt verwezen naar bijlage 1 bij deze toelichting.

5.1.3 Onderzoeksresultaten akoestisch onderzoek

Naast de wegen (Deldensestraat) met een wettelijke geluidzone liggen rondom het plangebied ook de Hengevelderstraat en Kloosterlaan met een maximale snelheid van 30 km/uur. Wegen met een snelheid van 30 km/uur hebben volgens de Wet geluidhinder geen geluidzone. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de geluidbelasting ten gevolge van deze wegen op het plangebied beschouwd. Daarnaast is er aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

De bevindingen in het akoestisch onderzoek zijn:

  • De berekende geluidbelasting als gevolg van de wettelijk geluidgezoneerde weg de Deldensestraat bedraagt maximaal 39 dB. De geluidbelasting is hiermee lager dan voorkeurswaarde van 48 dB waardoor er geen hogere waarde van toepassing zijn en
    toetsing aan de Beleidsregel van de gemeente is niet aan de orde;
  • De berekende geluidbelasting als gevolg van de Hengevelderstraat (30 km/uur weg) is met 60 dB hoger dan de voorkeurswaarde van 48 dB, maar lager dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Conform de Wet geluidhinder dient onderzoek te worden uitgevoerd naar maatregelen. Voor 30 km/uur wegen is de Wet geluidhinder niet van toepassing. Maar in het kader van een goed woon- en leefklimaat worden geluidreducerende maatregelen worden afgewogen.
  • De berekende geluidbelasting als gevolg van de Kloosterlaan is met 31 dB lager dan voorkeurswaarde van 48 dB en vormt hiermee geen belemmering voor een goed- en leefklimaat.
  • In het kader van een goed woon- en leefklimaat zijn geluidreducerende maatregelen zoals rijsnelheid, omvang en/of samenstelling van het verkeer, geluidschermen en -wallen, geluidreducerend asfalt afgewogen. De conclusie is dat maatregelen stuiten op verkeers- en vervoerskundige aard, onvoldoende effectief zijn of niet wenselijk zijn.
  • Om het woon- en leefklimaat te waarborgen dienen de maatregelen in het pand te worden gezocht. De geluidwering van de gevel dient de binnenwaarde van de 33 dB te waarborgen.
5.1.4 Conclusie

Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.2 Bodemkwaliteit

5.2.1 Algemeen

Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf.

De ambitie van de gemeente is om bodemverontreiniging te voorkomen en de goede kwaliteit van de bodem te behouden. De gemeente wil bodemaspecten tijdig meenemen in de planvorming. Bij het beoordelen van bestemmingsplannen wordt beoordeeld of de kwaliteit van de bodem voldoende geschikt is voor het nieuwe beoogde gebruik.

De gemeente geeft prioriteit aan het opheffen van bodemverontreinigingsgevallen die risico’s opleveren voor mens en milieu. De gemeente gaat bij de uitvoering van bodemonderzoek uit van de landelijk geldende onderzoeknormen. De gemeente besteedt in het bijzonder aandacht aan de aanwezigheid van asbest in bodem.

5.2.2 Situatie plangebied

In het plangebied wordt een functie gerealiseerd waarin dagelijkse gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven. Voor het plangebied is een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd om vast te stellen of de grond op de locatie van de voorgenomen uitbreiding geschikt is.

De resultaten van het verkennend en nader bodemonderzoek worden hierna behandeld. Voor het rapportage van het verkennend en nader onderzoek wordt verwezen naar bijlage 2 bij deze toelichting.

5.2.3 Onderzoeksresultaten verkennend en nader bodemonderzoek

Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt dat:

Chemische parameters

  • In de bovengrond lood aanwezig is in een gehalte boven de tussenwaarde. Reeds op basis van het voorgaand bodemonderzoek is geconcludeerd dat lood verspreid in de grond aanwezig is in matig verhoogde gehalten. Overige zware metalen en PAK zijn in licht verhoogde mate aangetoond. Deze verontreinigingen zijn te relateren aan het historische gebruik van de locatie en/of voorkomen van de bovenvreemde bijmengingen;
  • In de ondergrond geen verontreinigingen zijn aangetoond;
  • Het grondwater licht verontreinigd is met barium. Waarschijnlijk is sprake van een natuurlijke oorsprong;

Asbest

  • Nabij de noordoostelijke hoek van de locatie op het maaiveld asbesthoudende materiaal aanwezig is. Ter plaatse is in de ondergrond ook een stortgat met bakstenen aanwezig. Hierin is visueel geen asbestverdacht materiaal aangetroffen en is in de fijne fractie geen asbest aangetoond;
  • In de grond op het overige deel van de locatie is slechts een gering indicatief gehalte aan asbest (0,54 mg/kg d.s.) aangetoond.

Op basis van de resultaten van het eerder uitgevoerd onderzoek, wordt een nader onderzoek naar de verontreiniging met lood niet zinvol geacht. Overige parameters zijn bovendien niet aangetoond in gehalten/concentraties boven een waarde waarbij nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht.

Aanbevelingen

Aanbevolen wordt om rekening te houden met het volgende:

  • Nabij de noordoostelijke hoek van de locatie is asbestverdacht materiaal en ander sloopmateriaal op het maaiveld aanwezig. Voor zover visueel waarneembaar en hanteerbaar, is het materiaal verzameld en als materiaalverzamelmonster afgevoerd. Een deel van het materiaal blijkt asbesthoudend te zijn. In ieder geval is een asbestverdachte standleiding op de locatie achtergebleven. Er dient daarom rekening mee te worden gehouden dat mogelijk nog asbesthoudend materiaal op het maaiveld aanwezig is. Geadviseerd wordt om dit materiaal op een verantwoorde wijze te verzamelen en of af te voeren voorafgaande aan verdere (graaf) werkzaamheden om verdere verspreiding en/of blootstelling te voorkomen. Om deze reden wordt ook aanbevolen de deels ingegraven asbestverdachte platen langs de noordelijke perceelsgrens te verwijderen in overleg met de aangrenzende terreineigenaar;
  • Nabij de noordoostelijke hoek van de locatie is een stortgat met bakstenen aanwezig. Vermoedelijk heeft deze een geringe omvang. Geadviseerd wordt om dit materiaal te ontgraven en (net als het sloopmateriaal op het maaiveld) af te voeren naar een erkende verwerker.
5.2.4 Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de realisatie van voorgenomen ontwikkeling, wanneer rekening gehouden wordt met de aanbevelingen.

5.3 Luchtkwaliteit

5.3.1 Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet Luchtkwaliteit. De Wet Luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005'. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om:

  • negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken;
  • mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

De wet voorziet ondermeer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL bevat enerzijds alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren en anderzijds alle ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren. De positieve effecten (maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren) overtreffen de negatieve effecten (ruimtelijke projecten die de luchtkwaliteit verslechteren). Het doel van het NSL is te voldoen aan de Europese grenswaarden voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2).

Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe wet geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:

  • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3%) ten opzichte van de grenswaarde (een grenswaarde van 3% staat gelijk aan de bouw van circa 1.500 woningen of 100.000 m² kantoorruimte met één ontsluitingsweg);
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL.


Bij ieder ruimtelijke ontwikkeling moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden, met andere woorden het moet duidelijk zijn welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit niet verslechtert c.q. dat het project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

5.3.2 Situatie plangebied

Gelet op de aard van voorliggende ontwikkeling (realiseren van 12 appartementen) is het aan te merken als een project welke 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan luchtverontreiniging.

Naast de effecten van het onderhavige plan op de luchtkwaliteit, moet worden bezien of er voor de te realiseren woningen voldaan kan worden aan een goed leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Om te bepalen of de plaatselijke luchtkwaliteit voldoet aan de normen voor een goed leefklimaat zijn verschillende bronnen onderzocht (NSL en Atlas Leefomgeving). Indien uit de monitoring blijkt dat de doelstellingen van het NSL niet worden gehaald, kunnen extra maatregelen worden getroffen.

Op basis van de verscheidene bronnen blijkt dat de achtergrondconcentraties fijn stof PM10 en stikstofdioxide NO2 ter plaatse van het plangebied ver onder de wettelijke norm zit. In 2016 bedraagt de achtergrondbelasting respectievelijk 17,7 µg/m³ en 16,1 µg/m³. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke norm van 40 µg/m³.

Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten.

5.3.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.

5.4 Externe veiligheid

5.4.1 Algemeen

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij productie, gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit).

Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd:

  • het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers;
  • het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Kwetsbare objecten, zoals woningen en functies met veel bezoekers, zijn niet toegestaan binnen de 10-6-contour van het PR rond inrichtingen waarin opslag en productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid staat verwoord in de Nota externe veiligheidsbeleid 2012 – 2015 “Veiligheid zonder absolute zekerheid”. Binnen de gemeente bevinden zich enkele risicovolle bedrijven. Naast opslag van gevaarlijke stoffen vindt vervoer daarvan plaats via weg, water, spoor en buisleidingen. Op de site www.risicokaart.nl staan de risicovolle bedrijven vermeld. Ten aanzien van nieuw vestiging van zwaardere en risicovolle bedrijvigheid stelt de gemeente zich terughoudend op. Kern van het te voeren beleid is dat wordt voldaan aan de minimale wettelijke eisen en verantwoord gebruik wordt gemaakt van bevoegdheden.

5.4.2 Situatie plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.GOxHengevelder29-VS10_0008.jpg"

Afbeelding 5.1: uitsnede Risicokaart, plangebied rood omcirkeld (Bron: risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied:

  • zich niet bevindt binnen de risicocontour van inrichtingen (Bevi);
  • zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen over transportroutes (Bevt). Op meer dan 600 meter ten zuiden van het plangebied is een spoorweg welke is aangewezen als basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het is een traject zonder plasbrandaandachtsgebied. Het GR-plafond van het spoor is ver buiten het plangebied gelegen.
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (Bevb). De dichtstbijzijnde buisleiding ligt op meer dan 500 meter net noorden van het plangebied.
5.4.3 Conclusie

Gelet op het voorgaande is er geen belemmering op het gebied van externe veiligheid voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.

5.5 Kabels en leidingen

5.5.1 Algemeen

In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen. Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.

5.5.2 Situatie plangebied

Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig welke behouden en beschermd dienen te worden.

5.5.3 Conclusie

Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.

5.6 Bedrijven en Milieuzonering

5.6.1 Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door bedrijf- en milieuzonering. Onder bedrijf- en milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Bedrijf- en milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
5.6.2 VNG-publicatie "Bedrijven & milieuzonering"

Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode).

De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieugevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken.

Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieugevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieugevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.).

5.6.3 Situatie plangebied

Het plangebied is gelegen aan één van de invalswegen van Goor. Naast wonen zijn er andere functies zoals winkels, kantoren en horeca in de directe omgeving van het plangebied aanwezig, waardoor hier sprake is van functiemenging. Derhalve wordt in dit geval uitgegaan van een gemengd gebied.

5.6.3.1 Interne werking

Hierbij gaat het om de vraag of de functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In voorliggend geval dienen de woningen aangemerkt te worden als milieugevoelig object.

In onderstaande tabel worden de activiteiten/functies benoemd welke zijn gelegen in de nabijheid van het plangebied. Tevens is aangeven tot welke milieucategorie deze activiteit of functies wordt gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen de gevel van de woning en het bestemmingsvlak van de betreffende milieubelastende functie en wat de daadwerkelijke afstand bedraagt. In voorliggende geval wordt uitgegaan van de richtafstanden bij 'gemengd gebied'.

Functie   Milieucategorie   Richtafstand gemengd gebied   Daadwerkelijke afstand  
Hengevelderstraat 41
Detailhandel, met uitzondering van perifere detailhandel, detailhandel in vuurwerk en supermarkten  
1   10 m   13 m  
Hengevelderstraat 20-20a
Horeca, max.categorie 2  
2   10 m   10 m  

De bedrijvigheid gevestigd aan de Hengevelderstraat 20-20a en 41 vormen geen belemmering, er is voldoende afstand tussen de bedrijven en de toekomstige appartementen.

Aan de Hengevelderstraat 23 is ook bedrijvigheid toegestaan. Ten aanzien van Hengevelderstraat 23 het volgende: in het vigerende bestemmingsplan is aangegeven dat de gronden aan de Hengevelderstraat 23 bestemd zijn voor een bedrijf, die op het moment van het van kracht worden van het vigerende bestemmingsplan al ter plaatse aanwezig waren. Aan de Hengevelderstraat 23 vonden kleinschalige smederij (hoefsmid) werkzaamheden plaats, deze smederij is niet meer aanwezig. Wanneer er alternatieve bedrijvigheid gaat plaatsvinden aan de Hengevelderstraat 23 dan is de maximale milieucategorie 2, waarbij de richtafstand 10 meter bedraagt. Aan deze richtafstand wordt voldaan, het plangebied ligt op 14 meter.

5.6.3.2 Externe werking

Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een situatie, die vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving.

Binnen het plangebied worden woningen gerealiseerd. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende activiteit in de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. Daarnaast leidt voorgenomen ontwikkeling niet tot extra hinder of belemmeringen van de gebruiksmogelijkheden van omliggende bedrijven.

5.6.4 Conclusie

Het aspect bedrijf- en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.

5.7 Ecologie

5.7.1 Algemeen

De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de ecologische soortenbescherming en ecologische gebiedsbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Bij een ruimtelijke ingreep moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de Wet natuurbescherming gestelde regels.

5.7.1.1 Soortenbescherming

Soortenbescherming is onder de Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden.

5.7.1.2 Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden

Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten of andere handelingen en plannen die negatieve effecten op deze beschermde gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel (zonder vergunning) niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie).

Natuur Netwerk Nederland

De Wet Natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op om te zorgen voor de instandhouding van het binnen de eigen provincie gelegen deel van een landelijk ecologisch netwerk; het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen ook wel Ecologische Hoofdstructuur genoemd. Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor Overijssel uitgewerkt in de Omgevingsverordening Overijssel.

In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

5.7.2 Situatie plangebied
5.7.2.1 Soortenbescherming

Gezien de huidige situatie binnen het plangebied, een braakliggend terrein (zonder bosschage en watergangen) is de verwachting dat er geen beschermde flora en fauna binnen het plangebied aanwezig is. Het uitvoeren van een quickscan flora en fauna wordt niet noodzakelijk geacht.

5.7.2.2 Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden

Het plangebeid maakt geen onderdeel uit van de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Het dichtsbijzijnde Natura 2000-gebied is Borkeld, gelegen op circa 6 km van het plangebied. Het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Van oppervlakteverlies van kwalificerende habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten is derhalve geen sprake. Aanwezigheid van materieel en mensen tijdens de herontwikkeling is niet zichtbaar in deze Natura 2000-gebieden en ook van verstoring in de Natura 2000-gebied door geluid of licht is gelet op de grote afstand geen sprake. De emissie en depositie van stikstof reiken echter verder vanaf het plangebied. De stikstofdepositie als gevolg van de toevoeging van de appartementen en de daarmee toenemende verkeersgeneratie is in beeld gebracht middels een Aerius-berekening. In bijlage 3 is de Aerius-berekening toegevoegd.

Met deze berekening is uitgegaan van de verkeersgeneratie berekend in paragraaf 3.2.1.

Uit deze Aerius-berekening blijkt dat de stikstofdepositie onder de gestelde norm van 0,05 mol vanuit het Besluit Natuurbescherming blijft. De berekende stikstofdepositie leidt niet tot verlies aan kwaliteit van de Natura 2000-gebieden.

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000. Verdere toetsing in de vorm van een verslechteringstoets of een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde.

Natuur Netwerk Nederland

Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN. Aangezien het plangebied buiten de begrenzing van het NNN ligt, is nadere toetsing aan de bepalingen uit de vigerende Omgevingsverodening Overijssel niet noodzakelijk.

5.7.3 Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.

5.8 Archeologie en Cultuurhistorie

5.8.1 Archeologie
5.8.1.1 Algemeen

Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Op 1 januari 2010 is het gemeentelijke archeologiebeleid in werking getreden. Op de bijbehorende archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is aangegeven welke gebieden een lage, een middelhoge en een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben. Verder zijn ook de terreinen met bekende archeologische waarden in beeld gebracht (de archeologische monumenten). Afhankelijk van de verwachtingswaarde dient bij bouwplannen en ingrepen in de grond met een bepaalde omvang en diepte archeologisch vooronderzoek plaats te vinden.

  • Historische kern: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 50 m2 of meer;
  • Hoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 2.500 m2 of meer;
  • Middelhoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 5.000 m2 of meer;
  • Lage verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 10 ha of meer.

Dit beleid dient vertaald te worden in de planregels van de bestemmingsplannen die in procedure worden gebracht.

5.8.1.2 Situatie plangebied

De gemeente Hof van Twente beschikt over een eigen archeologische verwachtingskaart. De archeologische verwachtingswaarden zijn doorvertaald in het vigerende bestemmingplan "Goor Oost 2015". Op basis van het bestemmingsplan is op de locatie de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologische verwachting 1' opgenomen.

Archeologisch onderzoek is noodzakelijk indien het oppervlak van de bodem ingrepen meer dan 2.500 m² bedraagt en over dit gehele oppervlak dieper in de bodem reiken dan 40 cm. De dubbelbestemming 'Waarde-Archeologische verwachting 1' blijft met voorliggend bestemmingsplan gehandhaafd. Wanneer bij voorgenomen ontwikkeling de bodem ingrepen over een groter oppervlak dan 2.500 m² en dieper dan 40 cm bedragen dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

5.8.2 Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen

Ieder bestemmingsplan dient tevens een analyse van cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. In de toelichting van een bestemmingsplan dient een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierbij dient tevens de historische (stede)bouwkunde en historische geografie te worden meegenomen in de belangenafweging. Aangegeven dient te worden welke conclusies aan de geanalyseerde waarden worden verbonden en op welke wijze deze worden geborgd in het bestemmingsplan.

5.8.2.2 Situatie plangebied

Er bevindt zich in de direct omgeving van het plangebied een gemeentelijke monumenten, Hengevelderstraat 24. Dit pand is direct gelegen tegenover het plangebied. De ontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor het gemeentelijk monument.

In het plangebied en in de direct omgeving van het plangebied zijn verder geen andere cultuurhistorische waarden aanwezig. Daardoor wordt gesteld dat het cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderliggend plan.

5.8.3 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op het in de omgeving aanwezige gemeentelijk monument.

5.9 Water

5.9.1 Algemeen
5.9.1.1 Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

5.9.1.2 Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).

5.9.1.3 Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

5.9.1.4 Waterschap Vechtstromen

Het waterschap Vechtstromen behoort tot het deelstroomgebied Rijn-Oost. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt, naast de voornoemde waterschappen, beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta en Rijn en IJssel.

In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het:

  • voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte;
  • beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem;
  • het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.
5.9.1.5 Gemeentelijk Rioleringsplan

In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor:

  • inzameling en transport van stedelijk afvalwater.
  • het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater.
  • grondwater(maatregelen).

Het GRP beschrijft de beleidskaders (ambities)en de activiteiten voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval, hemel- en grondwater.

Het GRP gaat uit van de volgende principes (tritsen):

De trits “vasthouden --> bergen --> afvoeren” houdt in dat in eerste instantie getracht wordt het (gebiedseigen) water in de bodem te infiltreren. Indien dit niet mogelijk is dient het afstromend regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in de laatste instantie kan overwogen worden het water (zo traag mogelijk) af te voeren naar de omgeving.

De trits “schoonhouden --> scheiden --> schoonmaken” omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoon houden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en tevens het zuiveringsrendement worden verhoogd.

Ontvlechting vindt in principe plaats als dat doelmatig en kosteneffectief is.

Bij nieuwbouw is de aanleg van een gemeentelijk hemelwaterstelsel (riool of watergang) gebruikelijk, waar de particulier het hemelwater naartoe kan afvoeren. De infrastructuur wordt in principe zodanig ingericht dat de particulier in staat wordt gesteld het hemelwater (voor een deel) op eigen terrein te verwerken (lozen op aangrenzende sloot en/of infiltratie in de bodem). Is verwerking op eigen terrein niet mogelijk dan kan de particulier het hemelwater bovengronds afvoeren naar het gemeentelijk hemelwaterstelsel.

Bij de grondwaterzorgplicht hebben perceeleigenaren een eigen verantwoordelijkheid bij het voorkomen van grondwaterproblemen. Als de grondwaterstand echter te zeer wordt bepaald door factoren buiten het perceel van de grondeigenaar dan zal de gemeente, in samenspraak met waterbeheerder en provincie, maatregelen treffen om structurele grondwaterproblemen te voorkomen of te beperken.

Ten aanzien van de verwerking van grondwater bij nieuwbouw kan worden gesteld dat dit voldoende wordt ondervangen in het “watertoets proces”. Hierbij worden vooraf de waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen bij de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties.

Hitte, droogte, watertekort en wateroverlast zijn aspecten die van wezenlijke invloed zijn bij het ontwerpen en bij de realisatie van plannen voor zowel inbreidings- als uitbreidingslocaties. Met deze aspecten wordt rekening gehouden door het principe van de meerlaagsveiligheid als bouwsteen van wezenlijk belang te hanteren bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen. Bestaande en nieuwe blauwe en groene elementen ondersteunen de klimaatadaptatie in het binnenstedelijk gebied en op bedrijven- en industrieterreinen. Afkoppelen van verhard oppervlak is niet een doel op zich. Doelmatigheid, haalbaarheid en betaalbaarheid van afkoppelmaatregelen worden meegewogen in ruimtelijke plannen. De samenhang met het beleid over klimaatadaptatie en overstromingsrisico wordt integraal beoordeeld.

Waterlopen met een beschermde status (Kaderrichtlijn water) staan vermeld op de verbeelding behorende bij een ruimtelijk plan. Informatie over de status van een KRW-lichaam en beoogde maatregelen verwoord in zogenaamde “factsheets”, wordt beschouwd als zwaarwegend belang waar slecht gemotiveerd van kan worden afgeweken door het treffen van mitigerende of compenserende maatregelen.

5.9.2 Situatie plangebied
5.9.2.1 Algemeen

In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, (grond)wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterschap Vechtstromen kijkt wat de invloed van het plan op de waterhuishouding is en geeft een wateradvies. Daarbij toetst het waterschap het plan aan het voorkeursbeleid dat is geformuleerd.

5.9.2.2 Watertoetsproces

Het waterschap is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording hiervan heeft er toe geleid dat de zogenaamde 'normale procedure' van toepassing is. In het kader van de 'normale procedure' is er vanuit het Waterschap Vechtstromen een uitgangspunten notitie gestuurd, die als leidraad dient bij het doorlopen van de normale procedure.

Op basis van de uitgangspuntennotitie zijn de thema's afvalwater, hemelwater en grondwater voor het plangebied relevant.

Afvalwater

Het plan voorziet in de bouw van 12 appartementen. Op basis van een gemiddelde woonbezetting van twee personen wordt uitgegaan van een totale woonbezetting van 24 personen. De maximale afvalwaterproductie bedraagt ongeveer 0,5 m3/uur. Het afvalwater wordt gescheiden van hemelwater aangesloten op de openbare riolering in de Hengevelderstraat en afgevoerd naar de RWZI Goor. Het bestaande rioolstelsel is dusdanig ingericht dat deze beperkte toename eenvoudig kan verwerken.

Hemelwater

De bergingsopgave vanuit het 'Aansluitprotocol hemelwater' in het Gemeentelijk rioleringsplan 2017-2020 bedraagt minimaal 20 mm met een overloopvoorziening naar de openbare ruimte. Het verhard oppervlak binnen het plangebied bedraagt circa 1.460 m2. Hiermee is de bergingsopgave in het plangebied bepaald op 30 m3. Gelet op de goede waterdoorlatendheid van de bodem is infiltratie van hemelwater in het plangebied mogelijk.

Aan de achterzijde van het appartementengebouw is er circa 1.000 m2 onbebouwd en onverhard wat ingericht wordt met groen. Voorgesteld wordt om een bovengrondse berging in het groen toe te passen. De berging kan worden uitgevoerd in de vorm van een verlaging in het maaiveld. De circa 1.000 m2 aan groen biedt voldoende capaciteit om 30 m3  te bergen middels verlaging van het maaiveld. Het hemelwater kan middels oppervlakkige afstroming en IT-leidingen die onder de verharding wordt aangelegd afstromen naar het verlaagde maaiveld. Het terrein zal zo ingericht moeten worden dat water op verhard oppervlak afstroomt naar het verlaagde maaiveld. 

Bij de inrichting van het groen wordt rekening gehouden met de soorten bomen en beplanting. De bomen en beplanting moeten kortdurend tegen veel water kunnen.  Door hemelwater tijdelijk te bergen en te infiltreren wordt voldaan aan de trits vasthouden->bergen->afvoeren en betekent een verbetering van de waterhuishoudkundige toestand.

Als gevolg van de klimaatverandering nemen extreme neerslaggebeurtenissen. Om schade aan kwetsbare gebouwen te voorkomen worden ontwikkelingen getoetst aan zogenaamde stress-test. Voor dit plan houdt dat in dat een bui van 70mm geen schade mag veroorzaken. Bij de inrichting van het plangebied zullen de drempels van de appartementen daarom minimaal 30 cm boven straatpeil en achterpad aangelegd worden. Op deze wijze ontstaat er bij een extreme bui geen overlast of waterschade in de appartementen. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig.

Grondwater

De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) in plangebied bedraagt ongeveer NAP+10,40 meter. Het maaiveld verloopt vanaf de Hengevelderstraat van NAP+11,90 meter naar NAP+11,20 meter. De ontwateringsdiepte varieert tussen 80 cm en 150 cm. In de toekomstige situatie zal door infiltratie van hemelwater en door de klimaatontwikkeling de GHG enigszins stijgen. Gelet op de huidige GHG zal naar verwachting deze verhoging niet leiden grondwateroverlast.

5.9.3 Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.

5.10 Besluit milieueffectrapportage

5.10.1 Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:

  • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
  • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
  • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.

Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

5.10.2 Situatie plangebied

Dit bestemmingsplan voorziet in principe in directe eindbestemmingen voor de binnen de planonderdelen aanwezige activiteiten. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.

De voorgenomen ontwikkeling maakt een toevoeging van 12 wooneenheden binnen de bebouwde kom mogelijk. Dat betekent, dat het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt, zoals dat is bedoeld in categorie D.11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Deze activiteit betreft de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Een stedelijk project valt onder een m.e.r.-beoordelingsplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:

  • een oppervlakte van 100 hectare of meer,
  • een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of
  • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Aangezien deze drempelwaarden niet worden overschreden geeft het Besluit milieueffectrapportage aanleiding om een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieueffecten. Op grond van artikel 2 lid 5 van het Besluit milieueffectrapportage moet het voornemen worden getoetst aan de criteria van Bijlage III van de Europese m.e.r. richtlijn.

De beoordeling of het noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen is geheel afhankelijk van het feit of de specifieke omstandigheden waaronder de activiteit wordt ondernomen kunnen leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Dit worden de 'bijzondere omstandigheden' genoemd. Om te beoordelen of een m.e.r. moet worden opgesteld, bekijkt het bevoegd gezag of er sprake is van bijzondere omstandigheden. De bijzondere omstandigheden kunnen betrekking hebben op:

  • de kenmerken van de activiteit;
  • de plaats waar de activiteit plaatsvindt;
  • de samenhang met andere activiteiten ter plaatse (cumulatie);
  • de kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben.
5.10.3 Vormvrije m.e.r.

Kenmerken van de activiteit

Het plan omvat het realiseren van een appartementencomplex bestaande uit 12 appartementen en blijft daarmee ver onder de vorenstaande genoemde drempelwaarden. Gelet op de bestaande planologische gebruiksmogelijkheden kan worden gesteld dat het onderhavige plan niet gepaard gaat met een grote toename aan verkeersintensiteiten en daarmee gepaard gaande milieubelasting ten opzichte van de referentiesituatie. De effecten van het onderhavige plan ten aanzien van onder andere de aspecten 'bodem', 'ecologie', 'archeologie en cultuurhistorie' en 'water' zijn onderzocht en worden aanvaardbaar geacht.

Plaats waar de activiteit plaatsvindt (ligging ten opzichte van gevoelige gebieden)

Het plangebied ligt in de bebouwde kom. Ten aanzien van de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden volgende worden opgemerkt:

Natura-2000

Het onderhavige plan leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet Natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000-gebieden. Verdere toetsing in de vorm van een verslechteringstoets of een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming is niet aan de orde.

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN. Aangezien het plangebied buiten de begrenzing van het NNN ligt, is nadere toetsing aan de bepalingen uit de vigerende Omgevingsverodening Overijssel niet noodzakelijk.

De samenhang met andere activiteiten ter plaatse (cumulatie)

De voorgenomen ontwikkeling betreft een op zichzelf staande ontwikkeling en heeft geen samenhang met andere activiteiten in de omgeving.

De kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen

De mogelijke nadelige milieugevolgen ten gevolge van het onderhavige plan hebben betrekking op de aspecten 'bodem', 'ecologie', 'archeologie en cultuurhistorie' en 'water'. Ter onderbouwing van de milieukundige haalbaarheid van het onderhavige plan is naar al deze aspecten onderzoek verricht. Op grond van deze onderzoeken is aangetoond dat het onderhavige plan milieukundig uitvoerbaar is en dat effecten op het milieu aanvaardbaar zijn.

Conclusie

De voorgenomen uitbreiding kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject zoals omschreven in het Besluit milieueffectrapportage onder D 11.2. De realisatie van de voorgenomen ontwikkeling blijft weliswaar onder de aangegeven drempelwaarden uit kolom 2, maar op grond van de nieuwe wetgeving is alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk.

De conclusie van de m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied zelf en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. Geconcludeerd wordt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat het opstellen van een m.e.r. niet noodzakelijk wordt geacht.

Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving

6.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de uitvoerbaarheidsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels.
De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

6.2 Opbouw van de regels

6.2.1 Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.

De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • Inleidende regels (begrippen en wijze van meten);
  • Bestemmingsregels;
  • Algemene regels (o.a. afwijkingsregels);
  • Overgangs- en slotregels.
6.2.2 Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten:

Begrippen (Artikel 1)

In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

Wijze van meten (Artikel 2)

Dit artikel geeft onder meer aan hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

6.2.3 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De bestemmingregels zijn onderverdeeld in o.a.:

Bestemmingsomschrijving:

Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies.

Bouwregels:

In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing aan moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd.

Afwijken van de bouwregels:

Op basis van deze regels hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning op ondergeschikte onderdelen af te wijken van de bouwregels in het plan.

Specifieke gebruiksregels:

In de specifiek gebruiksregels is bepaald welk gebruik van gronden en opstallen in elk geval strijdig is met of wordt toegestaan binnen deze bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:

Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat door werken of werkzaamheden (bijvoorbeeld werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd) gronden minder geschikt kunnen worden voor het beoogde gebruik en/of hierdoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige waarden.

Wijzigingsbevoegdheid:

Deze regel geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om, onder voorwaarden, bestemmingen te wijzigen. Een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen voor wijzigen die niet meer als ondergeschikt aan de bestemming kunnen worden aangemerkt (zoals een afwijking van de bouw- en gebruiksregels).

6.2.4 Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

Anti-dubbeltelregel (Artikel 6)

Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

Algemene gebruiksregels (Artikel 7)

In dit artikel wordt aangegeven wel gebruik van gronden en bouwwerken in elk geval als strijd met de bestemming wordt aangemerkt. Deze gebruiksregels gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn.

(Algemene afwijkingsregels (Artikel 8)

In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om, onder voorwaarden, op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

Overige regels (Artikel 9)

Dit artikel omvat enkele aanvullende regels met betrekking tot het parkeren en het laden en lossen van goederen.

6.2.5 Overgangs- en slotregels

In Hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

6.3 Bestemmingen

Hoofdstuk 2 van de regels omvat alle binnen het plangebied voorkomende bestemmingen. Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht.In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

Groen (Artikel 3)

De structurele groene elementen binnen het plangebied zijn bestemd als Groen. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. De bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt maximaal 3 meter.

Woongebied - 1 (Artikel 4)

De nog niet ontwikkelde kavel is onder de bestemming 'Woongebied - 1' gebracht. Binnen deze bestemming is in de verbeelding een bouwvlak opgenomen, waarbinnen de gestapelde woningen en de daarbijbehorende bebouwing gerealiseerd mogen worden. Het bouwvlak geeft daarmee een duidelijk onderscheid tussen bebouwd en onbebouwd (tuinen, wegen, pleinen) gebied. De maximale goot- en bouwhoogte zijn door middel van aanduiding op de verbeelding weergeven.

Onderscheiden wordt de hoofdmassa (het appartementengebouw) en de overige bebouwing die bij de betreffende functie hoort. Er is er bewust voor gekozen begrippen als bijgebouwen of aan- en uitbouwen te vermijden, omdat dit stigmatiserend werkt en de gemeente naast het gebruik met name het volume van de bebouwing wil beoordelen vanuit het bestemmingsplan. In veel gevallen worden bijgebouwen onderscheiden van aan- of uitbouwen doordat er wel of geen directe verbinding tussen de gebouwen bestaat of aan de hand van het gebruik van het gebouw. Dit heeft ruimtelijk gezien weinig tot geen betekenis.

Bebouwing is tot de achterste perceelgrens toegestaan, zolang de goot- en bouwhoogten, alsmede het bebouwingspercentage niet meer bedragen dan ter plaatse is aangeduid. Dit laatste onder de voorwaarde dat de bebouwde oppervlakte van het achtererf niet meer mag bedragen dan 150 m² tot een maximum percentage van overwegend 20% van het erf.

Bij het wonen is de uitoefening van het aan huis verbonden beroep toegestaan en is onder een aantal voorwaarden een bed & breakfast-voorziening mogelijk. Bij beide functie geldt in ieder geval dat de woning in overwegende mate haar woonfunctie moet behouden en een ruimtelijke uitstraling of uitwerking moet hebben die in overeenstemming is met de woonfunctie.

Waarde - Archeologische verwachting 1 (Artikel 5)

Zoals in 5.8.1 verwoord wordt binnen het plangebied bepaalde archeologische waarden verwacht. Ter bescherming van deze archeologische waarden is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' opgenomen in dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk.

In het voorliggende geval is een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Hof van Twente. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.1 Vooroverleg

8.1.1 Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

8.1.2 Provincie Overijssel

Op 13 februari 2019 heeft de Provincie Overijssel reactie gegeven op het ontwerp bestemmingsplan, op voorhand zijn er geen opmerkingen op het ontwerp bestemmingsplan.

8.1.3 Waterschap Vechtstromen

Er heeft vooroverleg plaatsgevonden met waterschap Vechtstromen ex. artikel 3.1.1 Bro.

8.2 Inspraak

In december 2018 heeft een inloopbijeenkomst over het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan plaatsgevonden. Deze bijeenkomst heeft op perceelniveau nog tot enkele aanpassingen van het conceptbestemmingsplan geleid. Gelet hierop is ervoor gekozen de voorontwerp fase over te slaan.

8.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 15 mei 2019 gedurende 6 weken voor eenieder ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn zijn 3 zienswijzen ingediend. Deze zijn voorzien van een gemeentelijke reactie in de 'Zienswijzennotitie ontwerpbestemmingsplan Goor, herziening Hengevelderstraat 29-37', die als bijlage 4 is opgenomen bij de toelichting op het bestemmingsplan.

8.4 Vaststelling

Op 15 oktober 2019 heeft de raad van de gemeente Hof van Twente het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld.