direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Goor Noord
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1735.GOxGoorNoord-OP10

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Een aantal geldende bestemmingsplannen voor het noordelijk deel van de kern Goor dient geactualiseerd te worden om hiermee invulling te geven aan de actualisatieverplichting vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De Wro bepaalt dat bestemmingsplannen binnen een periode van tien jaar, gerekend vanaf de datum van vaststelling van het bestemmingsplan, opnieuw moeten worden vastgesteld door de gemeenteraad. Middels dit bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan deze actualisatieverplichting voor wat betreft de binnen het plangebied gelegen gronden. Hierbij worden de huidige geldende plannen binnen het plangebied vervangen door één actueel en digitaal vormgegeven bestemmingsplan.

Dit bestemmingsplan heeft een conserverend karakter. Dit betekent dat het bestemmingsplan is gericht op het 'conserveren' of 'beheren' van de bestaande (planologische) situatie in het plangebied. In dit plan zullen dan ook geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt die nog niet vervat zijn in een onherroepelijk bestemmingsplan of waarvoor anderszins een planologische procedure is afgerond of vergunning is verleend.

Overigens betekent het 'conserveren' of 'beheren' niet dat dit bestemmingsplan geen enkele ontwikkeling mogelijk maakt. Hierbij gaat het dan bijvoorbeeld om het bieden van mogelijkheden om op ondergeschikte onderdelen af te wijken van de bouw- en gebruiksregels.

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied is gelegen in het noorden van de kern Goor en omvat de gronden die worden gerekend tot de bedrijventerreinen Spechthorst en De Whee. In afbeelding 1.1 is het plangebied weergegeven op een luchtfoto middels een rode contour.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.GOxGoorNoord-OP10_0001.png"

Afbeelding 1.1: Luchtfoto plangebied Goor Noord met planbegrenzing (Provincie Overijssel)

De plangrens aan de noord en westzijde en het bovenste deel van de oostelijke grens wordt gevormd door de grens van het bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente'. De plangrenzen van de bestemmingsplannen 'Bedrijventerrein Zenkeldamshoek Goor' en 'Heeckeren (Goor)' (globaal de Enterseweg) vormen het overige deel van de oostelijke grens van het plangebied. Aan de zuidzijde vormen globaal de Molenstaat en de D.J. Bunschotenstraat-Laarstraat de grenzen van het plangebied en aan de zuidwestzijde vormt het 'Bestemmingsplan De Whee e.o.' de grens van het plangebied.

1.3 De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan "Goor Noord" bestaat uit de volgende stukken:

  • verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.1735.GOxGoorNoord-OP10) en een renvooi;
  • regels (met bijbehorende bijlagen);
  • toelichting (met bijbehorende bijlagen).


Op de verbeelding zijn de bestemmingen binnen het plangebied aangegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en is een verplicht onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting is niet juridisch bindend.

1.4 Huidig planologisch regiem

Binnen het plangebied van het op te stellen bestemmingsplan is sprake van diverse geldende bestemmings- en wijzigingsplannen. Het voert te ver om alle geldende plannen en de daarin opgenomen bestemmingen uitgebreid toe te lichten. Daarom wordt hierna middels een tabel uitsluitend aangegeven wat de geldende plannen zijn die middels het op te stellen bestemmingsplan worden herzien.

Geldende plannen/ verleende omgevingsvergunningen   Onherroepelijk geworden op:  
T.S.B. terrein   29 september 1988  
De Whee 1994   26 februari 1998  
T.S.B.-terrein 1999   28 september 2000  
Integrale herziening Spechthorst/ De Whee 2004   30 november 2006  
Reparatieregeling II - Archeologie   31 maart 2011  
Integrale herziening Spechthorst - De Whee, herziening Holtdijk 23   9 mei 2013  
Omgevingsvergunning Regge door Goor   19 maart 2013  

Vanwege het conserverend karakter wordt de huidige (planologische) situatie middels het op te stellen bestemmingsplan opnieuw vastgelegd. Nieuwe ontwikkelingen worden in principe niet mogelijk gemaakt binnen het op te stellen bestemmingsplan. Wel worden de wijzigingen die tussentijds hebben plaatsgevonden, bijvoorbeeld als gevolg van een verleende ontheffing, vrijstelling of afwijking, meegenomen in de op te stellen bestemmingsplannen.

Na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan zullen de hierboven genoemde geldende plannen of verleende omgevingsvergunningen (projectafwijkingsbesluiten), voor zover onderdeel uitmakend van het plangebied, en de daarin opgenomen bestemmingen komen te vervallen en worden vervangen door nieuwe bestemmingen.

1.5 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie in en rondom het plangebied. Hoofdstuk 3 behandelt het relevante beleid. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op de relevante omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 worden de gewenste ontwikkeling en de randvoorwaarden die daaraan worden gesteld beschreven. Hoofdstuk 6 gaat in op bestemmingsplansystematiek en licht de bestemmingen toe. In hoofdstuk 7 wordt de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan toegelicht, gevolgd door de maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 8.

Hoofdstuk 2 De beschrijving van het plangebied/de huidige situatie

2.1 Ruimtelijke structuur

2.1.1 Bebouwingsstructuren

Qua bebouwingsstructuren is er binnen het plangebied een onderscheid aan te brengen tussen de bebouwing die onderdeel uitmaakt van het bedrijventerrein, de met name aan de zuidzijde van het plangebied aanwezige woonbebouwing en de overige bebouwing binnen het plangebied. Hierna wordt op de hiervoor genoemde onderdelen ingegaan.

2.1.1.1 Bedrijventerrein

De oudste bebouwingstructuren in het plangebied zijn terug te vinden op het voormalig textielcomplex dat bekend staat als het T.S.B-terrein. Visueel gezien betreft dit als het ware een op zich zelf staand bedrijventerrein dat zich hoofdzakelijk kenmerkt door grootschalige bedrijfsbebouwing. Overigens is een deel van de voorheen aanwezige bedrijfsbebouwing inmiddels al gesloopt.

Grenzend aan het T.S.B-terrein, weliswaar gescheiden door de Wheeweg, bevindt zich bedrijventerrein Spechthorst. Ten westen van het T.S.B.-terrein, aan de andere zijde van het sportcomplex, bevindt zich bedrijventerrein De Whee. Van oudsher zijn de bedrijventerreinen Spechthorst en De Whee twee afzonderlijke bedrijventerreinen.

De Whee is als eerste aangelegd, ten noorden van het woongebied De Whee. Later werd bedrijventerrein de Spechthorst aangelegd en de laatste uitbreiding van het bedrijventerrein heeft plaatsgevonden aan de westzijde van de Regge. Qua bebouwingsstructuur is sprake van een monotone structuur die kenmerkend is voor bedrijventerreinen. De bedrijfsgebouwen betreffen overwegend gebouwen zonder bijzondere architectonische kenmerken die gericht zijn op de wegen in het plangebied. In afbeelding 2.1 is zijn een tweetal foto's opgenomen van op het bedrijventerrein aanwezige bedrijfsbebouwing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.GOxGoorNoord-OP10_0002.png"

Afbeelding 2.1: Foto's bedrijfsbebouwing binnen het plangebied (Bron: BJZ.nu/ Google Streetview)

Overigens is het bedrijventerrein vanaf de Enterseweg gezien met name naar binnen gericht. Enkel ter hoogte van de Enterseweg- Molenstraat is sprake van bedrijvigheid (Probin IJzerwaren) die echt naar buiten (richting de Enterseweg) gericht is.

Verspreid over de bedrijventerrein komen daarnaast nog enkele bedrijfswoningen voor.

2.1.1.2 Woonbebouwing

De reguliere woonbebouwing in het plangebied, hiertoe worden de bedrijfswoningen op het bedrijventerrein niet gerekend, betreffen allemaal grondgebonden woningen. Deze woonbebouwing concentreert zich met name langs de Molenstraat in het zuiden van het plangebied.

Qua bebouwingstructuren is er voor wat betreft de woningen gelegen direct ten noorden van de Molenstraat niet echt sprake van een aaneengesloten lint van woonbebouwing. Dit heeft met name te maken met het feit dat deze woonpercelen worden onderbroken door gronden die behoren tot bedrijfspercelen.

De woonbebouwing aan de westzijde van de Molenstraat maakt wel onderdeel uit van een bebouwingslint, te weten het bebouwingslint dat langs de Molenstraat loopt. Hierbij valt op dat de woningen binnen het plangebied direct grenzen aan het openbaar gebied (trottoir). In afbeelding 2.2 zijn foto's opgenomen van enkele woningen aan de Molenstraat. De foto links betreft een recent gerealiseerde woning aan de Molenstraat, de foto rechts geeft een beeld van het oudere bebouwingslint van woningen langs de Molenstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.GOxGoorNoord-OP10_0003.png"

Afbeelding 2.2: Woningen langs de Molenstraat (Bron: BJZ.nu)

Van andere echte bebouwingstructuren qua woonbebouwing is geen sprake. Wel komen er binnen het plangebied nog een tweetal solitair gelegen woningen voor.

2.1.1.3 Overige bebouwing

De overige bebouwing in het plangebied betreffen een gebouw ten behoeve van de Goorse Honden Dressuur Club aan de Wheeweg, de bebouwing van cafetaria 'De Specht' aan de Enterseweg en de bebouwing op sportpark 't Piepwillem. Van echte bebouwingstructuren is hierbij geen sprake.

2.1.2 Wegenstructuur

De belangrijkste routes in het plangebied betreffen de Enterseweg en de Wheeweg. De Enterseweg vormt, vanaf de Entersestraat gaat deze weg over in de Zomerweg, de toegangsweg tot de kern Goor vanuit het noorden. Bedrijventerrein Spechthorst wordt via de Breukersweg ontsloten op de Enterseweg. Via de Spechthorstweg wordt het bedrijventerrein ontsloten op de Wheeweg. De Wheeweg vormt op haar beurt de voornaamste ontsluitingsweg voor met name bedrijventerrein De Whee. Alle ontsluitingswegen binnen de bedrijventerreinen Spechthorst en De Whee komen in principe direct of indirect uit op één van de voornoemde wegen.

Naast deze wegen hebben ook de Holtdijk, de D.J. Bunschotenstraat en de Molenweg een voorname ontsluitingsfunctie. Hierbij is met name de D.J. Bunschotenstraat van belang voor de ontsluiting van het T.S.B.-terrein. De Molenweg is met name van belang voor de ontsluiting van de woonpercelen aan deze straat en de vormt in het verlengde van de Enterseweg de toegangsweg tot de kern Goor. De Holtdijk is van belang voor de ontsluiting van enkele bedrijven, zoals de rioolwaterzuiveringsinstallatie en het woonperceel aan de Holtdijk 23. Daarnaast vormt deze weg de grens tussen het plangebied en het buitengebied.

2.1.3 Groen en water
2.1.3.1 Groen

Hoewel op het bedrijventerrein zelf wel groen voorkomt is het terrein voornamelijk functioneel verkaveld en ingericht ten behoeve van de bedrijvigheid. Het groen op het bedrijventerrein bestaat hoofdzakelijk uit openbaar groen in de vorm van bermen met her en der een solitaire boom. In enkele gevallen is er op bedrijfspercelen zelf ook groen aanwezig in de vorm van gazon of een smalle strook beplanting anderszins. Daarnaast ogen de tuinen bij de op het bedrijventerrein aanwezige bedrijfswoningen over het algemeen groen.

De groenstrook langs de Enterseweg heeft een belangrijke afschermde functie voor het bedrijventerrein maar dient ook als bufferzone voor de ten oosten van het bedrijventerrein gelegen woonwijk. Hetzelfde geldt voor het opgaand groen ten westen van het T.S.B.-terrein met daarachter de enkele agrarische gronden die aansluiten op sportpark 't Piepwillem. Deze gronden vormen als het ware een bufferzone richting de ten zuiden-zuidwesten gelegen woonwijken.

Andere opvallende of van belang zijnde groenvoorzieningen of voorzieningen met een groene aanblik betreffen de gronden die in gebruik zijn bij de Goorse Honden Dressuur Club en het ten zuidwesten van deze gronden gelegen sportpark 't Piepwillem. Deze gronden vormen als het ware de buffer tussen bedrijventerrein Spechthorst en De Whee.

Binnen het plangebied is daarnaast nog sprake van diverse agrarische percelen. Enkele van deze percelen ogen weliswaar agrarisch, op basis van de geldende bestemmingsplan mogen deze echter worden benut ten behoeve van bedrijvigheid. Een voorbeeld hiervan zijn de gronden die globaal zijn gelegen tussen het woonperceel aan de Holtdijk 23, het bedrijfsperceel van Oosterbeek EPS aan de Breukersweg 12 en de Boven Regge. Andere voorbeelden betreffen het perceel gelegen tussen de rioolwaterzuiveringsinstallatie en het bedrijf gevestigd aan de Wheedwarsweg 9 en een perceel gelegen ten zuiden van Rpc Bebo Nederland aan de Enterseweg 7.

Percelen die vooralsnog ook daadwerkelijk als agrarische gronden bestemd zijn betreffen de gronden rondom de hoogspanningscentrale en de gronden ten noorden en ten westen van het bedrijfsperceel van Oosterbeek EPS.

2.1.3.2 Water

Het meest opvallende water in het plangebied betreft de Boven Regge. Deze waterloop is recent heringericht en van groot belang voor het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied (en de omgeving). Een andere van belang zijnde waterloop in het plangebied betreft de Holtdijksche beek. Daarnaast bevindt zich in het plangebied in de groenstrook langs de Enterseweg een relatief grote vijver evenals direct ten zuiden van het bedrijfsperceel van Oosterbeek EPS. De overige wateren in het plangebied betreffen met name kleinere vijvers en/of afwateringsloten

2.2 Functionele structuur

2.2.1 Algemeen

Qua functionele structuur wordt voor wat betreft het plangebied onderscheid gemaakt in:

  • bedrijven;
  • bedrijfswoningen;
  • kantoren;
  • woningen;
  • overige functies.
2.2.2 Bedrijven

Op de bedrijventerreinen De Whee en Spechthorst bevinden zich voornamelijk productiebedrijven van halffabrikaten en eindproducten en bedrijven voor de opslag van goederen. Enkele voorbeelden betreffen de vleesverwerkende bedrijven, de metaalverwerkende bedrijven en de kunststof be- en verwerkende bedrijven.

Op het bedrijventerrein komt bedrijvigheid tot maximaal de milieucategorie 3.2 (voorheen 3b) voor. Enkele bedrijven behoren tot een hogere milieucategorie dan 3.2, deze bedrijven zijn specifiek aangeduid. Een voorbeeld hiervan betreft de rioolwaterzuiveringsinstallatie aan de Holtdijk.

Over het algemeen is de opbouw van het bedrijventerrein zo dat in de nabijheid van woonwijken of woningen over het algemeen minder milieubelastende bedrijvigheid wordt toegestaan. Naar mate de afstand tot woningen groter wordt, wordt bedrijvigheid uit een hogere categorie toegestaan (inwaartse zonering).

2.2.3 Bedrijfswoningen

Op het bedrijventerrein zijn diverse bedrijfswoningen aanwezig. De meeste bedrijfswoningen bevinden zich op bedrijventerrein De Whee. In geval op een bedrijfsperceel een bedrijfswoning aanwezig is, bevindt deze woning zich voor op het perceel en is de woning gericht op de weg.

2.2.4 Kantoren

Binnen het plangebied komt één zelfstandig kantoor voor. Dit betreft het kantoorpand van De Croes Adviesgroep. De overige binnen het plangebied aanwezige kantoorpanden zijn gelieerd aan de ter plaatse aanwezige bedrijven.

2.2.5 Woningen

Zoals in het voorgaande al aangegeven komen binnen het plangebied diverse burgerwoningen voor. Deze bevinden zich allen aan de randen van het plangebied waarbij met name aan de Molenstraat een concentratie van woonbebouwing aanwezig is.

De woningen aan de noordzijde van de Molenstraat, hiervan grenst de achtertuin aan de bedrijfspercelen die op bedrijventerrein Spechthorst aanwezig zijn, betreffen de meest recente woningen in het plangebied. De woningen aan de westzijde van de Molenstraat, die onderdeel uitmaken van het lint langs de Molenstraat, zijn redelijk gedateerd. Enkele van deze woningen waren voorheen in gebruik als bedrijfswoning bij de voorheen aanwezige bedrijvigheid ter plaatse.

Naast de voornoemde woonbebouwing bevindt zich aan de Holtdijk 23 een voormalige agrarische bedrijfswoning die momenteel dienst doet als reguliere burgerwoning en is aan de Enterseweg 5 is een solitair gelegen burgerwoning aanwezig.

2.2.6 Overige functies

De overige functies binnen het plangebied hebben met name een recreatief karakter. Zo bevindt zich binnen het plangebied het sportpark 't Piepwillem, het complex van voetbalvereniging VV Twenthe. Daarnaast is binnen het plangebied een fitnesscentra aanwezig en een hondendressuurvereniging aanwezig.

Daarnaast bevinden zich binnen het plangebied een zonnestudio (maakt onderdeel uit van het fitnesscentra) en een tattooshop.

Hoofdstuk 3 Inventarisatie van relevant beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
3.1.1.1 Algemeen

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

3.1.1.2 Rijksdoelen en regionale opgaven

In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland ( de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:

  • Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol;
  • Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw;
  • Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe);
  • Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet.
3.1.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. De ladder kent drie treden die achter elkaar worden doorlopen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.GOxGoorNoord-OP10_0004.png" Afbeelding 3.1: Ladder voor duurzame verstedelijking (Bron: Ministerie van Infrastructuur en Milieu)

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere pkb's met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden.

In de SVIR wordt een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau gegeven. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken.

De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.

3.1.3 Nationaal Waterplan

In december 2009 is het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welke beleid het Rijk in de periode 2009-2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstroming, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan zal het beleid uit de Vierde Nota Waterhuishouding voortzetten. Het beleidsdoel is het realiseren of in stand houden van duurzame en klimaatbestendige watersystemen. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet, die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Het Nationaal Waterplan wordt elke 6 jaar herzien om in te kunnen spelen op nieuwe ontwikkelingen en inzichten. Het Rijk is bezig een nieuw Nationaal Waterplan (NWP) op te stellen voor de periode 2016-2021. Dit plan ligt nog ter inzage en heeft nog geen rechtskracht.

In het Nationaal Waterplan 2016-2021 komt te staan:

  • Hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid
  • Gewenste ontwikkelingen, de werking en de bescherming van de watersystemen in Nederland
  • Benodigde maatregelen en ontwikkelingen
  • Beheerplannen voor de stroomgebieden
  • Beheerplannen voor de gebieden met overstromingsrisico
  • Mariene Strategie
  • Beleidsnota Noordzee
  • Functies van de rijkswateren
3.1.4 Conclusie

Dit bestemmingsplan geeft invulling aan de actualisatieverplichting uit de Wro waarbij bestemmingsplannen binnen een periode van tien jaar opnieuw moeten worden vastgesteld. De SVIR, het Barro en het (toekomstige) Nationaal Waterplan vormen in dit kader geen belemmering omdat sprake is van een overwegend conserverend bestemmingsplan. Daarnaast zijn de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt beperkt van aard, het rijksbeleid laat zich hier niet specifiek over uit.

3.1.4.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

In de toelichting op artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt aangegeven dat in de toelichting van een ruimtelijk besluit het bieden van ruimte voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling standaard wordt gemotiveerd met de stappen zoals weergegeven in figuur 3.1.

Uit diverse uitspraken van de Raad van State volgt dat het voor de uitleg van het begrip 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' met name relevant is of een bepaalde functie voor het eerst planologisch mogelijk wordt gemaakt dan wel sprake is van een continuering van de bestaande planologische situatie. Zo is in een op 16 april 2014 gedane uitspraak geoordeeld dat de vestiging van een supermarkt die reeds planologisch mogelijk was, en waarbij geen aanvullende verbouwing is vereist, geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (zie: AbRvS, 16 april 2014, nr. 201308833/1/R3).

Uit een meer recentere uitspraak van de Raad van State volgt - samengevat- dat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder van duurzame verstedelijking niet wordt verstaan een bestemmingsplan dat voorziet in een conservering van geheel onbenutte bouw- en gebruiksmogelijkheden die realiseerbaar waren op grond van een bestemmingsplan dat is vastgesteld vóór inwerkingtreding van de Ladder voor duurzame verstedelijking (zie AbRvS, 6 augustus 2014, nr. 201206568/1/R1).

Dit actualiserende bestemmingsplan is overwegend conserverend van aard en legt de huidige (planologische) situatie opnieuw vast. Hierbij worden ook de onbenutte bouw- en gebruiksmogelijkheden, zoals vastgelegd in de geldende bestemmingsplannen, opnieuw vastgelegd. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen die nog niet vervat zijn in een onherroepelijk ruimtelijk plan of waarvoor anderszins een planologische procedure is doorlopen worden in eerste aanleg niet mogelijk gemaakt met dit bestemmingsplan. De ontwikkelingsmogelijkheden waar dit bestemmingsplan wel in voorziet betreffen een verruiming van de gebruiksmogelijkheden, gezien de beperkte omvang hiervan kunnen deze mogelijkheden niet worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkelingen.

Derhalve wordt, mede gezien het vorenstaande, geconcludeerd dat dit bestemmingsplan niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, lid 2 Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is in dit geval niet van toepassing.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Uitgangspunten van de Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel is het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In 2009 is de Omgevingsvisie en -verordening 2009 vastgesteld. Naar aanleiding van monitoring en evaluaties is de Omgevingsvisie en -verordening op onderdelen geactualiseerd. De Actualisatie Omgevingsvisie en -verordening is op 3 juli 2013 vastgesteld door Provinciale Staten en is op 1 september 2013 in werking getreden.

De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn:

  • door meer aandacht voor herstructurering wordt ingezet op een breed spectrum aan woon-, werk- en mixmilieu's; dorpen en steden worden gestimuleerd hun eigen kleur te ontwikkelen;
  • investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan;
  • zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik bij bebouwing door hantering van de zogenaamde 'SER-ladder'; deze methode gaat ervan uit dat eerst het gebruik van de ruimte wordt geoptimaliseerd, dan de mogelijkheid van meervoudig ruimtegebruik wordt onderzocht en dan pas de mogelijkheid om het ruimtegebruik uit te breiden, wordt bekeken; hierbij is afstemming tussen gemeenten over woningbouwprogramma's en bedrijfslocaties noodzakelijk;
  • ruimtelijke plannen ontwikkelen aan de hand van gebiedskenmerken en keuzes voor duurzaamheid.
3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • 1. generieke beleidskeuzes;
  • 2. ontwikkelingsperspectieven;
  • 3. gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hierna nader toegelicht.

3.2.3.1 Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase de zogenaamde 'SER-ladder' gehanteerd. Deze komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaande bebouwing en herstructurering worden benut, voordat er uitbreiding kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Ecologische Hoofdstructuur en verbindingszones etc. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend.

3.2.3.2 Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

3.2.3.3 Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisure-laag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

Afbeelding 3.2 geeft dit schematisch weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.GOxGoorNoord-OP10_0005.png"

Afbeelding 3.2: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

3.2.4 Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Indien dit bestemmingsplan wordt getoetst aan het uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

3.2.4.1 Generieke beleidskeuzes

Bij de afwegingen in de eerste fase 'generieke beleidskeuzes' zijn er geen aspecten die bijzondere aandacht verdienen. Dit bestemmingsplan voorziet immers niet in nieuwe ontwikkelingen maar legt de huidige (planologische) situatie opnieuw vast. Enkel wijzigingen die tussentijds hebben plaatsgevonden en ontwikkelingen die zijn vervat in een onherroepelijk bestemmingsplan of waarvoor anderszins een planologische procedure is afgerond of een vergunning is verleend worden in dit plan meegenomen.

3.2.4.2 Ontwikkelingsperspectieven

Het plangebied kent op basis van de ontwikkelingsperspectievenkaart van de provincie Overijssel diverse ontwikkelingsperspectieven. Het voert te ver om al deze ontwikkelingsperspectieven hier uitgebreid toe te lichten. Gezien het feit dat dit bestemmingsplan niet voorziet in nieuwe ontwikkelingen wordt dit ook niet noodzakelijk geacht.

Ten aanzien van de ontwikkelingsperspectieven wordt opgemerkt dat voorliggend bestemmingsplan enkel invulling geeft aan de actualisatieverplichting uit de Wro waarbij bestemmingsplannen binnen een periode van tien jaar opnieuw moeten worden vastgesteld. Enkel wijzigingen die tussentijds hebben plaatsgevonden worden meegenomen in dit conserverende bestemmingsplan.

3.2.4.3 Gebiedskenmerken

Bij toetsing van het ruimtelijke initiatief aan de gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) wordt opgemerkt dat er sprake is van een overwegend conserverend bestemmingsplan. Er worden geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot extra ruimtebeslag op de groene omgeving, de huidige (planologische) situatie wordt opnieuw vastgelegd. Omdat er geen sprake is van een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan hoeft ook niet getoetst te worden aan de gebiedskenmerken.

3.2.4.4 Waterbeleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

3.2.5 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat dit bestemmingsplan in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en het in de Omgevingsverordening Overijssel verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Waterschap Vechtstromen

Het waterschap Vechtstromen behoort tot het deelstroomgebied Rijn-Oost. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt, naast de voornoemde waterschappen, beheerd door de waterschappen Reest en Wieden, Groot Salland en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben de waterschappen intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Het nieuwe Waterbeheersbeheersplan is nog in procedure en heeft nog geen rechtskracht.

Het waterbeleid van het waterschap Vechtstromen is met name gericht op een duurzame aanpak van het waterbeheer: geen afwenteling, herstel van de veerkracht van het watersysteem, streven naar een meer natuurlijker waterbeheer, zoeken naar meer ruimte voor water, water toepassen als ordenend principe middels het gebruik van waterkansenkaarten en water langer vasthouden mede door flexibeler peilbeheer. Ook het streven naar een betere waterkwaliteit als onderdeel van duurzaamheid is een belangrijk speerpunt (tegengaan van lozingen, minder belasting van het water en het zoveel mogelijk tegengaan van diffuse verontreinigingen).

De twee belangrijkste onderdelen van het waterplan worden gevormd door:

  • het tekort aan waterberging in het landelijk gebied;
  • de inpassing van inrichtingsmaatregelen binnen de maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water.

Waterlopen met een beschermde status (Kaderrichtlijn water) staan vermeld op de verbeelding behorende bij een ruimtelijk plan. Informatie over de status van een KRW- lichaam en beoogde maatregelen verwoord in zogenaamde 'factsheets', wordt beschouwd als zwaarwegend belang waar slecht gemotiveerd van kan worden afgeweken door het treffen van mitigerende of compenserende maatregelen.

3.3.1.1 Situatie plangebied

Paragraaf 4.10 omvat de waterparagraaf, kortheidshalve wordt hiernaar verwezen.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Hof van Twente "Zicht op 2030"

De gemeente Hof van Twente heeft in juni 2010 de toekomstvisie 'Hof van Twente, zicht op 2030' vastgesteld. Het doel van deze toekomstvisie is het schetsen van de grote lijnen: wat kenmerkt de gemeente nu en straks.

Globaal kan de gemeente Hof van Twente omschreven worden als een gemeente met meerdere kernen, die een eenheid in verscheidenheid vormt. De kernen zijn allen uniek en voor een groot deel zelfvoorzienend. Wonen, werken, voorzieningen, scholing, recreëren is vaak binnen de eigen of naburige kern mogelijk. Het centraal gelegen Goor heeft qua bedrijven en instellingen betekenis voor de gehele gemeente.

Een landelijke trend is dat in de komende tientallen jaren de bevolking vergrijst en ontgroent. Om deze reden moeten er meerdere woningen gerealiseerd worden voor ouderen. Verder moeten er acties en maatregelen ondernomen worden om de gemeente weer aantrekkelijk te maken voor jongeren. Verder zal de gemeente zich richten op het verhogen van de kwaliteit van de nieuwbouw en de bestaande woningvoorraad en het verhogen van het aandeel levensloopbestendige woningen. Herstructurering en nieuwbouw zal samengaan met investeringen in duurzaamheid van woningen.

De toekomstvisie geeft een mogelijk toekomstperspectief voor de gemeente, met vernieuwende ideeën en kansrijke oplossingsrichtingen. In deze visie zijn 20 streefbeelden opgenomen. Het streefbeeld wat van toepassing is op (het grootste deel van) het plangebied.

Streefbeeld 15 : Werkgelegenheid in kernen, concentraties technische en productiebedrijven in grotere kernen. Hof van Twente beschikt in 2030 over een uitstekende bereikbaarheid over spoor, weg en water. Dit zijn belangrijke voorwaarden voor het vestigen van bedrijven in de gemeente. Binnen de gemeente is een grote diversiteit aan locaties ten behoeve van bedrijven. Voor grotere bedrijven is er het bedrijventerrein Zenkeldamshoek in Goor.

Wat de behoefte aan nieuwe bedrijfsterreinen betreft: door revitalisering en in hoogte bouwen (efficiënter ruimtegebruik) is de behoefte aan nieuwe terreinen beperkt. Bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen zullen in belangrijke mate centraal worden gecreëerd en gerevitaliseerd. Maar ook voor die centrale bedrijventerreinen geldt, dat ze voor lokale bedrijvigheid van binnen de gemeente bedoeld blijven en géén regionale functie bezitten.

In de kleine kernen beperkt zich dit tot werkelijk lokaal gebonden bedrijvigheid. Niet sociaal economisch gebonden bedrijven zijn aangewezen op de centrale kernen. Ook in industrieeleconomisch opzicht biedt de demografische krimp kansen om de focus te verleggen van expansie naar kwaliteit en duurzaamheid van bedrijventerreinen.

De directe nabijheid van de zich sterk ontwikkelende kenniseconomie in de regio Twente en de Euregio is een voordeel voor kleinere bedrijven en vooral voor kennis- en netwerkeconomie. Dit zorgt er voor dat ook jongeren hun kennis kunnen aanwenden in bedrijven gevestigd in onze gemeente.

Goede netwerken in de regio en actieve ondersteuning van al gevestigde ondernemers in de regio bieden de beste kans om onze aantrekkelijkheid om te zetten in economische activiteit."

3.4.1.1 Situatie plangebied

Dit bestemmingsplan legt uitsluitend de bestaande planologische situatie opnieuw vast. Binnen de regels van de bestemming 'Bedrijventerrein' wordt ruimte geboden voor revitalisering en efficiënter ruimtegebruik. Daarnaast bieden de regels van dit bestemmingsplan, voor zover een bestemmingsplan hierin kan voorzien, voldoende mogelijkheden geboden voor de verbetering van de kwaliteit en duurzaamheid van de bedrijventerreinen.

3.4.2 Structuurvisie Goor 2025

De Structuurvisie Goor 2025 bevat de gemeentelijke visie op de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de periode tot en met 2025 voor de kern Goor, met uitzondering voor het gebied waarvoor het Masterplan Centrum Goor is opgesteld. De ambities ten aanzien van meerdere onderwerpen (zoals wonen, economie, verkeer en infrastructuur en cultuurhistorie) zijn samengebracht in de structuurvisie, voor zover deze betrekking hebben op de ruimtelijke structuur van Goor. Daarnaast bevat de structuurvisie een visie op de ruimtelijke kwaliteit. De visie biedt hiermee één actueel ruimtelijk kader voor de verschillende beleidsterreinen.

In de structuurvisie wordt onder een visie op hoofdlijnen geschetst voor de kern Goor. In dit kader zijn met name de onderdelen Ruimtelijke kwaliteit en Economie van belang. Daarnaast wordt ook de mogelijke herontwikkeling van het TSB-terrein nog aangehaald.

3.4.2.1 Ruimtelijke kwaliteit

Voor wat betreft de toekomstige woon-, werk- en leefomgeving staat ruimtelijke kwaliteit hoog in het vaandel. Een verbetering en verankering van ruimtelijke kwaliteit in Goor heeft in hoofdzaak betrekking op de elementen ‘groen en water’ en ‘kwaliteit openbare ruimte’. Hierbij moet wel worden aangetekend dat een ruimtelijke kwaliteitsslag voor gebieden als geheel niet zonder een voldoende kwaliteit van bebouwing, waaronder individuele panden, kan.

Het element ‘groen en water’ heeft met name betrekking op het versterken van de groen- en waterstructuur. De kwaliteit van de (openbare) ruimte is op diverse plaatsen in de kern voor verbetering vatbaar. Specifiek genoemd kunnen worden het T.S.B-terrein en omgeving, de Pastoriestraat en omgeving, ’t Schild, bedrijventerreinen Haven Goor, alsmede enkele entrees en doorgaande wegen.

3.4.2.2 Economie

Goor ontleent haar ontwikkeling in belangrijke mate aan de industriële bedrijvigheid. Ook vandaag de dag is de werkgelegenheid een belangrijke kwaliteit. De relatie met de industrie hoeft niet te worden weggestopt, maar maakt prominent onderdeel uit van de structuur van Goor. Dit mag ook. Ook voor de toekomst is het behoud van een groot aandeel werkgelegenheid een streven. Naast de van oudsher sterk vertegenwoordigde branches als industrie en bouwnijverheid zal de gemeenten zich ook richten op de voor de toekomst kansrijke economische pijlers zorg en dienstverlening. Daarnaast heeft het bedrijventerrein Haven Goor potenties voor de ontwikkeling van watergebonden bedrijvigheid.

Ook wat betreft de ontwikkeling op en van bedrijventerreinen wordt ingezet op inbreiding en herstructurering boven uitbreiding. Vooral bedrijventerrein Spechthorst – De Whee biedt kansen voor intensivering van het ruimtegebruik.

3.4.2.3 TSB-terrein

Het TSB-terrein zal worden herontwikkeld. Hierbij kan gedacht worden aan het realiseren van een gemengd woon (- en werk)gebied waar alle potenties van Goor zichtbaar is. Deze potenties hangen vooral samen met de industriële geschiedenis, nog aanwezig in de bedrijfsgebouwen, structuren en karakteristieke gebouwen. Deze geschiedenis vormt de identiteitsdrager. Tevens biedt de locatie de mogelijkheid tot het versterken en beleefbaar maken van de Stadsregge, alsmede het verbinden van verschillende doorgaande groenstructuren door Goor.

3.4.2.4 Situatie plangebied

Dit bestemmingsplan voorziet niet in de juridisch-planologische kaders voor de herontwikkeling van het T.S.B.-terrein. Ook voorziet dit bestemmingsplan niet in directe ontwikkeling die direct leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit of een intensivering van het ruimtegebruik. Dit bestemmingsplan legt uitsluitend de bestaande (planologische) situatie opnieuw vast. Binnen de regels van dit bestemmingsplan, voor zover een bestemmingsplan hierin kan voorzien, wordt wel ruimte geboden voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en het intensiveren van het ruimtegebruik.

3.4.3 Archeologiebeleid

Op 1 januari 2010 is het gemeentelijke archeologiebeleid in werking getreden. Op de bijbehorende archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is aangegeven welke gebieden een lage, een middelhoge en een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben. Verder zijn ook de terreinen met bekende archeologische waarden in beeld gebracht (de archeologische monumenten). Afhankelijk van de verwachtingswaarde dient bij bouwplannen en ingrepen in de grond met een bepaalde omvang en diepte archeologisch vooronderzoek plaats te vinden.

  • Historische kern: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 50 m2 of meer;
  • Hoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 2.500 m2 of meer;
  • Middelhoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 5.000 m2 of meer;
  • Lage verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 10 ha of meer.

Dit beleid dient vertaald te worden in de planregels van de bestemmingsplannen die in procedure worden gebracht.

3.4.3.1 Situatie plangebied

In paragraaf 4.9.1 wordt nader ingegaan op de wijze waarop in dit bestemmingsplan wordt omgegaan met archeologische verwachtingswaarden in het plangebied.

3.4.4 Bodembeleid

De ambitie van de gemeente is om bodemverontreiniging te voorkomen en de goede kwaliteit van de bodem te behouden. De gemeente wil bodemaspecten tijdig meenemen in de planvorming. Bij het beoordelen van bestemmingsplannen wordt beoordeeld of de kwaliteit van de bodem voldoende geschikt is voor het nieuwe beoogde gebruik.

De gemeente geeft prioriteit aan het opheffen van bodemverontreinigingsgevallen die risico’s opleveren voor mens en milieu. De gemeente gaat bij de uitvoering van bodemonderzoek uit van de landelijk geldende onderzoeknormen. De gemeente besteedt in het bijzonder aandacht aan de aanwezigheid van asbest in bodem.

3.4.4.1 Situatie plangebied

In paragraaf 4.2 wordt nader ingegaan op het aspect bodemkwaliteit in relatie tot dit bestemmingsplan.

3.4.5 Bedrijventerreinenvisie

In februari 2011 heeft de gemeente de bedrijventerreinenvisie vastgesteld. De gemeente heeft ambities om de kwaliteit op bedrijventerreinen te garanderen. Kort samengevat hanteert de gemeente de volgende kwaliteitsopgaven en doelen:

  • Het versterken van het ondernemersklimaat in alle kernen;
  • Het verduurzamen van het ondernemerschap, de gebouwde omgeving, de verkeersstructuur en de openbare ruimte;
  • Een goede landschappelijke inpassing van bedrijventerreinen;
  • Het tegengaan van veroudering;
  • Het – waar mogelijk – intensiveren van arbeid op het terrein;
  • Het opstellen van een uitgifte en vestigingsprotocol.

De ambitie van de gemeente is om alle bedrijvigheid die zich aandient zo goed mogelijk ten accommoderen. Daarom wil de gemeente een gevarieerd en compleet aanbod aan bedrijventerreinen aanbieden. Het juiste bedrijf op de juiste plek is de doelstelling. Actieve uitbreiding van bedrijventerreinen vindt binnen de gemeente vooral plaats in Goor op Zenkeldamshoek. Voor de overige kernen geldt dat deze in eerste instantie bedoeld zijn voor de opvang van lokale aan de kern gebonden bedrijvigheid. Dit geldt ook voor lokaal gewortelde bedrijven. Daarbij probeert de gemeente zo veel mogelijk in te breiden op de bestaande locaties in de kernen, staat kleinschaligheid voorop en wordt ruimte geboden aan lokale ondernemers.

In maart 2014 heeft de gemeenteraad ingestemd met de aanvulling op de bedrijventerreinenvisie. Het doel van de aanvulling is het in relatie te brengen van het aanbod van bedrijventerreinen en de vraag vanuit de markt. Hiertoe is kritisch gekeken naar de bedrijfsbestemmingen en uitbreidingsmogelijkheden van bedrijventerreinen.

3.4.5.1 Situatie plangebied

Dit bestemmingsplan legt de bestaande bedrijfsbestemmingen en de daarbij behorende bouw- en gebruiksmogelijkheden opnieuw vast. Dit betekent dat ook de wijzigingsbevoegdheid uit het geldend bestemmingsplan 'Integrale herziening Spechthorst/ De Whee 2004, met deze bevoegdheid kunnen agrarische gronden worden omgezet naar bedrijventerrein, is overgenomen.

Geconcludeerd wordt dat dit bestemmingsplan voldoende mogelijkheden biedt, voor zover een bestemmingsplan deze mogelijkheden kan bieden, om de gemeentelijke ambitie te kunnen realiseren.

3.4.6 Nota Externe veiligheidsbeleid 2012 - 2015

Het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid staat verwoord in de Nota externe veiligheidsbeleid 2012 – 2015 “Veiligheid zonder absolute zekerheid”. Binnen de gemeente bevinden zich enkele risicovolle bedrijven. Naast opslag van gevaarlijke stoffen vindt vervoer daarvan plaats via weg, water, spoor en buisleidingen. Op de site www.risicokaart.nl staan de risicovolle bedrijven vermeld. Ten aanzien van nieuw vestiging van zwaardere en risicovolle bedrijvigheid stelt de gemeente zich terughoudend op. Kern van het te voeren beleid is dat wordt voldaan aan de minimale wettelijke eisen en verantwoord gebruik wordt gemaakt van bevoegdheden.

3.4.6.1 Situatie plangebied

In paragraaf 4.4 wordt nader ingegaan op de binnen het plangebied aanwezige risicobronnen. Dit bestemmingsplan voorziet niet in de vestiging van zwaardere en meer risicovolle bedrijvigheid.

3.4.7 Milieubeleidsplan

Het gemeentelijk milieubeleidsplan schetst de kaders, de hoofdlijnen en de richting van het te voeren samenhangend beleid voor diverse milieuthema’s, de aanpak van doelgroepen en de samenhang met het economisch-ruimtelijk beleid. De beleidsnota kent een visie deel tot 2020 en ambities tot 2015. Centraal staat het streven naar milieuduurzaamheid. Dit vindt plaats doordat milieuaspecten en -normen vroegtijdig in de voorbereiding van besluitvorming worden mee- en afgewogen met het oog op ontwikkeling en behoud van een goed woon- en leefklimaat.

3.4.7.1 Situatie plangebied

In Hoofdstuk 4 wordt uitgebreid ingegaan op alle milieu- en overige omgevingsaspecten. Dit bestemmingsplan is conserverend van aard, bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden worden gerespecteerd. Van een aantasting van het huidige woon- en leefklimaat als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan is dan ook geen sprake.

3.4.8 Nota geluidbeleid

De Nota gemeentelijk geluidbeleid 2013 – 2020 bevat voor 7 verschillende gebiedstypen beleid met betrekking tot wegverkeerslawaai en industrielawaai. De geluidnota bevat ook beleid voor onder andere cumulatie en compensatie van geluid. Het beleid is gericht op behoud van stilte waar het stil is. Dit geldt voor zowel het buitengebied als voor de kern.

Waar van nature al meer geluid is, bijvoorbeeld door verkeer op drukke doorgangswegen, is de gemeentelijke ambitie minder hoog.

3.4.8.1 Situatie plangebied

Op het aspect geluid wordt in paragraaf 4.1 nader ingegaan. Kortheidshalve wordt naar deze paragraaf verwezen.

3.4.9 Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2013- 2016

In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor:

  • inzameling en transport van stedelijk afvalwater.
  • het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater.
  • grondwater(maatregelen).

De doelmatige uitvoering van deze zorgplichten is in het vGRP vastgelegd en gaat uit van de volgende principes:

De trits "vasthouden - bergen - afvoeren" houdt in dat in eerste instantie getracht wordt het (gebiedseigen) water in de bodem te infiltreren. Indien dit niet mogelijk is dient het afstromend regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in de laatste instantie kan overwogen worden het water (zo traag mogelijk) af te voeren naar de omgeving.

De trits "schoonhouden - scheiden - schoonmaken" omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoon houden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en tevens het zuiveringsrendement worden verhoogd.

Het vGRP geeft inzicht in de omvang, het functioneren en de kwaliteitstoestand van de voorzieningen waarmee de gemeente invulling geeft aan de wettelijke zorgplichten voor het afval-, hemel- en grondwater. Het vGRP beschrijft de beleidskaders en de activiteiten voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval, hemel- en grondwater in de gemeente Hof van Twente voor de periode 2013-2016 en geeft de visie op de gemeentelijke watertaken voor de lange termijn (2030). In het vGRP zijn de gemeentelijke ambities vastgelegd ten aanzien van de invulling van zorgplichten op het gebied van stedelijk afvalwater, overtollig hemelwater en grondwateroverlast.

In lijn met het huidige beleidskader streeft de gemeente er naar vermenging van schoon hemelwater met afvalwater zoveel mogelijk terug te dringen (ontvlechten), waarbij de trits 'vasthouden-bergen-afvoeren' de voorkeursvolgorde is (basisniveau). Ontvlechting vindt in principe plaats als dat doelmatig en kosteneffectief is. Bij nieuwbouw is de aanleg van een gemeentelijk hemelwaterstelsel (riool of watergang) gebruikelijk, waar de particulier het hemelwater naartoe kan afvoeren. De infrastructuur wordt in principe zodanig ingericht dat de particulier in staat wordt gesteld het hemelwater (voor een deel) op eigen terrein te verwerken (lozen op aangrenzende sloot en/of infiltratie in de bodem). Is verwerking op eigen terrein niet mogelijk dan kan de particulier het hemelwater bovengronds afvoeren naar het gemeentelijk hemelwaterstelsel. Wat betreft de verwerking van overtollig hemelwater in riolen geldt dat het bewust inrichten van de bovengrond als waterberging c.q. waterafvoer de voorkeur heeft om eventuele inspanningen betaalbaar te houden.

Bij de grondwaterzorgplicht hebben perceeleigenaren nadrukkelijk een eigen verantwoordelijkheid bij het voorkomen van grondwaterproblemen. Als de grondwaterstand echter te zeer wordt bepaald door factoren buiten het perceel van de grondeigenaar dan zal de gemeente, in samenspraak met waterbeheerder en provincie, maatregelen treffen om structurele grondwaterproblemen te voorkomen of te beperken. Ten aanzien van de verwerking van grondwater bij nieuwbouw kan worden gesteld dat dit voldoende wordt ondervangen in het ?watertoets proces?. Hierbij worden vooraf de waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen bij de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties.

Hitte, droogte, watertekort en wateroverlast zijn aspecten die van wezenlijke invloed zijn bij het ontwerpen en bij de realisatie van plannen voor zowel inbreidings- als uitbreidingslocaties. Met deze aspecten wordt rekening gehouden door het principe van de meerlaagsveiligheid als bouwsteen van wezenlijk belang te hanteren bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen. Bestaande en nieuwe blauwe en groene elementen ondersteunen de klimaatadaptatie in het binnenstedelijk gebied en op bedrijven- en industrieterreinen. Afkoppelen van verhard oppervlak is niet een doel op zich. Doelmatigheid, haalbaarheid en betaalbaarheid van afkoppelmaatregelen worden meegewogen in ruimtelijke plannen. De samenhang met het beleid over klimaatadaptatie en overstromingsrisico wordt integraal beoordeeld.

Waterlopen met een beschermde status (Kaderrichtlijn water) staan vermeld op de verbeelding behorende bij een ruimtelijk plan. Informatie over de status van een KRW- lichaam en beoogde maatregelen verwoord in zogenaamde 'factsheets', wordt beschouwd als zwaarwegend belang waar slecht gemotiveerd van kan worden afgeweken door het treffen van mitigerende of compenserende maatregelen.

3.4.9.1 Situatie plangebied

Voor een nadere toelichting op het aspect water in relatie tot dit bestemmingsplan wordt verwezen naar de waterparagraaf welke in paragraaf 4.10 is opgenomen.

3.4.10 Conclusie

De hiervoor behandelde beleidsdocumenten zijn met name richtinggevend terwijl dit bestemmingsplan met name een conserverend en beheersgericht karakter heeft. Zo wordt voor wat betreft de bestaande woningen, bedrijvigheid en overige functies de bestaande planologische situatie opnieuw vastgelegd. Hiertoe worden overigens ook die percelen gerekend waar op basis van een onherroepelijk bestemmingsplan of andere planologische procedure gebouwd kan worden ten behoeve van de hiervoor genoemde functies.

Daar waar mogelijk zijn gemeentelijke beleidsuitgangspunten doorvertaald in de regels van dit bestemmingsplan of bieden de regels, voor zover een bestemmingsplan hierin kan voorzien, voldoende mogelijkheden om gemeentelijke beleidsambities te kunnen realiseren.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheidsaspecten/onderzoek

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, kabels en leidingen, milieuzonering, geurhinder, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, de waterparagraaf en het Besluit milieueffectrapportage.

4.1 Geluid

4.1.1 Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen.

4.1.2 Situatie plangebied
4.1.2.1 Wegverkeerslawaai

Ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai wordt opgemerkt dat dit bestemmingsplan conserverend van aard is en uitsluitend de bestaande (planologische) situatie opnieuw vastlegt. In hoeverre binnen het plangebied voor wat betreft de geluidsgevoelige objecten zoals woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere waarde is in het kader van dit conserverende plan niet van belang. Er worden immers geen nieuwe geluidsgevoelige objecten of nieuwe geluidsbronnen mogelijk gemaakt die al niet aanwezig zijn, of te realiseren zijn op basis van geldende bestemmingsplannen en/of verleende vergunningen.

4.1.2.2 Railverkeerslawaai

Spoorwegen zijn gelegen op ruime afstand van het plangebied. De wettelijke geluidszone van spoorwegen reikt dan ook niet tot in het plangebied. Overigens geldt ook hiervoor dat dit bestemmingsplan geen nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk maakt waarop dit aspect eventueel van toepassing zou kunnen zijn.

4.1.2.3 Industrielawaai

De bedrijventerreinen binnen het plangebied zijn niet gezoneerd waardoor het aspect industrielawaai, als bedoeld in de Wet geluidhinder, geen nadere toelichting behoeft.

4.1.3 Conclusie

In het kader van dit actualiserende en conserverende bestemmingsplan vormt de Wet geluidhinder geen belemmering.

4.2 Bodemkwaliteit

4.2.1 Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740.

4.2.2 Situatie plangebied

Dit bestemmingsplan heeft een conserverend en beheersgericht karakter en voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen die het uitvoeren van een bodemonderzoek noodzakelijk maakt. Indien de in het plan opgenomen ontwikkelingsmogelijkheden het uitvoeren van een bodemonderzoek noodzakelijk maken, dient voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen/ gewijzigd gebruik te worden aangetoond dat de kwaliteit van bodem in overeenstemming is met het nieuwe gebruik.

4.2.3 Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.3 Luchtkwaliteit

4.3.1 Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Daarnaast is ook het ´Besluit gevoelige bestemmingen´ van toepassing voor gevoelige bestemmingen op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

4.3.2 Situatie plangebied

Dit bestemmingsplan voorziet uitsluitend in een actueel juridisch-planologisch kader voor de bestaande (planologische) situatie in het plangebied. In dit plan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die nog niet vervat zijn in een onherroepelijk bestemmingsplan of waarvoor anderszins een planologische procedure is afgerond of een vergunning is verleend. De in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden zullen niet leiden tot een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit.

Vaststelling van dit bestemmingsplan leidt dan ook niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit in het plangebied.

4.3.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.4 Externe veiligheid

4.4.1 Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's zware ongevallen 1999 (Brzo 1999);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRvgs). Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

4.4.2 Situatie plangebied
4.4.2.1 Algemeen

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. In de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied weergegeven. Het plangebied wordt middels de blauwe contour weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.GOxGoorNoord-OP10_0006.png"

Afbeelding 4.1: Uitsnede Risicokaart met daarin weergegeven het plangebied (Bron: Risicokaart.nl)

Uit de uitsneden van de risicokaart blijkt dat binnen het plangebied verschillende risicobronnen aanwezig zijn, te weten:

  • Plukon Food Group;
  • Postma Snelvries B.V.; en
  • hogedrukaardgasleidingen;
  • een buisleiding voor brandstof;

Uit informatie van de Gasunie blijkt dat aan de Wheeweg (naast nummer 10) een gasdrukmeet- en regelstation aanwezig is. Daarnaast bevinden zich net buiten het plangebied nog enkele leidingen en het benzineservicestation Hoek V.O.F. aan de Enterseweg 10. Dit bedrijf beschikt tevens over een LPG-installatie.

Op de hiervoor genoemde risicobronnen wordt hierna nader ingegaan.

4.4.2.2 Plukon Food Group

In het geval van Plukon Food Group zijn meerdere ammoniakinstallaties aanwezig waarvan twee in de machinekamers en een leiding die uitpandig over het dak loopt. De plaatsgebonden risicocontouren van de ammoniakinstallaties in de machinekamer bedragen in beide gevallen 65 meter, de plaatsgebonden risicocontour van de leiding bedraagt 20 meter. Binnen de hiervoor genoemde contouren bevinden zich geen (beperkt)kwetsbare objecten. De inrichting kent daarnaast geen invloedsgebied voor het aspect groepsrisico.

4.4.2.3 Postma Snelvries B.V.

De plaatsgebonden risicocontour van de ammoniakinstallatie van Postma Snelvries B.V. bedraagt 15 meter. Ook hierbij is geen sprake van een invloedsgebied voor het groepsrisico. Ook binnen de hiervoor genoemde contour bevinden zich geen (beperkt) kwetsbare objecten.

4.4.2.4 Hogedrukaardgasleidingen

Binnen het plangebied bevinden zich een tweetal hogedrukaardgasleidingen van de Gasunie (transportroutedelen N-557-50 en N-557-48). Beide leidingen kennen geen plaatsgebonden risicocontour buiten de leiding.

Wat betreft het groepsrisico zijn de 1% en 100% letaliteitsgrens van belang. De 1% letaliteitsgrens bepaalt het invloedsgebied voor het groepsrisico. Binnen de 100% afstand is de invloed van de leiding zodanig groot dat toename van bebouwing en bewoning bijdraagt aan een verhoging van het groepsrisico.

Transportroutedeel N-557-50, dit betreft de leiding die evenwijdig loopt met de Holtdijk, heeft een maximale werkdruk van 40 Bar en een uitwendige diameter van 108,00 millimeter wat betekent dat de 100% letaliteitsgrens van de leiding is gelegen op een afstand van 30 meter uit het hart van de leiding. De 1% letaliteitsgrens is gelegen op een afstand van 50 meter uit het hart van de leiding.

Transportroutedeel N-557-48, deze leiding vangt aan ter hoogte van de rioolwaterzuiveringsinstallatie, heeft een maximale werkdruk van 40 Bar en een uitwendige diameter van 168,00 millimeter wat betekent dat de 100% letaliteitsgrens van de leiding is gelegen op een afstand van 40 meter uit het hart van de leiding. De 1% letaliteitsgrens is gelegen op een afstand van 70 meter uit het hart van de leiding.

Voor wat betreft de (beperkt)kwetsbare objecten die binnen het invloedsgebied van de leidingen zijn gelegen wordt opgemerkt dat dit bestemmingsplan conserverend van aard is. Dit bestemmingsplan heeft geen toename van het groepsrisico tot gevolg. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet noodzakelijk. Wel wordt ter bescherming van de gasleiding de dubbelbestemming 'Leiding - Gas' opgenomen in dit bestemmingsplan.

4.4.2.5 Buisleiding voor brandstof

In het westen van het plangebied is een buisleiding voor brandstof van het ministerie gelegen (Defensie Pijpleiding Organisatie). De betreffende leiding kent geen plaatsgebonden risicocontour of een invloedsgebied voor het groepsrisico.

Wel dient aan weerszijden van deze leiding dient een afstand van 12 meter te worden vrijgehouden. Deze zogenoemde belemmeringenstrook is in dit bestemmingsplan bestemd als 'Leiding - Brandstof'. Binnen deze dubbelbestemming gelden beperkingen voor de het bouwen ten behoeve van de onderliggende bestemmingen.

4.4.2.6 Gasdrukmeet- en regelstation Wheeweg ong.

Aan de Wheeweg ong, naast nummer 10, bevindt zich een gasdrukmeet- en regelstation van de Gasunie. Dit station kent, hoewel niet weergegeven op de risicokaart, een plaatsgebonden risicocontour van 15 meter. Binnen deze risicocontour bevinden zich geen (beperkt) kwetsbare objecten. Wel wordt deze risicocontour middels de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - gasdrukmeet- en regelstation' weergegeven op de verbeelding. Binnen deze zone mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten worden opgericht.

Het gasdrukmeet- en regelstation kent geen invloedsgebied voor het groepsrisico.

4.4.2.7 Benzineservicestation Hoek

Benzineservicestation Hoek bevindt zich net buiten het plangebied. De plaatsgebonden risicocontouren van het LPG-reservoir (25 meter) en de LPG-afleveringsinstallatie (15 meter) liggen niet over het plangebied heen. De plaatsgebonden risicocontour van het vulpunt (35 meter) ligt voor een beperkt deel over het deel van de Enterseweg dat onderdeel uitmaakt van het plangebied. Deze risicocontour is in de regels en op de verbeelding van dit bestemmingsplan meegenomen als 'veiligheidzone - bevi'. Binnen deze zone gelden beperkingen voor het oprichten van (beperkt)kwetsbare objecten.

Het invloedsgebied voor het groepsrisico bij dit benzineservicestation met LPG-installatie bedraagt 150 meter. Het plangebied bevindt zich deels binnen deze contour.

Ten aanzien van de binnen deze contour gelegen (beperkt)kwetsbare objecten wordt opgemerkt dat dit bestemmingsplan conserverend van aard is en uitsluitend de bestaande (planologische)situatie opnieuw vastlegt. Dit bestemmingsplan heeft geen toename van het groepsrisico tot gevolg. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet noodzakelijk.

4.4.3 Conclusie

Dit bestemmingsplan heeft een conserverend en beheersgericht karakter en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk die nog niet vervat zijn in een onherroepelijk bestemmingsplan of waarvoor anderszins een planologische procedure is afgerond of een vergunning is verleend.

Gezien het vorenstaande wordt gesteld dat dit bestemmingsplan in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

4.5 Kabels en leidingen

4.5.1 Algemeen

In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen. Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.

4.5.2 Situatie plangebied

Zoals in paragraaf 4.4 al aangevent bevinden zich binnen het plangebied hogedrukaardgasleidingen en een leiding voor brandstof. Daarnaast zijn binnen het plangebied 3 bovengrondse hoogspanningsleidingen van 110.000 Volt aanwezig en zijn binnen het plangebied diverse drinkwatertransportleidingen van de Vitens aanwezig.

Alle binnen het plangebied aanwezige en planologisch relevante kabels en leidingen krijgen een op behoud en bescherming gerichte regeling. Bij al deze leidingen en kabels hoort een belemmeringenstrook, binnen deze strook of zone mogen bij recht geen gebouwen worden opgericht. De belemmeringenstrook bij de betreffende leidingen bedragen:

  • bij de buisleiding voor brandstof 12 meter aan weerszijden van de leiding. Middels de dubbelbestemming 'Leiding - Brandstof' opgenomen in dit bestemmingsplan.
  • bij de regionale hogedrukaardgasleidingen 4 meter aan weerszijden van de leiding. In dit bestemmingsplan bestemd als 'Leiding - Gas';
  • bij de drinkwatertransportleidingen 5 meter aan weerszijden van de leiding. De belemmeringenstrook is bestemd als 'Leiding - Water';
  • bij de bovengrondse hoogspanningsverbindingen zijn verschillende belemmerde stroken aan weerszijden van de leiding. Deze belemmeringenstrook is voorzien van de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding.
4.5.3 Conclusie

Door het opnemen van diverse dubbelbestemmingen voor de binnen het plangebied aanwezige kabels en leidingen worden deze ook planologisch beschermd.

4.6 Milieuzonering

4.6.1 Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.

4.6.2 Gebiedstypen
4.6.2.1 Algemeen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' wordt een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven, winkels, horeca of kantoren) voor. Van een 'gemengd gebied' is sprake indien direct naast woningen andere functies voorkomen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook de aanwezigheid van verkeersaders kan een hogere milieubelasting in het gebied veroorzaken dan aanwezig is in een rustige woonwijk.

De Staat van Bedrijfsactiviteiten in bijlage 1 van de VNG-publicatie is afgestemd op het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Deze richtafstanden kunnen zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor bijvoorbeeld geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

Welke richtafstanden gelden voor de omgevingstypen 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied' is hieronder weergegeven.

Milieucategorie   Richtafstanden tot omgevings- type rustige woonwijk   Richtafstanden tot omgevings- type gemengd gebied  
1   10 meter   0 meter  
2   30 meter   10 meter  
3.1   50 meter   30 meter  
3.2   100 meter   50 meter  
4.1   200 meter   100 meter  
4.2   300 meter   200 meter  
5.1   500 meter   300 meter  
5.2   700 meter   500 meter  
5.3   1.000 meter   700 meter  
6   1.500 meter   1.000 meter  

4.6.2.2 Staat van Bedrijfsactiviteiten bedrijventerreinen

De Staat van Bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 1 van de VNG-publicatie bevat ook activiteiten die in beginsels niet passend zijn op een bedrijventerrein (zoals onderwijsinstellingen en culturele voorzieningen) en activiteiten die vanuit algemeen planologische overwegingen in de regels niet gewenst zijn op een bedrijventerrein (zoals landbouwbedrijven, veehouderijen, detailhandelsvestigingen). In de Staat van Bedrijfsactiviteiten bedrijventerreinen zijn die activiteiten weggelaten die in principe niet passen op een bedrijventerrein.

4.6.3 Situatie plangebied
4.6.3.1 Algemeen

In de geldende bestemmingsplannen voor de bedrijventerreinen is gebruik gemaakt van milieuzonering om zodoende voldoende afstand aan te houden tot milieugevoelige functies zoals 'wonen'. In dit bestemmingsplan zijn de percelen behorend tot een bedrijventerrein bestemd als 'Bedrijventerrein' waarbij gebruik wordt gemaakt van een Staat van bedrijven (deze komt overeen met bijlage 2 van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering).

In de geldende bestemmingsplannen voor de bedrijventerreinen zijn een aantal uitgangspunten gehanteerd die ook in dit kader van belang zijn voor het bepalen van de zonering. Op deze uitgangspunten wordt hierna nader ingegaan.

4.6.3.2 Uitgangspunten milieuzonering

Woningen

Direct grenzend aan het bedrijventerrein bevinden zich diverse woningen, hiertoe niet gerekend de bedrijfswoningen. Dit betreffen de woningen aan de Molenstraat en de woning aan de Entersestraat 5. Deze woningen grenzen met hun perceel aan het bedrijventerrein en kunnen dan ook niet worden gekarakteriseerd als liggend in een 'rustige woonwijk'. Voor wat betreft deze woningen wordt daarom uitgegaan van het omgevingstype 'gemengd gebied' en wordt direct grenzend aan het woonperceel bedrijvigheid tot de categorie 2 toegestaan.

Voor wat betreft de woning aan de Holtdijk 23 en de woningen buiten het plangebied wordt, net als in de geldende bestemmingsplannen, uitgegaan van het omgevingstype rustige woonwijk'. Dit met inachtneming van hetgeen aangegeven onder het kopje Bedrijven.

Bedrijven

Binnen het plangebied bevinden zich diverse bedrijven die tot een hogere milieucategorie behoren dan ter plaatse op basis van de gehanteerde zonering wordt toegestaan. Het betreffen onder meer de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI), enkele kunststoffenbe- en verwerkende bedrijven en een bewerkingsinrichting voor darmen en vleesafval. Deze bedrijven, en andere bedrijven behorende tot een hogere milieucategorie, zijn in dit bestemmingsplan specifiek aangeduid.

Daarnaast bevinden zich binnen het plangebied enkele bedrijven die als gevolg van de specifieke bedrijfsvoering niet worden genoemd in de Staat van bedrijven. Enkele voorbeelden hiervan betreffen een bedrijf gespecialiseerd in groentechniek, een ijzer- en staalgieterij, een groothandel en detailhandelsbedrijf in onder andere ijzerwaren en gereedschappen en een ontwerp- en installatiebedrijf van brandblussystemen.

4.6.4 Conclusie

Dit bestemmingsplan is conserverend van aard en legt de huidige (planologische) situatie grotendeels opnieuw vast. Met het hanteren van de vorenstaande werkwijze worden de huidige gebruiksmogelijkheden zoveel mogelijk gerespecteerd en wordt ten opzichte van de huidige situatie geen afbreuk gedaan aan het woon- en leefklimaat van omwonenden. Andersom worden bedrijven en andere functies over het algemeen niet extra beperkt als gevolg van de vaststelling van dit plan. Geconcludeerd wordt dat het aspect milieuzonering geen belemmering vormt.

4.7 Geurhinder

4.7.1 Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit.

De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:

  • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en
  • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.

4.7.2 Situatie plangebied

Binnen het plangebied zijn geen agrarische bedrijven aanwezig. In de omgeving van het plangebied bevinden zich wel diverse veehouderijen. Het betreft met name grondgebonden veehouderijen. Intensieve veehouderijen zijn gelegen op een afstand van circa 400 meter van het plangebied.

Agrarische bedrijven zijn op voldoende afstand gesitueerd van de geurgevoelige objecten in het plangebied. Daarbij legt het op te stellen bestemmingsplan uitsluitend de bestaande planologische situatie opnieuw vast. Het opnieuw vastleggen van de huidige planologische situatie leidt niet tot extra beperkingen voor omliggende agrarische bedrijven of een verslechtering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande geurgevoelige objecten.

4.7.3 Conclusie

Veehouderijbedrijven worden niet extra beperkt in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van de vaststelling van dit plan. Andersom draagt dit bestemmingsplan niet bij aan een verslechtering van de geursituatie in het plangebied. Het aspect geurhinder vanwege veehouderijen levert daarom geen belemmering op voor het bestemmingsplan.

4.8 Ecologie

4.8.1 Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

4.8.1.1 Gebiedsbescherming

Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 beschermd.

De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De EHS is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de EHS geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

4.8.1.2 Soortenbescherming

Wat betreft de soortbescherming is de Flora- en Faunawet van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.

4.8.2 Situatie plangebied
4.8.2.1 Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden zijn gelegen op ruime afstand van het plangebied. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, het gebied 'Borkeld', bedraagt circa 4,9 kilometer.

De concreet begrensde EHS is gelegen op een afstand van 1,7 kilometer van het plangebied. In het plangebied stroomt wel de Boven Regge, deze waterloop is aangeduid in het kader van de Kaderrichtlijn Water en gelegen binnen het ontwikkelingsperspectief 'Zone ondernemen met natuur en water buiten de EHS'. In afbeelding 4.2 wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van de (concreet begrensde) EHS inzichtelijk gemaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.GOxGoorNoord-OP10_0007.png"

Afbeelding 4.2: Ligging plangebied t.o.v. de EHS (Bron: Provincie Overijssel)

Het op te stellen bestemmingsplan heeft een conserverend en beheersgericht karakter en maakt ten opzichte van het geldende planologisch regiem geen nieuwe ontwikkelingen, dan wel zwaardere milieucategoriën mogelijk. Gelet op de bedrijvigheid met een relatief lage milieucategorie in relatie tot de afstand tot De Borkeld kan geconcludeerd worden dat een passende beoordeling niet noodzakelijk is. Van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden of een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS is dan ook geen sprake. Ten aanzien van de Boven Regge wordt aanvullend opgemerkt dat middels een omgevingsvergunning uitgebreide procedure (projectafwijkingsbesluit) de planologische kaders zijn geschapen voor het realiseren van een natuurvriendelijker en beleefbare Regge. Middels het toekennen van een bestemming 'Water' voorziet dit bestemmingsplan in een passende bestemming voor deze waterloop en de daarbij behorende gronden.

4.8.2.2 Soortenbescherming

Dit bestemmingsplan heeft een conserverend en beheersgericht karakter en legt uitsluitend de bestaande (planologische) situatie opnieuw vast. Dit plan voorziet niet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Hierdoor is ten opzichte van de huidige situatie geen sprake van nadelige effecten voor eventueel aanwezige bijzondere en/of beschermde flora & fauna.

Daarnaast blijft de Flora- en faunawet ook buiten de regels van dit bestemmingsplan van toepassing. Bijvoorbeeld bij de sloop van gebouwen of nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen anderszins.

4.8.3 Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan beschreven ontwikkeling.

4.9 Archeologie & Cultuurhistorie

4.9.1 Archeologie
4.9.1.1 Algemeen

Op grond van de Monumentenwet en de Bro is de gemeente verantwoordelijk voor de archeologische monumentenzorg in haar gebied. De gemeente heeft een archeologische zorgplicht en dient in ruimtelijke plannen te borgen dat bij ontwikkelingen die leiden tot grondwerken er voldoende aandacht is voor de aanwezige en te verwachten archeologische waarden.

Initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, kunnen verplicht zijn om archeologisch onderzoek te laten uitvoeren. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

4.9.1.2 Situatie plangebied

Het bestemmingsplan is conserverend van aard en legt uitsluitend de huidige bestaande situatie opnieuw vast. In eerste aanleg wordt niet voorzien in nieuwe ontwikkelingen die het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk maken.

De gemeente Hof van Twente beschikt over een eigen archeologische verwachtingskaart die reeds is vertaald in het geldende bestemmingsplan 'Reparatieregeling II - Archeologie'. Dit nu nog geldende bestemmingsplan en de daarin opgenomen dubbelbestemming ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden worden onverkort overgenomen in dit bestemmingsplan.

Op deze wijze is de bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden bij mogelijke toekomstige bodemingrepen voldoende verzekerd.

4.9.1.3 Conclusie

Met de hiervoor beschreven wijze van regeling is de bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden voldoende geregeld. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.9.2 Cultuurhistorie
4.9.2.1 Algemeen

Ieder bestemmingsplan dient tevens een analyse van cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. In de toelichting van een bestemmingsplan dient een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierbij dient tevens de historische (stede)bouwkunde en historische geografie te worden meegenomen in de belangenafweging. Aangegeven dient te worden welke conclusies aan de geanalyseerde waarden worden verbonden en op welke wijze deze worden geborgd in het bestemmingsplan.

4.9.2.2 Situatie plangebied

Om vast te stellen welke cultuurhistorische waarden een rol spelen het plangebied, is de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel geraadpleegd. Hieruit is gebleken dat binnen het plangebied geen sprake is van bijzondere cultuurhistorische waarden als een oude nederzetting, boerderijtype of een verdwenen landgoed. Tevens blijkt dat binnen het plangebied geen sprake is van gemeentelijke- en/of rijksmonumenten.

Het op te stellen bestemmingsplan is conserverend van aard en maakt in eerste aanleg geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk die leiden tot een aantasting van in de omgeving (kern Goor) aanwezige cultuurhistorische waarden.

4.9.2.3 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

4.10 Waterparagraaf

4.10.1 Algemeen

Zoals in diverse paragrafen in Hoofdstuk 3 uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

4.10.2 Situatie plangebied
4.10.2.1 Algemeen

Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk en heeft een conserverend en beheersgericht karakter. De bestaande openbare wateren binnen het plangebied krijgen een passende bestemming en blijven behouden. Voor het beheer en ter bescherming van enkele relevante waterlopen (de Boven Regge) is in dit bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waterstaat - Bebouwingsvrij' opgenomen. Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied, maar wel in het intrekgebied van de winning Herikerberg-Goor. Volgens de Omgevingsverordening en de Methodiek voor gebiedsgerichte grondwaterbescherming in Overijssel dient het plan aan het stand-still principe te voldoen. Doordat er sprake is van een actualiserend / conserverend bestemmingsplan blijft het risico op grondwaterverontreiniging gelijk en wordt voldaan aan het stand-still principe. Middels het opnemen van de gebiedsaanduiding milieuzone - intrekgebied is de bescherming van dit intrekgebied planologisch verankerd.

Het opnieuw vastleggen van de huidige (planologische) situatie heeft geen negatieve invloed op de waterhuishoudkundige situatie. Bij eventuele toekomstige ontwikkelingen, die middels een separate procedure planologisch geregeld moeten worden, wordt gestreefd naar een verbetering van de waterhuishouding.

4.10.2.2 Digitale watertoets

Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording hiervan heeft er toe geleid dat de zogenaamde 'normale procedure' van toepassing is. Dit betekent dat het voorliggende bestemmingsplan in het kader van vooroverleg voorgelegd moet worden aan het waterschap Vechtstromen. De bij deze 'normale procedure' behorende uitgangspuntennotitie is opgenomen als Bijlage 1 bij deze toelichting.

In de uitgangspuntennotitie worden diverse thema's benoemd. Vanwege het conserverende karakter van dit bestemmingsplan en het feit dat dit bestemmingsplan geen gevolgen voor de waterhuishoudkundige situatie tot gevolg heeft, wordt niet nader ingegaan op de in de uitgangspuntennotitie benoemde thema's.

4.10.2.3 Reactie waterschap

Tezijnertijd wordt hier de reactie van het waterschap opgenomen.

4.10.3 Conclusie

Wateraspecten zijn voldoende afgewogen en meegenomen in dit bestemmingsplan.

4.11 Besluit milieueffectrapportage

4.11.1 Algemeen

In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r.

Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren:

  • Een bestemmingsplan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 19j, lid 2 van de Natuurbeschermingswet 1998 noodzakelijk is;
  • Een bestemmingsplan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 3 (plannen).
  • Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordlingsplichtig.

Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.

Het komt er op neer dat voor bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.
4.11.2 Situatie plangebied
4.11.2.1 Artikel 19j, lid 2 van de Natuurbeschermingswet 1998

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, het gebied 'Borkeld, is gelegen op een afstand van circa 4,9 kilometer van het plangebied. Zoals in 4.8.2.1 al geconcludeerd heeft de vaststelling van dit bestemmingsplan geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden tot gevolg.

Een passende beoordeling op basis van artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 is dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.

4.11.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r.

Dit bestemmingsplan voorziet in principe in directe eindbestemmingen voor de binnen de conserverende planonderdelen aanwezige activiteiten. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. Middels dit bestemmingsplan worden echter geen activiteiten zoals genoemd in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. mogelijk gemaakt maar wordt de bestaande (planologische) situatie opnieuw vastgelegd.

Hoewel dit bestemmingsplan conserverend van aard is, zijn binnen de diverse bestemmingen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Deze bevoegdheden zijn echter beperkt van aard en omvang en leiden niet tot een wezenlijk ander plan. Zo kan binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' bijvoorbeeld worden geschakeld naar een bedrijf dat niet wordt genoemd in de Staat van bedrijven maar wel vergelijkbaar is met de ter plaatse toegestane bedrijvigheid. Dit kan echter niet leiden tot het toestaan van bedrijven in een hogere milieucategorie dan 3.2.Bedrijvigheid in maximaal de categorie 3.2 wordt over het algemeen niet genoemd in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. Daarnaast zal gezien de toegestane omvang van de bedrijfspercelen geen sprake zijn van een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C of D.

Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gezien het feit dat:

  • dit bestemmingsplan een overwegend conserverend en beheersgericht karakter heeft;
  • de in de regels opgenomen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden niet leiden tot een wezenlijk ander plan; en
  • de (al aanwezige en/of toegestane) activiteiten binnen de bestemmingen van een ander schaalniveau zijn en (vele malen) kleinschaliger zijn dan activiteiten zoals genoemd in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r.;

wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van belangrijk nadelige milieugevolgen die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

4.11.3 Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.(beoordelings)-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

5.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de uitvoerbaarheidsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels.
De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

5.2 Opbouw van de regels

5.2.1 Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.

De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels (begrippen en wijze van meten);
  • 2. Bestemmingsregels;
  • 3. Algemene regels (o.a. afwijkingsregels);
  • 4. Overgangs- en slotregels.
5.2.2 Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten:

In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

Dit artikel geeft onder meer aan hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

5.2.3 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De bestemmingregels zijn onderverdeeld in o.a.:
 

  • Bestemmingsomschrijving: 

Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies.

  • Bouwregels:

In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing aan moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd.

  • Specifieke gebruiksregels (indien van toepassing):

In de specifiek gebruiksregels is bepaald welk gebruik van gronden en opstallen in elk geval strijdig is met of wordt toegestaan binnen deze bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd.

  • Afwijken van de bouwregels (indien van toepassing):

Op basis van deze regels hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning op ondergeschikte onderdelen af te wijken van de bouwregels in het plan.

  • Afwijken van de gebruiksregels (indien van toepassing):

Deze afwijking geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om met omgevingsvergunning af te wijken van functies die in eerste aanleg strijdig zijn met de bestemmingsomschrijving of de specifieke gebruiksregels.

  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien van toepassing):

Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat door werken of werkzaamheden (bijvoorbeeld werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd) gronden minder geschikt kunnen worden voor het beoogde gebruik en/of hierdoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige waarden

  • Wijzigingsbevoegdheid (indien van toepassing):

Deze regel geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om, onder voorwaarden, bestemmingen te wijzigen. Een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen voor wijzigen die niet meer als ondergeschikt aan de bestemming kunnen worden aangemerkt (zoals een afwijking van de bouw- en gebruiksregels).

5.2.4 Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

In dit artikel is bepaalt dat in die gevallen dat de bestaande maatvoering van met vergunning tot stand gekomen bouwwerken, minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels van de bestemmingen is voorgeschreven, deze als minimale respectievelijk maximale maatvoering gehanteerd mag worden.

In dit artikel wordt aangegeven wel gebruik van gronden en bouwwerken in elk geval als strijd met de bestemming wordt aangemerkt. Deze gebruiksregels gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn.

De milieuzone - intrekgebied in verband met een gedeeltelijke ligging in een intrekgebied, aanvullende regels in verband met de zone rondom de waterzuiveringsinstallatie (milieuzone - waterzuiveringsinstallatie), de plaatsgebonden risicocontour van het tankstation met LPG buiten het plangebied (veiligheidzone - bevi) en de plaatsgebonden risicocontour van het gasdrukmeet- en regelstation aan de Wheeweg (veiligheidszone - gasdrukmeet- en regelstation) zijn opgenomen in dit artikel.

In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om, onder voorwaarden, op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

Dit artikel omvat een wijzigingsbevoegdheid op basis waarvan de bestemming van enkele nadere aangeduide gronden gewijzigd kan worden in 'Verkeer'.

Dit artikel omvat enkele aanvullende regels met betrekking tot het parkeren en het laden en lossen van goederen.

5.2.5 Overgangs- en slotregels

In Hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

5.3 Bestemmingen

Hoofdstuk 2 van de regels omvat alle binnen het plangebied voorkomende bestemmingen. Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Voor het leggen van bestemmingen is zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige (planologische) situatie. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

Agrarisch met waarden - Landschap (Artikel 3)

Gronden die agrarisch in gebruik zijn of waar agrarisch gebruik vooralsnog wordt voorgestaan zijn bestemd als 'Agrarisch met waarden - Landschap'. Gronden met deze bestemming zijn onder andere bedoeld voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, het behoud en het herstel van de op deze gronden voorkomende landschappelijke waarden, groenvoorzieningen en water, afvoer van water, tijdelijke berging en infiltratie van hemelwater.

Gebouwen zijn binnen deze bestemming niet toegestaan. Uitsluitend overige bouwwerken (bouwwerken, geen gebouwen zijnde) mogen binnen deze bestemming worden opgericht.

Bedrijf - Hoogspanning schakelstation (Artikel 4)

Deze bestemming is opgenomen voor een hoogspanningsinstallatie ten behoeve van het openbaar nut.

Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend worden opgericht binnen het bouwvlak waarbij de in de regels gegeven maatvoering in acht genomen dient te worden. Binnen het gehele bestemmingsvlak zijn tot slot overige bouwwerken (bouwwerken, geen gebouwen zijnde) tot een bouwhoogte van 3,50 meter toegestaan. Ten aanzien van de bouwhoogte van de andere overige bouwwerken is vastgelegd dat deze maximaal 15 m mag bedragen in verband met eventuele bliksempieken.

Bedrijf - Openbaar nut (Artikel 5)

De binnen het plangebied aanwezige openbare nutsvoorzieningen van enige omvang zijn bestemd als 'Bedrijf - Openbaar nut'. Binnen deze bestemming zijn utilitaire voorzieningen, zoals transformatorstations, gemalen en gasdrukregel- en meetstations toegestaan met de daarbij behorende terreinen en bouwwerken.

Gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend worden opgericht binnen het bouwvlak waarbij de in de regels gegeven goot- en bouwhoogte in acht genomen dient te worden. Binnen het gehele bestemmingsvlak zijn tot slot overige bouwwerken (bouwwerken, geen gebouwen zijnde) tot een maximale bouwhoogte van 8 meter toegestaan.

Bedrijventerrein (Artikel 6)

Aan de op de bedrijventerrein De Whee en Spechthorst aanwezige bedrijfspercelen is de bestemming 'Bedrijventerrein' toegekend. Zoals aangegeven in paragraaf 4.6 wordt op deze bedrijventerreinen gebruik gemaakt van milieuzonering om zodoende voldoende afstand tot milieugevoelige objecten in acht te houden. Middels aanduidingen op de verbeelding wordt weergegeven waar welke maximale categorie is toegestaan waarbij middels een Staat van bedrijven wordt aangegeven welke bedrijven tot welke categorie behoren.

Bedrijven die behoren tot een hogere milieucategorie of niet worden genoemd in de bij de regels behorende Staat van bedrijven zijn specifiek aangeduid. Inrichtingen als bedoeld in artikel 40 juncto artikel 1 van de Wet geluidhinder en/of risicovolle inrichtingen worden niet toegestaan binnen deze bestemming. In de specifieke gebruiksregels is bepaald dat ondergeschikte productiegebonden detailhandel bij bedrijven is toegestaan.

Naast bedrijvigheid tot maximaal de categorie 3.2 zijn deze gronden tevens bedoeld voor onder andere internetverkoop, groenvoorzieningen, verkeers- en verblijfsdoeleinden en de bestaande bedrijfswoningen zoals op de verbeelding weergegeven middels de aanduiding 'bedrijfswoning'.

In de bouwregels is bepaald dat de gebouwen en overkappingen, niet zijnde bedrijfswoningen, opgericht moeten worden binnen het bouwvlak. Hierbij dient de op de verbeelding weergegeven aanduidingen voor de maximale bouwhoogte en het maximale bebouwingspercentage in acht te worden genomen. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'fietsenstalling' is een gebouw in de vorm van een fietsenstalling toegestaan buiten het bouwvlak.

Bedrijfswoningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'. Hierbij is de maximale bouwhoogte van bedrijfswoningen gelijk aan de bouwhoogte van bedrijfswoningen met uitzondering daar waar een aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' geldt. Daar dient de op de verbeelding weergegeven maximale goot- en bouwhoogte in acht te worden genomen.

Ook binnen deze bestemming worden overige bouwwerken binnen het gehele bestemmingsvlak toegestaan.

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning een bedrijf toestaan die qua aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen is met de reeds toegestane categorieën van bedrijvigheid.

Groen (Artikel 7)

Het aanwezige beeldbepalend-, structureel- en begeleidend groen is in dit bestemmingsplan, net als in de geldende bestemmingsplannen, bestemd als 'Groen'. Deze bestemming is onder andere bedoeld voor groenvoorzieningen, een hondendressuurterrein ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - hondendressuurterrein', het bij het hondendressuurterrein behorende parkeerterrein dat is aangeduid met de aanduiding 'parkeerterrein', voet- en fietspaden toegangspaden en inritten naar omliggende bestemmingen en speelvoorzieningen.

Gebouwen en overkappingen zijn binnen deze bestemming uitsluitend ten behoeve van een hondendressuurterrein toegestaan. De maximale oppervlakte van deze bebouwing mag maximaal 200 m2 bedragen en de bouwhoogte maximaal 4 meter.

Overige bouwwerken zijn binnen alle bestemmingsvlakken toegestaan.

Groen - Groene ruimte (Artikel 8)

De bestemming 'Groen - Groene ruimte' is toegekend aan de gronden die zowel een semi-agrarische functie als een waardevolle functie in verband met de groene uitstraling hebben. Gronden met deze bestemming zijn onder andere bedoeld voor semi-agrarische doeleinden in de vorm van weide en grasland, dagrecreatief medegebruik, groenvoorzieningen en toegangspaden en inritten naar omliggende bestemmingen.

Binnen deze bestemming mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van beheer en onderhoud van groen en water worden gebouwd. Overige bouwwerken zijn binnen het gehele bestemmingsvlak toegestaan tot een maximale bouwhoogte van 3 meter.

Horeca (Artikel 9)

Cafetaria 'De Specht' en de daarbij behorende gronden zijn bestemd als 'Horeca'. Aangezien een cafetaria wordt gerekend tot de horecacategorie 2 wordt binnen deze bestemming horeca in de categorieën 1 en 2 toegestaan. Daarnaast zijn binnen deze bestemming onder andere terrassen, groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen toegestaan.

In de bouwregels is bepaald dat gebouwen en overkappingen uitsluitend mogen worden opgericht binnen het bouwvlak waarbij de bouwhoogte maximaal de op verbeelding weergegeven hoogte mag bedragen.

Buiten het bouwvlak zijn wel gebouwen en overkappingen voor verkeer- en verblijfsdoeleinden of voor openbare nutsdoeleinden toegestaan. Overige bouwwerken zijn ook binnen deze bestemming toegestaan binnen het gehele bestemmingsvlak.

Kantoor (Artikel 10)

Binnen het plangebied komt één zelfstandig kantoor voor. Dit kantoor is in dit bestemmingsplan bestemd als 'Kantoor'. Naast kantoren zijn binnen deze bestemming groenvoorzieningen, water, afvoer van water, tijdelijke berging en infiltratie van hemelwater, verkeers- en verblijfsdoeleinden, parkeervoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen toegestaan.

De gebouwen en overkappingen ten behoeve van de bestemming zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. Hierbij dient de op de verbeelding weergegeven bouwhoogte en een afstand van 4 meter tot de zijdelingse perceelsgrens in acht te worden genomen. Binnen het gehele bestemmingsvlak zijn binnen deze bestemming overige bouwwerken toegestaan.

Sport (Artikel 11)

Sportpark 't Piepwillem is conform het feitelijk gebruik en het geldend bestemmingsplan aldaar bestemd als 'Sport'. Gronden met deze bestemming zijn onder andere bedoeld voor sport- en spel, maatschappelijke voorzieningen, ondergeschikt aan de sport- en speldoeleinden, horeca 2, ondergeschikt aan en ten dienste van de sport- en speldoeleinden en parkeervoorzieningen.

Gebouwen en overkappingen, niet zijnde dug-outs, zijn uitsluitend toegestaan binnen de bouwvlakken. Hierbij dient de op de verbeelding aangegeven maximale bouwhoogte in acht te worden genomen.

Dug-outs zijn toegestaan binnen het gehele bestemmingsvlak waarbij het maximaal aantal dug-outs 6 mag bedragen. In de regels is tevens een maximale bouwhoogte en een maximale oppervlakte voor dug-outs opgenomen.

Tot slot zijn binnen de bestemming tevens overige bouwwerken (bouwwerken, geen gebouwen zijnde) toegestaan in de vorm van terreinafscheidingen, verkeers- en verblijfsdoeleinden en openbare nutsvoorzieningen, een vlaggenmast en andere overige bouwwerken.

Verkeer (Artikel 12)

De belangrijke doorgaande verkeersroutes met een belangrijke ontsluitingsfuncties in het plangebied zijn bestemd als 'Verkeer'. Deze bestemming is onder andere bedoeld voor wegen met een functie voor zowel het verkeer met een doorgaand karakter als de ontsluiting van aanliggende gronden, fiets- en voetpaden, verkeers- en verblijfsdoeleinden en groenvoorzieningen.

Binnen deze bestemming zijn qua gebouwen uitsluitend gebouwen en overkappingen voor verkeer- en verblijfsdoeleinden of voor openbare nutsdoeleinden toegestaan. Overige bouwwerken zijn ook binnen deze bestemming toegestaan binnen het gehele bestemmingsvlak.

Water (Artikel 13)

Zoals in 2.1.3.2 aangegeven zijn binnen het plangebied enkele waterlopen aanwezig met een belangrijke functie voor het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied. Deze waterlopen zijn in dit bestemmingsplan bestemd als 'Water'. Naast waterlopen en -partijen is deze bestemming bedoeld voor de waterhuishouding, water, afvoer van water, tijdelijke berging en infiltratie van hemelwater, verkeer in en over het water, groenvoorzieningen, verkeers- en verblijfsdoeleinden en openbare nutsvoorzieningen.

Gebouwen mogen binnen deze bestemming niet worden gebouwd. Uitsluitend overige bouwwerken mogen binnen deze bestemming worden gebouwd.

Wonen (Artikel 14)

De binnen het plangebied aanwezige woonpercelen, niet zijnde de percelen waar een bedrijfswoning aanwezig is en daar waar ook daadwerkelijk al een woning aanwezig is, zijn in dit bestemmingsplan bestemd als 'Wonen'. Gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor het wonen, waaronder ook het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep valt en een bed & breakfastvoorziening. Daarnaast zijn binnen deze bestemming onder andere groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen en garageboxen ter plaatse van de aanduiding 'garagebox' toegestaan.

In de bouwregels is bepaald dat gebouwen ten behoeve van het wonen opgericht moeten worden binnen het bouwvlak. Hierbij dient de voorgevel van de woning te worden gebouwd in de bouwstrook en mag het aantal woningen niet meer dan het bestaande aantal woningen bedragen. Overigens mag voor de voorgevel van de woning wel een erker worden gebouwd.

De maximale goot- en bouwhoogte voor gebouwen worden weergegeven op de verbeelding. Voor het achtererf geldt daarnaast een maximaal toegestaan bebouwingspercentage en een maximaal te bebouwen oppervlak van 150 m2. Op deze wijze wordt voorkomen dat het woonperceel geheel wordt bebouwd, hetgeen ongewenst wordt geacht. Voor de strook van 3 meter langs de zijdelingse perceelgrens zijn om die reden ook specifieke bouwregels waarmee voorkomen wordt dat deze stroken volledig tot de voorgevelbouwgrens worden volgebouwd.

Voor garageboxen is in de bouwregels voor wat betreft het bouwen binnen het bouwvlak een uitzondering gemaakt. Garageboxen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'garagebox' worden opgericht.

Naast bouwregels voor gebouwen zijn tevens bouwregels voor overkappingen ten behoeve van het wonen, gebouwen en overkappingen voor verkeers- of verblijfsdoeleinden of voor openbare nutsdoeleinden en bouwregels voor overige bouwwerken opgenomen.

Woongebied - 1 (Artikel 15)

De gronden waar op basis van een reeds verleende vergunning of op basis van het geldend bestemmingsplan een woning gebouwd mag worden, maar waar nog geen woning is gebouwd zijn in dit bestemmingsplan bestemd als 'Woongebied - 1'. Qua bouwregels en toegestane bebouwing is deze bestemming vergelijkbaar met de bestemming 'Wonen', met dien verstande dat op de verbeelding wordt weergegeven hoeveel woningen binnen het bestemmingsvlak mogen worden gebouwd. Voor een toelichting op deze bestemming wordt verwezen naar de toelichting zoals hiervoor gegeven.

Leiding - Brandstof, Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanningsverbinding, Leiding - Water (Artikel 16 t/m Artikel 19)

In 4.5.2is al aangegeven dat alle planologisch relevante kabels en leidingen een op behoud en bescherming gerichte regeling krijgen. Middels de voornoemde dubbelbestemmingen wordt hierin voorzien. Voor een nadere toelichting op de belemmeringenstrook wordt verwezen naar 4.5.2.

Waarde - Archeologie 2 (Artikel 20) en Waarde - Archeologie 3 (Artikel 21)

Zoals in 4.9.1 al verwoord worden binnen het plangebied bepaalde archeologische waarden verwacht. Ter bescherming van deze archeologische waarden zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen in dit bestemmingsplan.

Waterstaat - Bebouwingsvrij (Artikel 22)

In verband met de bescherming van enkele voorname waterlopen en de daarmee gemoeide waterschapsbelangen is de dubbelbestemming 'Waterstaat - Bebouwingsvrij' opgenomen. In de regels van deze dubbelbestemming is bepaald dat niet zonder meer bebouwing ten behoeve van de onderliggende bestemmingen mag worden opgericht binnen deze dubbelbestemming.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk.

Dit bestemmingsplan is conserverend van aard en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk die nog niet zijn vervat in een onherroepelijk bestemmingsplan of waarvoor anderszins een planologische procedure is afgerond of vergunning is verleend. De kosten voor het opstellen van dit plan komen voor rekening van de gemeente.

Dit bestemmingsplan kent wel diverse mogelijkheden om met een omgevingsvergunning af te wijken van het bestemmingsplan of het bestemmingsplan te wijzigen. Hierbij zal per geval worden bezien of de kosten op een initiatiefnemer van een plan worden verhaald op basis van de gemeentelijke legesverordening of door het sluiten van een overeenkomst. Tevens zal, indien noodzakelijk, een planschadeovereenkomst worden gesloten met een initiatiefnemer van een plan. Op deze wijze is het verhaal van de kosten voor de gemeente anderszins verzekerd, zodat geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld.

Bij vaststelling van dit bestemmingsplan door de gemeenteraad zal tevens het besluit worden genomen dat, voor die gevallen waar op basis van artikel 6.12 Wro juncto artikel 6.2.1 Bro een exploitatieplan verplicht is, geen exploitatieplan wordt vastgesteld omdat de kosten anderszins verzekerd zijn.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Vooroverleg

7.1.1 Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

7.1.2 Provincie Overijssel

Het voorontwerpbestemmingsplan "Goor Noord" is in het kader van vooroverleg opgestuurd naar de provincie. De provincie Overijssel heeft op 11 mei 2015 een vooroverlegreactie ingediend.

Weergave reactie

Aangegeven wordt dat er voor een gedeelte sprake is van een intrekgebied ten behoeve van de drinkwaterwinning. Het gestelde in de toelichting is dan ook niet correct.

Gemeentelijke reactie

Geconstateerd is dat een klein deel van het gebied inderdaad in het intrekgebied van de waterwinning Herikerberg is gelegen. De toelichting zal evenals de verbeelding worden aangepast en in de regels zullen hiervoor de gebruikelijke voorschiften worden opgenomen. De inspraakreactie wordt overgenomen en leidt tot aanpassing van het plan.

7.1.3 Waterschap Vechtstromen

Het voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van vooroverleg opgestuurd naar het waterschap. Het waterschap heeft geen aanleiding gezien tot het indienen van een vooroverlegreactie.

7.2 Inspraak

Het voorontwerp van het actualiseringsplan "Goor Noord" heeft met ingang van 30 april 2015 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn kon een ieder zijn / haar inspraakreactie indienen. Binnen deze termijn werd een vijftal inspraakreacties ingediend. De inspraakreacties zijn samengevat en voorzien van een gemeentelijke reactie in de Notitie Inspraakreacties zoals bijgevoegd in Bijlage 2.