direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Diepenheim 2015
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1735.Diepenheim2015-VO01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voor de kern Diepenheim gelden momenteel meerdere bestemmingsplannen. De gemeente wenst echter om voor het hele stad een integraal bestemmingsplan te maken met een eenduidige regeling dat voldoet aan de meest recente eisen uit de wetgeving (RO Standaarden 2012) en het meest recente Handboek bestemmingsplannen (2014). Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin. Daarnaast wordt voorzien in een regeling voor het beschermde stadsgezicht. Dit beschermde gezicht betreft een deel van de historische kern van Diepenheim dat door de gemeenteraad in 2008 is aangewezen.

1.2 Plangebied

Het plangebied wordt gevormd door de bebouwde kom van Diepenheim, waarbij de buitengrens is afgestemd op het plangebied van het bestemmingplan Diepenheim (2010) en Diepenheim - Noord 2 (2008). De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.Diepenheim2015-VO01_0001.png"

Figuur 1: Plangebied Diepenheim

1.3 Geldende bestemmingsplannen

Met het voorliggende bestemmingsplan worden de volgende bestemmingsplannen herzien:

  • Diepenheim (onherroepelijk per 22 juli 2010);
  • Diepenheim, herziening Raadhuisstraat-Hagen e.o. (Kunstwerk) (onherroepelijk per 22 juli 2010);
  • Diepenheim Noord 2 (vastgesteld 24 maart 2008);
  • Diepenheim Noord 2, herziening starterswoningen (onherroepelijk per 24 november 2011);
  • Diepenheim, herziening De Tuinen van Diepenheim (onherroepelijk per 19 januari 2012);
  • Diepenheim, herziening Wilsonweg 2b (vastgesteld op 30 september 2014);

Daarnaast is er nog een aantal uitwerkings- en wijzigingsplannen van kracht die op basis van voornoemde plannen zijn opgesteld

1.4 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie in en rondom het plangebied. Hoofdstuk 3 behandelt het relevante beleid. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op de relevante omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 gaat in op bestemmingsplansystematiek en licht de bestemmingen toe. In hoofdstuk 6 wordt de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan toegelicht, gevolgd door de maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 7.

Hoofdstuk 2 De beschrijving van het plangebied/de huidige situatie

2.1 Plangebied

Diepenheim ligt in het zuiden van de gemeente Hof van Twente, ten zuiden van Goor en het Twentekanaal. Het stadje is een van de zes kernen binnen de gemeente. Het plangebied omvat deze kern. De kern Diepenheim wordt begrensd door een lommerrijk landgoederenlandschap: aan de westzijde Huize Diepenheim, aan de zuidzijde Warmelo en aan de oostzijde Nijenhuis. Aan de noordzijde bevindt zich het relatief laaggelegen gebied van het Diepenheimerbroek waar ook de Boven Regge en de Molenbeek samenkomen. Binnen Diepenheim zijn de volgende woonbuurten te onderscheiden: 't Stedeke, Kuimgaarden, Zuid, De Akkers en Noord. Verder ligt aan de noordkant het bedrijventerrein Ruimersdijk.

2.2 Geschiedenis

Diepenheim is ontstaan bij een versterkte burcht wat veelvuldig voorkwam in Twente. De Havezaten in de omgeving (Nijenhuis, Warmelo, Peckedam, Westerflier, Weldam) zijn nauw gelieerd aan de burcht.

De eerste helft van de 16de eeuw is voor Diepenheim heel onrustig vanwege de strijd tussen de bisschop van Utrecht en de hertog van Gelre. In het begin van de 80-jarige oorlog domineren de Spanjaarden vanuit het bolwerk Oldenzaal heel Twente. Tijdens de 80-jarige oorlog is Diepenheim vrijwel met de grond gelijk gemaakt.

Door de beschikbare gegevens is vanaf 1500 met redelijke zekerheid aan te geven hoe Diepenheim zich als Stadje in ruimtelijke zin heeft ontwikkeld. Waarschijnlijk heeft Diepenheim omstreeks 1420 stadsrechten gekregen. In 1602 volgt de officiële bevestiging. Diepenheim was in die tijd, vanwege zijn sterke kasteel en omliggende havezaten voornamelijk van beland als grensvesting tegen Gelre.

Diepenheim heeft geen stadsmuren en stadspoorten gehad. Alleen een grachtensysteem werd aangelegd en diende als verdedigingswerk.

Het landschap rondom Diepenheim bestaat uit licht glooiende dekzanden, doorsneden door beken als de Boven-Regge en de Molenbeek. Met kleine bouwlanden op de dekzandruggen en weidegebieden langs de beken ontstond een kleinschalig coulisselandschap met verspreide bebouwing. Diepenheim vertoont dan ook trekken van een zwerm- of hoevedorp, maar dan wel binnen een feodaal landschap. De burcht van Diepenheim is van 1331 tot 1545 een bisschoppelijke grensversterking geweest. Rondom deze burcht ontwikkelden zich diverse borgen die uitgroeiden tot landgoederen, zoals Warmelo, Nijenhuis, Weldam en Westerflier. Deze landgoederen hebben door de eeuwen heen vorm en inhoud gegeven aan het feodale landschap rondom Diepenheim. Bossen en open velden wisselen elkaar af met daarin verspreide bij het landgoed behorende bebouwing, lanen en bosschages.

De industriële revolutie is aan Diepenheim voorbij gegaan. Tot in de twintigste eeuw bestond de enige groei van Diepenheim buiten 't Stedeke uit verspreide lintbebouwing langs de Goorseweg, de Haaksbergerstraat en de Raadhuisstraat. Het betreft voornamelijk agrarische bebouwing.

In opdracht van de Geldersch-Overijsselsche-Lokaalspoorweg Maatschappij de spoorlijn Neede-Hellendoorn gebouwd. Deze maakte deel uit van een fijnmazig spoornetwerk ten behoeve van de textielindustrie in Twente en de Achterhoek. Het station Diepenheim aan deze lijn is in 1910 aangetakt. Al in 1935 werd de lijn opgeheven en nu zijn de sporen van het tracé in het landschap en binnen de kern vrijwel uitgewist. Wel staat er nog het oude stationsgebouw aan de Lindelaan met daarnaast nieuwbouw op de oude spoorbedding.

Na 1960 heeft Diepenheim een beheerste groei doorgemaakt. De bouwmogelijkheden waren en zijn relatief beperkt gezien de aanwezigheid van omliggende landgoederen. Met Kuimgaarden vindt in de jaren zestig de eerste planmatige uitbreiding plaats. Gefaseerd wordt aan deze buurt tot in de jaren zeventig gebouwd. Eerst langs het historische wegenpatroon in aansluiting op 't Stedeke, daarna zijn de tussenliggende gebieden ingevuld. De bebouwing is hier over het algemeen zeer open met grote kavels, zodat de buurt een dorpsachtig karakter heeft.

In de jaren zeventig is begonnen met de buurt Zuid, ten zuiden van de Haaksbergerstraat. Deze buurt is dichter bebouwd dan Kuimgaarden, maar nog altijd overheerst een dorpsachtige sfeer. De stedenbouwkundige opzet bestaat uit voor die tijd kenmerkende woonerven. Eind jaren tachtig wordt de buurt De Akkers gebouwd ten zuiden van 't Stedeke en deels in aansluiting op bestaande bebouwing. Het beeld van Zuid wordt hierin doorgetrokken. In de jaren negentig vindt ten noorden van de Ruimersdijk nieuwbouw plaats in Noord. Hier valt de bijzondere verkaveling op met grote kavels en grote woningen.

Iets meer ten oosten van deze nieuwe buurt is het bedrijventerrein 'Ruimersdijk' aangelegd. Bijzonder is dat de uitbreidingen van Diepenheim de ligging van het histo-rische stadscentrum 't Stedeke ten opzichte van het landschap vrijwel niet hebben verstoord. De doorzichten naar het buitengebied en het bijzonde-re historische complex van Huize Diepenheim en de kerk staan nog altijd model voor het historische Diepenheim.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.Diepenheim2015-VO01_0002.png"

Figuur 2: Historische ontwikkeling van Diepenheim (bron: Topografische dienst Nederland)

Vanaf de jaren tachtig heeft Diepenheim zich in korte tijd ontwikkeld tot het kunststadje van Overijssel. Het begon met de oprichting van een galerie in het voormalige gemeentehuis aan de Grotestraat in 1981 en de organisatie van beeldenroutes in en om Diepenheim. Deze initiatieven zijn in 1990 samengebracht binnen de Kunstvereniging Diepenheim die zich richt op het exposeren van hedendaagse ruimtelijke kunst. Vooral de beeldende kunst is goed vertegenwoordigd in het stadje. Sinds 1995 is Diepenheim ook startpunt van een grensoverschrijdende kunst- en cultuurroute naar het Duitse stadje Schöppingen. Zo vormt Diepenheim een centrum waar kunst en cultuur samengaan met rust en ruimte. Naast de vele kunstobjecten in en om het stadje zijn er ook diverse ateliers en een expositieruimte van de Kunstvereniging te vinden.

2.3 Ruimtelijke karakteristiek

De ligging van Diepenheim in het glooiende landschap tussen talrijke beken en landgoederen is een van haar belangrijkste ruimtelijke kwaliteiten. Het stadje zelf ligt wat hoger op een dekzandwelving aan de Boven-Regge met in de directe omgeving lage beekdalen en natte gebieden als het Diepenheimerbroek.

De ruimtelijke structuur van het stadje zelf heeft zowel stedelijke als dorpse trekken in zich. De oude omgrachte stedelijke structuur is nog altijd terug te vinden in de plattegrond van Diepenheim. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Delden, Borculo of Lochem heeft Diepenheim verder geen stedelijke ontwikkeling meer doorgemaakt. De Raadhuisstraat, de Grotestraat en de Haaksbergerstraat verdichtten geleidelijk met meer agrarische bebouwing. In een latere fase werd ook de Goorseweg in het verlengde van de oprijlaan naar het Nijenhuis aangelegd.

Deze bebouwingsontwikkeling is grotendeels bepalend geweest voor de hoofdstructuur van Diepenheim. Deze wordt gevormd door de Grotestraat, de Goorseweg, de Borculoseweg en de Wilsonweg. Door de verkeersfunctie en de profielbreedte en/of de aard van de bebouwing onderscheidt dit deel van de ruimtelijke structuur zich duidelijk. De hoofdstructuur is in Diepenheim hierdoor voornamelijk oost-west georiënteerd.

Met de herinrichting van de Grotestraat is tevens een centrale ruimte midden in het stadje gerealiseerd op de kruising met de Borculoseweg en de Goorseweg. Deze herinrichting heeft met de moderne vormgeving en introductie van opvallend straatmeubilair een positieve bijdrage geleverd aan de kwaliteit van de openbare ruimte. Dit geldt ook voor de Goorseweg binnen de kern.

De bebouwing zelf voegt in Diepenheim, op enkele uitzonderingen na, weinig kwaliteiten aan het ruimtelijke beeld toe. De belangrijkste ruimtelijke kwaliteit van Diepenheim is in dat opzicht vooral de ligging in een cultuurhistorisch waardevol landschap.

De relatie tussen het omliggende landschap en Diepenheim is dan ook bijzonder te noemen Zo is met de herinrichting van de Grotestraat ook de loop van de Boven-Regge door Diepenheim weer zichtbaar gemaakt. Op deze locatie in het historische hart van Diepenheim is nog goed de verbondenheid met het buitengebied en Huize Diepenheim en Warmelo zichtbaar. Ook bij Stedekesweide en ten oosten van de Goorseweg en de Wilsonweg is de relatie tussen het buitengebied en het stadje nog goed zichtbaar. Stedekesweide is een parkgebied in ontwikkeling. Het gebied maakt deel uit van het beek- en parklandschap tussen Westerflier en de joodse begraafplaats. Het landschap bestaat ter plaatse uit een es met omliggende houtwallen en historische boerderijen langs de Raadhuisstraat. De es vormt het hart van het parkgebied dat wordt omgeven door een semi-agrarisch overgangsgebied.

In de naoorlogse woonbuurten is de relatie tussen de bebouwde kom en het buitengebied minder helder. Er bestaan nauwelijks doorzichten naar buiten toe. Hoewel de verschillende woonbuurten ruim van opzet zijn, ontbreken herkenbare groenstructuren die vanuit het buitengebied de bebouwde kom inlopen. De enige uitzondering hierop vormt de recent aangelegde Wilsonvijver. Hier is een natuurrijk watergebied ontstaan tussen de Goorseweg en de Haaksbergerstraat in aansluiting op de Nijenhuizerleiding.

De meeste recente uitbreiding is aan de noordkant van Diepenheim ten behoeve van de bouw van circa 65 woningen. Op dit moment zijn hiervan 28 woningen ontwikkeld. Het overige deel van dit woongebied is wel bouwrijp gemaakt.

2.4 Cultureel erfgoed

Binnen Diepenheim is de stadskern op grond van de Archeologische MonumentenKaart aangemerkt als een waardevol archeologische gebied. Het geldt als een terrein van archeologische waarde met resten van het middeleeuwse Diepenheim. De stedelijke kern is niet ommuurd geweest, maar omgracht. De gracht is in de loop van de tijd grotendeels gedempt en hier en daar nog zichtbaar. Uit historisch kaartmateriaal is gebleken dat Diepenheim aan de zuidzijde twee grachten heeft gehad. De overige terreinen van archeologische betekenis liggen buiten de kern Diepenheim. De voormalige havezate Peckedam ten oosten van de Goorseweg is hiervan een voorbeeld. Verder blijkt uit de kaart archeologische waarden (zie paragraaf 4.2) dat de omgeving van Diepenheim een lage, middelhoge en hoge archeologische waarde kent.

Binnen de bebouwde kom van Diepenheim bevinden zich 8 rijksmonumenten en 12 gemeentelijke monumenten. Het oudste rijksmonument is de Nederlands Hervormde Johanneskerk, die oorspronkelijk uit de twaalfde eeuw dateert. De toren stamt uit 1480. De huidige kerk dateert uit 1679 en is in 1967 gerestaureerd. Verder zijn er het voormalige negentiende-eeuwse gemeentehuis, een monumentaal woonhuis en een hallehuisboerderij. Al deze rijksmonumenten liggen aan de Grotestraat.

2.5 Beschermd stadsgezicht Diepenheim

In 2010 heeft de gemeenteraad besloten een deel van de historische kern van Diepenheim aan te wijzen als beschermd stadsgezicht. Het betreft hier niet een van rijkswege aangewezen stadsgezicht, maar een beschermd gemeentelijk stadsgezicht op basis van de gemeentelijke erfgoedverordening. Een belangrijke basis voor de regeling hiervan in het bestemmingsplan is de cultuurhistorische inventarisatie die is uitgevoerd door de Erfgoedcommissie (zie bijlage 1).

De ruimtelijke hoofdstructuur van Beschermd stadsgezicht Diepenheim kenmerkt zich door een historische structuur die onder andere door de volgende factoren goed bewaard is gebleven:

  • De door grachten omgeven historische kern
  • De aanwezigheid van Huize Diepenheim met kapel en de latere Johanneskerk aan de westzijde
  • De overige aangrenzende en daarmee inkaderende landgoederen als het Warmelo aan de zuidzijde
  • De loop van en ligging aan de rivier de Regge
  • De agrarische en ambachtelijke oriëntatie waardoor de industrialisatie en grote groei aan Diepenheim voorbij kon gaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.Diepenheim2015-VO01_0003.png"

Figuur 3: Hoofdstructuur van de historische kern van Diepenheim

In de cultuurhistorische inventarisatie (zie paragraaf 7.2 en 7.3 van bijlage 1) is een aantal conclusies en aanbevelingen gedaan die er voor moeten zorgen dat de waarden beschermd blijven. De beschermenswaardige waarden uit die inventarisatie zijn in dit plan geborgd in de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd gemeentelijk stadsgezicht' (zie paragraaf 5.2.17). Voor beeldbepalende en structuurbepalende panden die niet zijn aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument is een omgevingsvergunning voor het slopen van bouwwerken opgenomen.

Beeldbepalende panden kenmerken zich door een architectonische waarde. Structuurbepalende panden zeggen iets over de stedenbouwkundige opbouw van Diepenheim. Dit betekent bijvoorbeeld dat ze zichtlijnen, rooilijnen of straathoeken markeren, of juist de groot of kleinschaligheid van de bebouwing in Diepenheim duiden. In hoofdstuk 4 van bijlage 1 is een overzicht gegeven van de beeld- en structuurbepalende panden.

Voor een uitgebreide beschrijving van de karakteristieken van het Beschermd stadsgezicht Diepenheim wordt verwezen naar bijlage 1.

Hoofdstuk 3 Inventarisatie van relevant beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de bestuurlijke druk te beperken brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een meer selectieve inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking, Besluit ruimtelijke ordening (2012)

De ladder voor duurzame verstedelijking is als proces-vereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dit betekent dat overheden bij het toestaan van nieuwe stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen moeten nagaan:

  • of er sprake is van een regionale vraag (trede 1);
  • of het programma binnen bestaand stedelijke gebied kan worden gerealiseerd (trede 2);
  • indien de plannen niet binnen bestaand stedelijk gebied kunnen worden gerealiseerd: de multimodale ontsluiting van het plangebied (trede 3).

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • 1. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  • 2. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel 1, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;
  • 3. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel 2, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

De bouwmogelijkheden die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, zijn al opgenomen in de geldende bestemmingsplan. Op grond van jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State hoeft hiervoor niet opnieuw de ladder te worden doorlopen.

3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 13 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Dit bestemmingsplan raakt geen rijksbelangen zoals deze genoemd zijn in het Barro.

3.2 Waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen. Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2010-2015. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.

In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.

Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Overijssel

In de Omgevingsvisie Overijssel (2009) wordt de visie op de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel geschetst. De visie is daarbij gericht op 2030.

De ambitie van de provincie ten aanzien van de woonomgeving, is het realiseren van aantrekkelijke en gevarieerde woonmilieus, die voorzien in de woonvraag. Om dit te bereiken wordt ingezet op maatwerk. Het is de bedoeling om daarbij vooral ook de uitersten (kleinschalige extensieve milieus en aan de andere kant hoogstedelijke compacte mixmilieus) te bedienen.

Bij het realiseren van de woningbouwopgave wil de provincie de ruimte zuinig en zorgvuldig benutten. Dit betekent dat voor woningbouw de zogeheten SER-ladder wordt gehanteerd. Deze houdt in dat de woningbouwopgave eerst door herstructurering, transformatie of inbreiding moet worden gerealiseerd. Pas als dit onvoldoende blijkt voor het aantal woningen en de kwaliteit van de woonomgeving, kan uitbreiding van het stedelijk gebied plaatsvinden.

Het plangebied ligt in de stedelijke omgeving. Met de stedelijke omgeving worden de steden, dorpen en hoofdinfrastructuur bedoeld. In de stedelijke omgeving wordt onder andere ingezet op dorpen en kernen als veelzijdige leefmilieus. Dit bestemmingsplan is niet in strijd met provinciale belangen, zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Overijssel.

3.3.2 Omgevingsverordening

Gekoppeld aan de Omgevingsvisie heeft de provincie een Omgevingsverordening (herzien op 12-09-2013) opgesteld. In de Omgevingsverordening worden regels gesteld ten aanzien van het provinciaal belang. Voor nieuwbouw van woningen is het van belang dat deze worden afgestemd op een gemeentelijke woonvisie.

De provincie wil ruimtelijke kwaliteit realiseren door, naast bescherming, vooral in te zetten op het verbinden van bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen. Gelet op het feit dat het hier hoofdzakelijk gaat om het planologisch vastleggen van een bestaande situatie in de vorm van een nieuw integraal bestemmingsplan kan worden gesteld dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteiten c.q. kenmerken van het gebied. Hierbij zijn de gebiedskenmerken van provinciaal belang het uitgangspunt.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Toekomstvisie zicht op 2030

In 2010 heeft de gemeente Hof van Twente de toekomstvisie voor hun grondgebied vastgesteld. Het doel van deze toekomstvisie is om de grote lijnen van de gemeente te schetsen: wat kenmerkt de gemeente nu en straks? Daarnaast geeft de toekomstvisie een mogelijk toekomstperspectief, met vernieuwende ideeën en kansrijke oplossingsrichtingen. De politiek en de burgers zullen de toekomstvisie een verdere concrete invulling geven. Dit kan in de komende jaren gestalte krijgen door de visie te gebruiken als toetsingskader voor sectorale beleidsontwikkeling (beleidsplannen) en meerjarige planvorming (programmabegrotingen).

3.4.2 Woonvisie 2009 - 2013 / Oplegnotitie en dynamisch woningbouwprogramma

In 2009 heeft de gemeente Hof van Twente de woonvisie "Groeien in kwaliteit" voor de periode 2009 - 2013 vastgesteld. In november 2012 is de "Oplegnotitie 2009-2013" vastgesteld. Deze notitie vormt een aanvulling op voornoemde woonvisie.

De gemeente staat voor een grote opgave. Er is een einde gekomen aan een periode van geleidelijke bevolkingsgroei. De bevolkingsdaling is ingezet. De komende jaren zal de bevolking verder vergrijzen. De gemeente wil een zo goed mogelijk woonklimaat bieden aan de inwoners. De woonvisie vormt de basis om samen met andere partijen op de woningmarkt te zorgen dat ook in de toekomst alle inwoners van de Hof van Twente naar wens kunnen blijven wonen. Concreet wordt ingezet op het bouwen voor de eigen woningbouwbehoefte. De bijlage bij de woonvisie bevat een dynamisch woningbouwprogramma dat per kern en per project inzicht geeft in het aantal te bouwen woningen en de daarbij behorende fasering. Daardoor wordt duidelijk wanneer woningen worden gebouwd. Het voorliggende bestemmingsplan Diepenheim 2015 staat niet in het woningbouwprogramma, omdat het een consoliderend plan is. Er worden geen nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Wel is er binnen de grenzen van het bestemmingsplan ruimte voor een eventuele gewenste kwaliteitsverbetering.

3.4.3 Welstandsnota

In de Welstandsnota (2012) geeft de gemeente de criteria voor de welstandstoets. De gemeente bestaat uit meerdere landschapstypen en een zestal kernen waarbinnen onderling verschillende gebieden waarneembaar zijn. De landschapstypen en de verschillende gebieden binnen de kernen vormen de basis voor een per deelgebied verschillend welstandbeleid.

Er zijn acht deelgebieden voor de kernen onderscheiden, namelijk Historische centra, Nieuwe centra, Linten 'aan de weg', Linten 'los op de kavel', Linten 'oud en nieuw', Buurten, Industrie en Bedrijfsterrein. In Diepenheim komt een aantal van deze deelgebieden voor. Afhankelijk van de locatie in de kern dient voor het betreffende deelgebied te worden getoetst aan de criteria die betrekking hebben op plaatsing, hoofdvorm, gevel, detaillering en erf.

3.4.4 Integrale Beheersvisie openbare ruimte

De IBV is geschreven naar aanleiding van de behoefte aan een integrale visie op het beheer en onderhoud van de openbare ruimte in de gemeente Hof van Twente. De behoefte wordt gevoeld aan meer duidelijkheid en samenhang tussen de verschillende elementen in de openbare ruimte en versterking van het beheer van de openbare ruimte. Het gaat hierbij om meer inzicht te krijgen in de kwaliteit van de openbare ruimte op het gebied van beheer en onderhoud en hoe de verschillende benaderingen van kwaliteit (technische benadering en beleving van bewoners) zich tot elkaar verhouden en hoe deze verschillende kwaliteitscriteria zich verhouden tot de financiële middelen die nodig zijn om de openbare ruimte op een vastgestelde kwaliteit te kunnen onderhouden. De IBV geeft inzicht in deze samenhang.

3.4.5 Gemeentelijk mobiliteitsplan (2007)

De gemeente heeft in december 2007 een mobiliteitsplan vastgesteld. Dit plan biedt een overzicht van maatregelen op verkeersgebied die erop gericht zijn om de bereikbaarheid, de leefbaarheid en de veiligheid van de woningen en de bedrijven te verbeteren. Dit plan biedt tevens een kader waaraan ruimtelijke plannen met betrekking tot deze aspecten kunnen worden getoetst. In het bijbehorende maatregelenpakket wordt het beleid naar de praktijk vertaald. Relevante doelstellingen zijn de volgende:

  • het wegen- en stratennet wordt duurzaam veilig ingericht en heringericht;
  • het fietsverkeer wordt gestimuleerd, het fietsroutenetwerk wordt verbeterd;
  • bij nieuwbouwplannen wordt een parkeertoets en een mobiliteitstoets uitgevoerd.

Met deze doelstellingen wordt bij het beheer, de inrichting en de eventuele ontwikkelingen in het plangebied rekening gehouden. Verder gelden voor het vrachtwagenverkeer van en naar bedrijventerreinen de specifieke doelstelling dat de bereikbaarheid van bedrijventerreinen gewaarborgd moet blijven en, waar mogelijk en noodzakelijk, worden verbeterd. Het gaat daarbij om een goede directe ontsluiting van verkeer en vrachtverkeer naar het hoofdwegennet, zodat dit (vracht)verkeer niet (meer) door de woonwijken rijdt als het daar niet thuis hoort. Vanwege de ruimtelijke kwaliteit, de leefbaarheid en de verkeersveiligheid moet het parkeren en laden en lossen op eigen terrein plaatsvinden en niet op de openbare weg.

Ten slotte streeft de gemeente ernaar om op het gemeentelijke grondgebied geen reguliere routes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vast te stellen.

3.4.6 Verbreed Gemeentelijk RioleringsPlan 2013-2016 (vGRP)

In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor:

  • inzameling en transport van stedelijk afvalwater.
  • het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater.
  • grondwater(maatregelen).

De doelmatige uitvoering van deze zorgplichten is in het vGRP vastgelegd en gaat uit van de volgende principes:

De trits “vasthouden - bergen - afvoeren” houdt in dat in eerste instantie getracht wordt het (gebiedseigen) water in de bodem te infiltreren. Indien dit niet mogelijk is dient het afstromend regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in de laatste instantie kan overwogen worden het water (zo traag mogelijk) af te voeren naar de omgeving.

De trits “schoonhouden - scheiden - schoonmaken” omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoon houden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en tevens het zuiveringsrendement worden verhoogd.

In lijn met het huidige beleidskader streeft de gemeente er naar vermenging van schoon hemelwater met afvalwater zoveel mogelijk terug te dringen (ontvlechten), waarbij de trits “vasthouden-bergen-afvoeren” de voorkeursvolgorde is (basisniveau). Ontvlechting vindt in principe plaats als dat doelmatig en kosteneffectief is. Bij nieuwbouw is de aanleg van een gemeentelijk hemelwaterstelsel (riool of watergang) gebruikelijk, waar de particulier het hemelwater naartoe kan afvoeren. De infrastructuur wordt in principe zodanig ingericht dat de particulier in staat wordt gesteld het hemelwater (voor een deel) op eigen terrein te verwerken (lozen op aangrenzende sloot en/of infiltratie in de bodem). Is verwerking op eigen terrein niet mogelijk dan kan de particulier het hemelwater bovengronds afvoeren naar het gemeentelijk hemelwaterstelsel.

Wat betreft de verwerking van overtollig hemelwater in riolen geldt dat het bewust inrichten van de bovengrond als waterberging c.q. waterafvoer de voorkeur heeft om eventuele inspanningen betaalbaar te houden.

Bij de grondwaterzorgplicht hebben perceeleigenaren nadrukkelijk een eigen verantwoordelijkheid bij het voorkomen van grondwaterproblemen. Als de grondwaterstand echter te zeer wordt bepaald door factoren buiten het perceel van de grondeigenaar dan zal de gemeente, in samenspraak met waterbeheerder en provincie, maatregelen treffen om structurele grondwaterproblemen te voorkomen of te beperken.

Ten aanzien van de verwerking van grondwater bij nieuwbouw kan worden gesteld dat dit voldoende wordt ondervangen in het “watertoets proces”. Hierbij worden vooraf de waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen bij de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties.

Hitte, droogte, watertekort en wateroverlast zijn aspecten die van wezenlijke invloed zijn bij het ontwerpen en bij de realisatie van plannen voor zowel inbreidings- als uitbreidingslocaties. Met deze aspecten wordt rekening gehouden door het principe van de meerlaagsveiligheid als bouwsteen van wezenlijk belang te hanteren bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen. Bestaande en nieuwe blauwe en groene elementen ondersteunen de klimaatadaptatie in het binnenstedelijk gebied en op bedrijven- en industrieterreinen. Afkoppelen van verhard oppervlak is niet een doel op zich. Doelmatigheid, haalbaarheid en betaalbaarheid van afkoppelmaatregelen worden meegewogen in ruimtelijke plannen. De samenhang met het beleid over klimaatadaptatie en overstromingsrisico wordt integraal beoordeeld.

Waterlopen met een beschermde status (Kaderrichtlijn water) staan vermeld op de verbeelding behorende bij een ruimtelijk plan. Informatie over de status van een KRW-lichaam en beoogde maatregelen verwoord in zogenaamde “factsheets”, wordt beschouwd als zwaarwegend belang waar slechts gemotiveerd van kan worden afgeweken door het treffen van mitigerende of compenserende maatregelen.

3.4.7 Bodembeleid

De ambitie van de gemeente is om de bodemverontreiniging te voorkomen en de goede kwaliteit van de bodem te behouden. De gemeente wil bodemaspecten tijdig meenemen in de planvorming. Bij het beoordelen van bestemmingsplannen wordt beoordeeld of de kwaliteit van de bodem voldoende geschikt is voor het nieuwe beoogde gebruik. De gemeente heeft haar beleid voor de toetsing van ruimtelijke plannen en bouwaanvragen vastgelegd in de Beleidsnota bodemonderzoek. De gemeente geeft prioriteit aan het opheffen van bodemverontreinigingsgevallen die risico's opleveren voor mens en milieu, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de aanwezigheid van asbest in bodem. Er wordt bij de uitvoering van bodemonderzoek uitgegaan van de landelijk geldende onderzoeknormen. In paragraaf 4.6 wordt verder ingegaan op het aspect bodem- en grondwaterkwaliteit.

Voor afvoer en aanvoer van grond geldt het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Dit is in de gemeente vastgelegd in de Nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart.

3.4.8 Archeologiebeleid

Op 1 januari 2010 is het gemeentelijke archeologiebeleid in werking getreden. Op de bijbehorende archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is aangegeven welke gebieden een lage, een middelhoge en een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben. Verder zijn ook de terreinen met bekende archeologische waarden in beeld gebracht (de archeologische monumenten).

Afhankelijk van de verwachtingswaarde dient bij bouwplannen en ingrepen in de grond met een bepaalde omvang en diepte archeologisch vooronderzoek plaats te vinden:

  • Historische kern: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 50 m² of meer;
  • Hoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 2500 m² of meer;
  • Middelhoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 5000 m² of meer;
  • Lage verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 10 ha of meer.


Dit beleid dient vertaald te worden in de planregels van de bestemmingsplannen die in procedure worden gebracht. In paragraaf 4.2 wordt hierop ingegaan.

3.4.9 Groenstructuurplan Hof van Twente (2003)

Het gemeentelijke groenstructuurplan bevat een lange termijn visie op de inrichting en het beheer van het groen in de openbare ruimte. Groene elementen in de openbare ruimte hebben veelal een onderlinge samenhang en vormen zo een groenstructuur. Deze structuur hangt nauw samen met de stedenbouwkundige en ruimtelijke opbouw van een stad of dorp. Vaak is de aanwezigheid van groen gekoppeld aan rode functies (gebouwen) doordat het deze aankleedt of accent geeft. De relatie tussen groen en rood is dan ook een belangrijk aspect binnen een Groenstructuurplan.


Binnen de groenstructuur speelt de bomenstructuur een overheersende rol. Bomen zijn door hun ruimtelijke werking de meest beeldbepalende groenelementen en daarom sterk sfeerbepalend. Om die reden heeft de gemeente ook een aparte Bomenverordening waarin voorgeschreven wordt hoe moet worden omgegaan met het 'Bewaren van houtopstanden'. Verder zijn ook vakbeplantingen, gazons en waterelementen van betekenis binnen de groenstructuur. Een belangrijke opgave van het Groenstructuurplan is om alle groene en blauwe onderdelen te integreren tot een samenhangend geheel dat op basis van één visie wordt beheerd en ontwikkeld.

3.4.10 Bomenverordening 2012 / monumentale bomenlijst

Er is een lijst met monumentale bomen in Hof van Twente vastgesteld. De status van een monumentale boom is sterk en is vastgelegd in de Bomenverordening. Voor een monumentale boom wordt in beginsel geen kapvergunning afgegeven. De bomenlijst is dynamisch. Nieuwe bomen en boomgroepen kunnen aan de lijst toegevoegd worden en ook kunnen bomen en boomgroepen eraf worden gehaald. De lijst bestaat uit ongeveer 320 monumentale bomen en boomgroepen. Ten behoeve van deskundige advisering omtrent de monumentale bomen heeft het college een Bomencommissie aangesteld. In de toelichting op de Bomenverordening wordt een bepaalde wijze van bestemmen van de monumentale bomen voorgeschreven. In bijlage 2 is een overzicht van de Monumentale bomenlijst Gemeente Hof van Twente opgenomen en in bijlage 3 is een notitie over deze monumentale bomen opgenomen.

Binnen of direct nabij het plangebied komt verspreid een aantal bomen waarvoor in het bestemmingsplan een beschermende regeling is opgenomen (zie paragraaf 5.2 onder 'Waarde - Boom').

3.4.11 Bedrijventerreinenvisie

In februari 2011 heeft de gemeente de Bedrijventerreinenvisie vastgesteld. De gemeente heeft ambities om de kwaliteit op bedrijventerreinen te garanderen. Kort samengevat hanteert de gemeente de volgende kwaliteitsopgaven en doelen:

  • het versterken van het ondernemersklimaat in alle kernen;
  • het verduurzamen van het ondernemerschap, de gebouwde omgeving, de verkeersstructuur en de openbare ruimte;
  • een goede landschappelijke inpassing van bedrijventerreinen;
  • het tegengaan van veroudering;
  • het - waar mogelijk - intensiveren van arbeid op het terrein;
  • het opstellen van een uitgifte en vestigingsprotocol.

De ambitie van de gemeente is om alle bedrijvigheid die zich aandient zo goed mogelijk te accommoderen. Daarom wil de gemeente een gevarieerd en compleet aanbod aan bedrijventerreinen aanbieden. Het juiste bedrijf op de juiste plek is de doelstelling. Voor de overige kernen geldt dat deze in eerste instantie bedoeld zijn voor de opvang van lokale aan de kern gebonden bedrijvigheid. Dit geldt ook voor lokaal gewortelde bedrijven. Daarbij probeert de gemeente zo veel mogelijk in te breiden op de bestaande locaties in de kernen, staat kleinschaligheid voorop en wordt ruimte geboden aan lokale ondernemers.

In maart 2014 heeft de gemeenteraad ingestemd met een aanvulling op de Bedrijventerreinenvisie, vooruitlopend op de algehele (regionale) herziening van de Bedrijventerreinenvisie. Het doel van de aanvulling is het in relatie brengen van het aanbod van bedrijventerreinen en de vraag vanuit de markt. Hiertoe is kritisch gekeken naar de bedrijfsbestemmingen en uitbreidingsmogelijkheden van bedrijventerreinen.

3.4.12 Nota Externe veiligheidsbeleid 2012 - 2015

Het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid staat verwoord in de Nota externe veiligheidsbeleid 2012 - 2015 "Veiligheid zonder absolute zekerheid". Binnen de gemeente bevinden zich enkele risicovolle bedrijven. Naast opslag van gevaarlijke stoffen vindt vervoer daarvan plaats via weg, water, spoor en buisleidingen. Op de site www.risicokaart.nl staan de risicovolle bedrijven vermeld. Ten aanzien van nieuw vestiging van zwaardere en risicovolle bedrijvigheid stelt de gemeente zich terughoudend op. Kern van het te voeren beleid is dat wordt voldaan aan de minimale wettelijke eisen en verantwoord gebruik wordt gemaakt van bevoegdheden.

3.4.13 Milieubeleidsplan

Het gemeentelijk milieubeleidsplan schetst de kaders, de hoofdlijnen en de richting van het te voeren samenhangend beleid voor diverse milieuthema's, de aanpak van doelgroepen en de samenhang met het economisch-ruimtelijk beleid. De beleidsnota kent een visie deel tot 2020 en ambities tot 2015. Centraal staat het streven naar milieuduurzaamheid. Dit vindt plaats doordat milieuaspecten en -normen vroegtijdig in de voorbereiding van besluitvorming worden mee- en afgewogen met het oog op ontwikkeling en behoud van een goed woon- en leefklimaat.

3.4.14 Nota geluidbeleid

De Nota gemeentelijk geluidbeleid 2013 - 2020 bevat voor 7 verschillende gebiedstypen beleid met betrekking tot wegverkeerslawaai en industrielawaai. De geluidnota bevat ook beleid voor onder andere cumulatie en compensatie van geluid. Het beleid is gericht op behoud van stilte waar het stil is. Dit geldt voor zowel het buitengebied als voor de kern. Waar van nature al meer geluid is, bijvoorbeeld door verkeer op drukke doorgangswegen, is de gemeentelijke ambitie minder hoog.

3.4.15 Duurzaamheid

Het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid is verwoord deels in het Meerjaren Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid (MUD) en deels in het Milieubeleidsplan. Opwekking van duurzame energie is een speerpunt. Bij planontwikkeling is het uitgangspunt dat mogelijkheden voor duurzame energieopwekking op gebouwen worden toegestaan.

3.4.16 Conclusie gemeentelijk beleid

Gelet op het feit dat het hier hoofdzakelijk gaat om het planologisch vastleggen van een bestaande situatie in de vorm van een nieuw integraal bestemmingsplan kan worden gesteld dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheidsaspecten/onderzoek

4.1 Ecologie

Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming.

Gebiedsbescherming

De bescherming van Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten is geregeld in de Natuurbeschermingswet. Als kaderstellende ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van de natuurwaarden binnen deze gebieden, moet een vergunning worden aangevraagd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van de Ecologisch Hoofdstructuur (EHS). Ten aanzien van kaderstellende ontwikkelingen binnen de EHS geldt het 'nee, tenzij-principe'.

De dichtstbijzijnde aangemelde Habitatrichtlijngebieden zijn De Borkeld (circa 8 km) en Teesselinksven (circa 7 km). Het dichtstbijzijnde beschermde Natuurmonument is Weldam bij Goor (ongeveer 2,5 km).

Het plangebied wordt aan de west-, noord- en oostkant omgeven door de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur. Er bestaan geen duidelijke ecologische relaties tussen het bebouwde deel van het plangebied en de speciale beschermingszones of Ecologische Hoofdstructuur. De weilanden aan de rand van het plangebied kunnen als foerageergebied worden gebruikt. De kaderstellende ontwikkelingen binnen het bestemmingsplan zijn van dusdanige geringe omvang dat negatieve effecten van deze activiteiten op de beschermde gebieden niet zijn te verwachten.

Gezien het feit dat er sprake is van een conserverend plan, waarbij geen nieuwe kaderstellende ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, kan worden gesteld dat het bestemmingsplan geen significante gevolgen heeft voor de natuurwaarden in het plangebied en de directe omgeving.

Soortenbescherming

Op grond van de Flora- en faunawet geldt een algemeen verbod voor het verstoren en vernietigen van beschermde plantensoorten, beschermde diersoorten en hun vaste rust- of verblijfplaatsen. Onder voorwaarden is ontheffing van deze verbodsbepalingen mogelijk. Voor soorten die vermeld staan in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn en een aantal Rode-Lijst-soorten zijn deze voorwaarden zeer streng.

Er is sprake van een conserverend plan en heeft in principe geen consequenties voor de flora en fauna in het gebied. Dit bestemmingsplan is dus uitvoerbaar binnen de kaders van de Flora- en faunawet. Voor de woonwijk Diepenheim - Noord 2 is in 2008 geconstateerd dat deze uitbreiding geen gevolgen voor beschermde diersoorten. Het gebied is weliswaar nog niet is volledig ontwikkeld, maar wel bouwrijp. Bij woningbouw ter plaatse zullen er dan ook nu geen significante effecten voor flora en fauna te verwachten zijn.

Voor alle soorten is de zorgplicht van kracht. Bij verstoring van dieren tijdens werkzaamheden (herstructurering, nieuw- of herbouw) moeten deze de gelegenheid krijgen te vluchten naar een nieuwe leefomgeving.

4.2 Archeologie

Voor de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden is de “Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz)” van toepassing. De Wamz maakt formeel gezien onderdeel uit van de Monumentenwet 1988 (Mw). De kern van de Wamz is dat, wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Op welke plaatsen archeologisch onderzoek aan de orde is, wordt op grond van gemeentelijk of provinciaal beleid bepaald.

Voor archeologische terreinen, rijksmonumenten en beschermde dorps- en stadsgezichten die wettelijk zijn beschermd op grond van de Mw hoeft voor het bestemmingsplan geen aanvullende regeling te worden getroffen.

De gemeente Hof van Twente heeft ten behoeve van archeologiebeleid een Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart opgesteld. Het plangebied valt voor wat betreft het noordoostelijk en het zuidoostelijk deel onder een hoge verwachtingswaarde. Voor deze waardering geldt dat bij bodemverstoring van meer dan 2.500 m2 en dieper dan 40 cm archeologisch onderzoek nodig is. Het westelijk deel van de stad heeft voornamelijk een middelhoge verwachtingswaarde Daar geldt dat bij bodemverstoring van 5.000 m2 en dieper dan 40 cm archeologisch onderzoek nodig is. Gelet op het feit dat het gaat om een gebied dat nagenoeg is ontwikkeld, liggen nieuwe ontwikkelingen van deze omvang niet in de rede. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is dus niet te verwachten. Wel is dit archeologiebeleid als aandachtspunt vertaald in het bestemmingsplan door middel van het opnemen van een tweetal archeologiebestemmingen (zie paragraaf 5.2 onder 'Archeologie').

Het deel rond de Grotestraat en de Middenstraat is archeologisch gezien als de historische kern van Diepenheim aan te merken. Hier geldt het strikste regime geldt voor bodemingrepen. Dit houdt in dat voor werken en werkzaamheden die een groter oppervlak beslaan dan 50 m² en die dieper gaan dan 40 cm, een omgevingsvergunning aangevraagd dient te worden. In het bestemmingsplan is dit vertaald door het opnemen van de bestemming 'Waarde - Archeologie 1'.

De archeologische regeling is overgenomen van de partiële herziening Reparatieregeling II, vastgesteld op 8 februari 2011.

Het stadje, wordt centraal als het ware doorsneden met een gebied waar een lage archeologische verwachtingswaarde (onderzoek vanaf 10 hectare of meer) geldt.

Vanuit het aspect archeologie bestaan er zeer waarschijnlijk geen belemmeringen voor het plan, omdat er sprake is van een gebied waar geen grote ontwikkelingen plaatsvinden. Voor herontwikkelingen die in het bestemmingsplan mogelijk zijn, biedt het bestemmingsplan een beschermende regeling via de archeologische dubbelbestemmingen. Overigens geldt in zijn algemeenheid dat indien bij de werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, op grond van artikel 53 Mw een meldingsplicht.

4.3 Cultuurhistorie

Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van bestemmingsplannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening.

In paragraaf 2.2 is de geschiedenis met daarbij de cultuurhistorische opbouw van Diepenheim. Daarnaast is een de cultuurhistorische inventarisatie uitgevoerd door de Erfgoedcommissie (zie bijlage 1) die uiteindelijk in 2008 heeft geleid tot het gemeentelijk besluit om de kern van Diepenheim als Beschermd stadsgezicht aan te wijzen. In paragraaf 2.5 is hier al uitgebreid op ingegaan.

Voor wat betreft het behoud van deze cultuurhistorische waarden in de bestemmingen kan worden gesteld dat het onderhavige bestemmingsplan een gedetailleerd karakter kent. Alle functies zijn vrij specifiek bestemd. De wegen-, water en groenstructuur, alsmede de bebouwingsstructuur, is vastgelegd door middel van eigen bestemmingen. Daarnaast geldt voor het gebied dat is aangewezen als (gemeentelijk) Beschermd stadsgezicht een aanvullende regeling die de in het gebied aanwezige karakteristieken beschermd. In paragraaf 5.2.17 wordt de inhoud van de bestemming 'Waarde - Beschermd gemeentelijk stadsgezicht' toegelicht.

Uit het vorenstaande blijkt dat de cultuurhistorische structuren afdoende worden beschermd.

4.4 Water

Een belangrijk onderdeel van de planvorming is de watertoets. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen meer expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het plangebied is gelegen in het beheergebied van Waterschap Vechtstromen. Het waterschap is verantwoordelijk voor het watersysteem en het zuiveren van het aangeboden stedelijk afvalwater.

Waterinfiltratie of -retentie

Het plangebied is wat betreft de waterhuishouding afgestemd op voornamelijk de stedelijke functie. Door water langer in het gebied vast te houden, worden verdroging en afwenteling van wateroverlast tegengegaan. Het streven is gericht op het doelmatig afkoppelen van hemelwater van dakvlakken en oppervlakteverhardingen. In het kader van het Waterbeleid 21e eeuw betekent dit dat de neerslag die op daken en bestrating valt niet naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd, maar in de bodem wordt geïnfiltreerd of op het oppervlaktewater wordt geloosd. Bij mogelijk toekomstige ontwikkelingen of bij nieuwe ontwikkelingen in het bestaande gebied bekijkt de gemeente of duurzame maatregelen, zoals afkoppelen en infiltratie mogelijk zijn.

Riolering

De gemeente streeft met name bij nieuwe ontwikkelingen naar het aanleggen van een gescheiden rioolstelsel waardoor het afvalwater en het regenwater afzonderlijk worden afgevoerd. Hierdoor wordt tevens een hoger zuiveringsrendement van rioolwaterzuiveringsinstallaties bereikt en wordt de riooloverstortproblematiek verminderd. Bij ingrepen in het bestaande gebied zet de gemeente in op toepassing van duurzame maatregelen binnen de technische mogelijkheden.

Doelmatige wateraanvoer en -afvoer

De toekomstige piek afvoer van water uit het gebied mag niet groter zijn dan de huidige afvoer. Voor een toename van de afvoer van water door uitbreiding van verharde oppervlakken dienen dan in principe ook op het terrein zelf waterbeheersingsvoorzieningen te worden gecreëerd. Op deze manier worden eventuele problemen betreffende waterafvoer niet op omliggende gebieden afgewenteld. Indien in de toekomst sprake is van uitbreiding van verharde oppervlakken, zet de gemeente in op het toepassen van duurzame waterbeheersingsvoorzieningen, zodat mogelijke problemen niet worden verschoven naar een ander gebied.

Duurzaam stedelijk waterbeheer

In relatie tot duurzaam stedelijk waterbeheer is bij de inrichting van de wijken niet expliciet rekening gehouden met de te gebruiken materialen in de te realiseren gebouwen of bouwwerken en verhardingen. Er werd niet gestreefd naar het gebruik van duurzame bouwmaterialen om schoon regenwater in het gebied te conserveren. Mochten in de loop der tijd herstructurering of daar waar mogelijk inbreiding plaatsvinden, dan wordt de nadruk gelegd op het gebruik van duurzame bouwmaterialen. Het watersysteem dient dan tevens zo te worden vormgegeven dat geen of tenminste zo weinig mogelijk problemen worden doorgeschoven naar andere tijden, plaatsen of milieucompartimenten.

Watertoetsproces

De gemeente stelt het waterschap Vechtstromen op de hoogte van het plan in het kader van het vooroverleg. Hieruit worden geen waterhuishoudkundige bezwaren verwacht.

4.5 Milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (waaronder woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009).

Deze bedrijvenlijst legt een koppeling tussen de aard van de bedrijven en de ter plaatse acceptabele milieubelasting. De basislijst kent een indeling in milieucategorieën in zes mogelijke klassen. De indeling is afgeleid van de voor dat bedrijf geldende ‘grootste afstand’ (ten aanzien van de milieufactoren geur, stof, geluid en/of gevaar) tot woonbebouwing:

  • categorie 1: grootste afstand 0 of 10 m;
  • categorie 2: grootste afstand 30 m;
  • categorie 3: grootste afstand 50 of 100 m;
  • categorie 4: grootste afstand 200 of 300 m;
  • categorie 5: grootste afstand 500, 700 of 1.000 m;
  • categorie 6: grootste afstand 1.500 m.

De hiervoor genoemde richtafstanden wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten.

Het bedrijventerrein Ruimersdijk maakt deel uit van het plangebied. Het betreft een lokaal bedrijventerrein en kent in onderhavig bestemmingsplan een categorie 2 en 3.1 indeling. Op grond hiervan dient ten opzichte van de bedrijvigheid aan de Ruimersdijk tot aan de woningen aan de zuidzijde van de Ruimersdijk een afstand van in principe 30 en 50 meter te worden aangehouden. De afstand van categorie 2 bedrijven is weliswaar kleiner, maar er is sprake van een bestaande situatie, waarbij de afschermende groenstrook tussen de woningen aan de zuidkant van de Ruimersdijk en het bedrijventerrein bovendien een goed woon- en leefklimaat garandeert.

Voorts komen in het plangebied een aantal bedrijven en voorzieningen voor die dichter bij woningbouw zijn gevestigd dan de richtafstanden uit de VNG-brochure. In dit bestemmingsplan is ook in die gevallen uitgegaan van de huidige situatie. De gemeente beschikt niet over middelen om deze bedrijven actief te verplaatsen en de mogelijkheden te beperken. Wel worden bedrijven vanuit de gemeente gestimuleerd om te verplaatsen naar bedrijventerreinen. Vanuit de milieuwetgeving worden de gevoelige objecten beschermd tegen overlast.

Geconcludeerd kan derhalve worden dat de bestaande functies en bedrijvigheid in het plangebied geen belemmering vormen voor deze actualisering, omdat het hier een conserverend plan betreft en geen bouwmogelijkheden zijn op kortere afstand dan nu al aanwezig is.

4.6 Bodem

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming van toepassing.

Het onderhavige plangebied omvat een omvangrijk grondgebied met veel verschillende functies. Van een aantal locaties binnen dit plangebied is bekend dat bodemverontreiniging aanwezig is. Bij nieuwe ontwikkelingen of wijzigingen in functies moet per geval gekeken worden of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik.

Ten aanzien van het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan, omdat geen ontwikkelingen zijn beoogd. Voorzover er ontwikkelingen hebben plaatsgevonden en er gronden bouwrijp zijn gemaakt, is er bodemonderzoek uitgevoerd overeenkomstig de wettelijke bepalingen.

4.7 Geluid

Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Indien niet aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, kan het bevoegd gezag hogere grenswaarden vaststellen.

Spoorweglawaai is in het kader van dit bestemmingsplan niet aan de orde.

4.7.1 Wegverkeerslawaai

In Diepenheim is vrijwel de gehele bebouwde kom als 30 km/uur-gebied aangewezen. Binnen deze gebieden is voor een actualiseringsplan akoestisch onderzoek niet noodzakelijk.

Alleen voor de route over de Needseweg-Wilsonweg-Goorseweg (tussen Wilsonweg en komgrens) geldt een 30 km/uur-regime. Deze route maakt deel uit van de provinciale weg en is aangewezen als erftoegangsweg. Voor deze wegen is in principe akoestisch onderzoek nodig. Langs deze wegen wordt de bestaande situatie gehandhaafd en bestaan er geen mogelijkheden om nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen deze geluidszones op te richten.

Aangezien in dit bestemmingsplan geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen langs deze wegen worden geïntroduceerd en het bestemmingsplan de voorgevels van de woningen vastlegt door middel van bouwvlakken (zie paragraaf 5.2.13) treden er voor wat betreft het geluidsaspect vanwege het wegverkeer geen belemmeringen op.

Voor de bestaande situaties en/of planologisch mogelijk gemaakte situaties waarvoor een overschrijding geldt zijn in het verleden hogere waarden verleend. In het plangebied zijn geen saneringssituaties aanwezig.

4.8 Luchtkwaliteit

Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft luchtkwaliteit. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, aan te pakken.

Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn veelal het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregel van bestuur 'niet in betekenende mate' (NIBM) vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Er worden planologisch gezien geen nieuwe woningen mogelijk gemaakt, het plan beperkt zich tot de invulling van enkele bestaande rechten voor de bouw van woningen.

Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

4.9 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie.

De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de Circulaire risiconormering vervoer van gevaarlijke stoffen (cRNVGS) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen richt zich primair op inrichtingen als bedoeld in de Wet milieubeheer. Deze inrichtingen brengen risico’s met zich mee voor de in de omgeving gelegen risicogevoelige objecten. Het besluit onderscheidt twee categorieën risicogevoelige objecten, namelijk kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Dit onderscheid is gebaseerd op maatschappelijke opvattingen over de groepen mensen die in het bijzonder moeten worden beschermd en op gegevens, zoals het aantal personen en de verblijfstijd van groepen mensen. Het besluit geeft waarden voor het risico dat toelaatbaar wordt geacht voor deze objecten. Hierbij worden twee vormen van risico's onderscheiden, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Plaatsgebonden risico

Allereerst het plaatsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico is een maat voor het overlijdensrisico op een bepaalde plaats, waarbij het niet van belang is of op die plaats daadwerkelijk een persoon aanwezig is. In het besluit is het plaatsgebonden risico gedefinieerd als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een inrichting zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval met een gevaarlijke stof. Dit risico laat zich goed ruimtelijk vertalen, aangezien het om punten gaat waar zich een bepaald risico voordoet. Deze punten kunnen worden verbonden tot een contour.

Groepsrisico

Bij het groepsrisico gaat het om de kans per jaar dat een groep mensen in minimaal een bepaalde omvang slachtoffer wordt van een ongeval. In het besluit wordt dit gedefinieerd als de (cumulatieve) kansen dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als direct gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van de inrichting en van één ongeval in die inrichting, waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Het groepsrisico moet worden bepaald binnen het invloedsgebied van de inrichting. Voor het groepsrisico gelden, anders dan voor het plaatsgebonden risico, geen grenswaarden, maar slechts oriënterende waarden. Het gaat om een maatschappelijke verantwoordingsplicht aan de hand van het risico. Ten aanzien hiervan moet een belangenafweging plaatsvinden.

Aan de Wilsonweg 35 is een tankstation met LPG gevestigd. De vergunning van dit tankstation is zodanig aangepast dat sprake is van aanvaardbaar risico in het kader van externe veiligheid. Er geldt geen risicocontour.

Vanuit het aspect externe veiligheid bestaan dan ook geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld.

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijk als het gaat om de onderbouwing van hetgeen in het bestemmingsplan is geregeld en om de uitleg daarvan.

5.2 Toelichting op de bestemmingen

In deze paragraaf wordt een korte toelichting gegeven op de inhoud van de bestemmingen in dit bestemmingsplan.

5.2.1 Agrarisch met waarden - Landschap

De bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschap' is gerelateerd aan delen van het buitengebied die binnen de bebouwingscontour van de kern Diepenheim zijn gelegen. Het uitoefenen van een agrarisch bedrijf en het behoud en herstel van de op deze gronden voorkomende landschappelijke waarden staan binnen de bestemming centraal.

Op deze gronden mogen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht ten dienste van het agrarisch bedrijf, zoals een schuur, melk- en voederplaatsen en afrasteringen.

5.2.2 Bedrijf

De in het plangebied aanwezige bedrijven zijn als 'Bedrijf' bestemd. Omdat er sprake is van bedrijven in een woonomgeving zijn alleen bedrijven tot en met milieucategorie 2 uit de bedrijvenlijst opgenomen in bijlage bij de regels toegestaan. Deze lijst is gebaseerd op de bedrijvenlijst van de VNG (zie paragraaf 4.5). De bestaande bedrijven uit een hogere categorie dan 2 zijn specifiek inbestemd. Verder is een afwijkingsregeling opgenomen die het mogelijk maakt om bedrijven die niet zijn genoemd in de bijlage of bedrijven die in een hogere categorie vallen zich ook kunnen vestigen. Deze bedrijven dienen dan wel naar aard en effecten op het woon- en leefklimaat van de aangrenzende woongebieden, al dan niet onder te stellen voorwaarden, wat betreft geur, stof, gevaar en geluid, te kunnen worden gelijkgesteld met de bedrijven welke wel zijn genoemd. Alleen bestaande bedrijfswoningen zijn toegestaan.

Het bedrijventerrein Ruimersdijk valt eveneens onder deze bestemming. Op dit bedrijventerrein zijn, zoals in paragraaf 4.5 is aangegeven, lichte en middelzware bedrijven toegestaan. Dit vertaalt zich in de milieucategorieën 1, 2 en 3.1. In verband met de aanwezigheid van woningen langs de zuidkant van de Ruimersdijk is een zonering aangebracht in die zin dat de zwaardere bedrijven (milieucategorie 3.1) op het noordelijke deel van het terrein gevestigd mogen worden op voldoende afstand van de bestaande woningen. Aan de zuidrand van het terrein, waar tegenover woongebieden zijn gelegen, mogen uitsluitend bedrijven gevestigd worden tot en met milieucategorie 2. Bedrijfswoningen zijn niet toegestaan.

De ontsluitingsstructuur van het bedrijventerrein (Peckedammerstraat) valt eveneens onder de bedrijfsbestemming.

De gewenste situering van de bedrijven is aangegeven door middel van ruime bouwvlakken waarbinnen gebouwd mag worden. Binnen deze bouwvlakken zijn nadere regels gesteld ten aanzien van de situering en de (bouw)hoogtes.

5.2.3 Bedrijf - Openbaar nut

Nutsvoorzieningen zoals transformatorstations, gemalen en gasdrukregel- en meetstations, met de daarbij behorende bouwwerken vallen binnen de bestemming 'Bedrijf - Openbaar nut'. Het gaat hierbij om grotere gebouwen dan de voorzieningen die ingevolge de wet- en regelgeving (Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht) vergunningvrij zijn. De voorzieningen zijn vastgelegd om de bestaande situering en omvang.

5.2.4 Centrum

De Grotestraat kan worden gezien als het centrum van Diepenheim met een klein-stedelijk karakter en heeft daarom de bestemming 'Centrum' gekregen. Hier komt een veelheid aan functies naast elkaar voor. Om de eenheid van dit gebied als centrum te versterken, wordt hier een verdere concentratie van centrumvoorzieningen voorgestaan. Binnen deze bestemming vallen detailhandel en dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, verkeer en verblijf, (lichte) horeca en kantoren. Wonen is binnen deze bestemming alleen op de verdieping mogelijk. Bestaande woonfuncties op de begane grond kunnen blijven bestaan. De maximale goot- en bouwhoogte en het bebouwingspercentage zijn per bouwvlak aangegeven. Als in een bepaald bouwvlak geen bebouwingspercentage is vermeld, betekent dit dat het bouwvlak voor 100% kan worden bebouwd.

Bedrijvigheid valt niet binnen de bestemming Centrum. In het algemeen wordt milieuhinderlijke bedrijvigheid in de dorpscentra niet wenselijk geacht. Als een (milieuhinderlijk) bedrijf in het centrumgebied is gevestigd, dan wordt, als verplaatsing niet mogelijk blijkt, het desbetreffende bedrijf positief bestemd. In Diepenheim bevinden zich overigens geen milieuhinderlijk bedrijven binnen het centrumgebied.

De status van Diepenheim als kunststadje heeft geleid tot expliciet opnemen van kleinschalige kunsthandels als onderdeel van detailhandel en dienstverlening. Deze mogen zonder meer in het centrumgebied worden gevestigd. Detailhandel is in het plan gebonden aan een maximum bedrijfsvloeroppervlak van 200 m². Deze bepaling is opgenomen om de vestiging van in verhouding tot het bebouwingsbeeld, de omgeving en de verkeersveiligheid te grote detailhandelsvestigingen tegen te gaan. Er is een afwijkinigsmogelijkheid opgenomen om het bedrijfsvloeroppervlak te vergroten tot 400 m² per detailhandelsvestiging.

5.2.5 Detailhandel

Alle detailhandel buiten het centrumgebied is in het plan als 'Detailhandel' bestemd. De detailhandelsfunctie is beperkt tot de begane grond. Op de verdiepingen is wonen mogelijk. De maximale goot- en bouwhoogte en het bebouwingspercentage zijn per detailhandelsvestiging ter plaatse aangeduid. Als in een bepaald bouwvlak geen bebouwingspercentage is vermeld, betekent dit dat dit bouwvlak voor 100% kan worden bebouwd. Het tankstation met lpg aan De Wilsonweg 35 is specifiek aangeduid.

5.2.6 Groen

Groenelementen in de openbare ruimte zijn bestemd als 'Groen'. Het gaat hierbij om groene begeleiding als onderdeel van de water- en wegen infrastructuur (berm- en onderhoudstroken, plantsoenen behorende tot de openbare ruimtes bij woongebieden e.d.). Binnen deze bestemming is mede voorzien in speelvoorzieningen.

5.2.7 Groen - Groene ruimte

De gronden binnen de bestemming 'Groen - Groene ruimte' zijn onder andere bestemd voor semi-agrarische doeleinden in de vorm van weide en grasland, water in de vorm van watergangen en sloten en groenvoorzieningen, zoals plantsoenen, groenstroken, bermen met beplanting. Onder water worden in deze bestemming doeleinden voor afvoer, tijdelijke berging en infiltratie van hemelwater begrepen. De bestaande bosjes of afschermende beplanting zijn ter plaatse aangeduid als 'landschapswaarden'. Verder is ruimte gereserveerd als overloopgebied voor de afvoer en tijdelijke berging van hemelwater (specifiek aangeduid als 'waterberging').

De toeristische overstapplaats wordt binnen de bestemming mogelijk gemaakt binnen de aanduiding “specifieke vorm van recreatie - toeristische overstapplaats”. Het parkeren op een deel van het speelveldje, direct langs de Ruimersdijk, wordt mogelijk gemaakt binnen de aanduiding “parkeerterrein”. Buiten deze aanduiding mag niet binnen de bestemming “Groen” wordt geparkeerd.

5.2.8 Horeca

De in het plangebied aanwezige horecabedrijven zijn als 'Horeca' bestemd. Net als bij bedrijven zijn de horecabedrijven gecategoriseerd op zwaarte. Horecafuncties zijn in verband met mogelijke overlast verdeeld in drie categorieën die in de begrippen bij de regels worden uitgelegd (artikel 1). In dit plan zijn alleen de eerste twee categorieën toegestaan.

De bebouwing is vastgelegd op de bestaande situatie door middel van een bouwvlak en het opnemen van de maximale goot- en bouwhoogte.

5.2.9 Maatschappelijk

De in het plan aanwezige scholen en overige maatschappelijke voorzieningen zijn als 'Maatschappelijk' bestemd. Onder maatschappelijke voorzieningen worden verstaan educatieve voorzieningen, sociaal-medische voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening alsook ondergeschikte detailhandel ten dienste van deze voorzieningen. Er is geen nadere onderverdeling gemaakt in functies, hetgeen de onderlinge uitwisselbaarheid van maatschappelijke voorzieningen ten goede komt.

Voor kunstwerk Diepenheim geldt een specifieke regeling. De Maalderij, herberg De Pol en het nieuwe cultureel centrum, alsmede de kunst- en theaterwerkplaats zijn geregeld binnen de bestemming “Maatschappelijk”. Binnen deze bestemming worden de culturele en bijbehorende functies mogelijk gemaakt. De horecafunctie is vastgelegd binnen de aanduiding ‘horeca’, die van toepassing is op het cultureel centrum en op de herberg. Functioneel is deze beperkt tot een restaurant of café, behorende bij de culturele voorzieningen. Zwaarder belastende functies zoals een danscafé of discotheek zijn uitgesloten. Wel behoort een kinderdisco tot de mogelijkheden. De kleinschalige muziek- en theaterfunctie zijn uitsluitend binnen de aanduiding ‘horeca’ mogelijk. De bedrijfswoonfunctie is mogelijk binnen de aanduiding “bedrijfswoning”, die alleen op het gebouw van de kunst- en theaterwerkplaats geldt.

Het zorgcentrum aan het Looiersplantsoen is aangeduid als 'wonen'. Daarmee wordt aangegeven dat hier naast maatschappelijke functies ook wonen met zorgfuncties is toegestaan.

De bebouwing is vastgelegd op de bestaande situatie door middel van een bouwvlak en het opnemen van de maximale goot- en bouwhoogte.

5.2.10 Sport

Binnen de bestemming 'Sport' is Sportpark De Koppel geregeld. Binnen deze bestemming is de bouw van ten dienste van de sport staande bouwwerken toegestaan. Hieronder worden verstaan een kantine, kleedgelegenheid, bergruimte en dergelijke. Deze bebouwde voorzieningen zijn vastgelegd op de bestaande situatie door middel van een bouwvlak en het opnemen van de maximale goot- en bouwhoogte.

5.2.11 Verkeer

Alleen de doorgaande wegen binnen het plangebied zijn opgenomen in de bestemming 'Verkeer'. Kleinere wegen, zoals erftoegangswegen, zijn opgenomen in de bestemming 'Woongebied'.

5.2.12 Water

De primaire watergangen en -partijen zijn bestemd voor 'Water'. Het betreft een aantal waterlopen en waterpartijen verspreid over het plangebied en die in beheer van het waterschap zijn.

5.2.13 Woongebied

De gebieden met bestaande woningen in het plangebied zijn bestemd als 'Woongebied'. Hieronder vallen, naast de woonpercelen, ook het openbaar gebied met groen, wegen en andere voorzieningen.

In de verbeelding worden het bouwvlak en de verschillende maatvoeringsvlakken getoond. Hierbinnen mag de bebouwing worden gebouwd. Het bouwvlak geeft daarmee een duidelijk onderscheid tussen bebouwd en onbebouwd (tuinen, wegen, pleinen) gebied. De bouwregels, zoals bouw- en goothoogten, bebouwingspercentage of dakhelling, zijn op de verbeelding opgenomen.

Onderscheiden wordt de hoofdmassa (de eigenlijke woning) en de overige bebouwing die bij de betreffende functie hoort. Er is er bewust voor gekozen begrippen als bijgebouwen of aan- en uitbouwen te vermijden, omdat dit stigmatiserend werkt en de gemeente naast het gebruik met name het volume van de bebouwing wil beoordelen vanuit het bestemmingsplan. In veel gevallen worden bijgebouwen onderscheiden van aan- of uitbouwen doordat er wel of geen directe verbinding tussen de gebouwen bestaat of aan de hand van het gebruik van het gebouw. Dit heeft ruimtelijk gezien weinig tot geen betekenis.

Bebouwing is tot de achterste perceelgrens toegestaan, zolang de goot- en bouwhoogten, alsmede het bebouwingspercentage niet meer bedragen dan ter plaatse is aangeduid. Dit laatste onder de voorwaarde dat de bebouwde oppervlakte van het achtererf niet meer mag bedragen dan 150 m².

Op sommige plekken is het bouwen van het achtererf niet goed mogelijk binnen het bouwvlak en bestaat er een voorkeur voor het bouwen op een locatie buiten het bouwvlak. Het gaat hier bijvoorbeeld om hoeksituaties. Soms valt een zijerf buiten het bouwvlak, maar is bij nadere afweging het geen probleem dat daar gebouwd wordt. Voor die gevallen is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Er moet daarbij wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan. De voorgevelrooilijn van de woning waarbij de afwijkingsbevoegdheid wordt toegepast mag in ieder geval niet worden overschreden. Het maximum dat aan erfbebouwing wordt toegestaan is 150 m2. Ook na toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid is niet meer dan dat toegestaan. De mogelijkheden binnen en buiten het bouwvlak mogen hierna dus niet bij elkaar worden opgeteld. De goothoogte van bijbehorende bouwwerken is maximaal 2,5 meter, de bouwhoogte sluit aan bij de regeling van vergunningvrij bouwen uit het Besluit omgevingsrecht.

Binnen het plan is het bouwen van een erker op het voorerf toegestaan tot een maximale diepte van 1,5 meter en een oppervlakte van 6 m².

Bij het wonen is de uitoefening van het aan huis verbonden beroep toegestaan en is onder een aantal voorwaarden een bed & breakfast-voorziening mogelijk. Bij beide functie geldt in ieder geval dat de woning in overwegende mate haar woonfunctie moet behouden en een ruimtelijke uitstraling of uitwerking moet hebben die in overeenstemming is met de woonfunctie.

5.2.14 Woongebied - 1

De nog niet ontwikkelde woonkavels in het plan Diepenheim - Noord 2 zijn onder de bestemming 'Woongebied - 1' gebracht. Binnen deze bestemming is een bouwvlak opgenomen, waarbinnen de woningen en de daarbijbehorende bebouwing gerealiseerd mogen worden. De te bouwen woningtypes, maximale goot- en bouwhoogte, aantal woningen, bebouwingspercentage per bouwperceel en dergelijke zijn per bouwvlak geregeld.

Voor het overige gelden de bouw- en gebruiksregels, vergelijkbaar met de bestemming 'Woongebied'.

5.2.15 Woongebied - Uit te werken

De nieuw te bouwen woningen aan de Ruimersdijk kunnen met toepassing van een uitwerking als bedoeld in artikel 3.6 Wro worden gerealiseerd. De bestemming 'Woongebied - Uit te werken' is daarvoor de geëigende bestemming.

5.2.16 Waarde - Archeologie

De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie', 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en 'Waarde - Archeologische verwachting 2' hebben betrekking op respectievelijk de aanwezige historische kernen, alsmede de gebieden met een hoge verwachtingswaarde en een middelhoge verwachtingswaarde (zie paragraaf 4.2). Voor de gronden binnen deze dubbelbestemmingen geldt dat voor werken en werkzaamheden die een groter oppervlak beslaan dan respectievelijk 50 m², 2500 m² en 5000 m² en die dieper gaan dan 40 cm, een omgevingsvergunning aangevraagd dient te worden.

In de regels zijn uitzonderingen opgenomen op de bovenstaande vergunningplicht. Zo geldt dat er geen omgevingsvergunning is vereist voor werken en werkzaamheden die:

  • plaatsvinden in of op gronden waarvan op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat zich ter plekke geen archeologische waarden bevinden;
  • reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
  • het normale onderhoud betreffen;
  • mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;
  • op archeologisch onderzoek zijn gericht;
  • plaatsvinden in of op een begraafplaats ten behoeve van het delven van graven.
5.2.17 Waarde - Beschermd gemeentelijk stadsgezicht

De dubbelbestemmming 'Waarde - Beschermd gemeentelijk stadsgezicht' heeft betrekking op de gronden die in 2008 door de gemeenteraad zijn aangewezen als (gemeentelijk) Beschermd stadsgezicht. Deze dubbelbestemming heeft tot doel de beschermende werking van dit gebied in het bestemmingsplan tot uitdrukking te laten komen. De situering en de bouwmassa van de panden, de kappen en de ruimtelijke samenvoeging van panden, hebben in het bestemmingsplan hun vertaalslag gekregen. In het navolgende worden deze onderdelen behandeld en wordt beschreven op welke wijze deze in het bestemmingsplan zijn geregeld:

Situering

Uitgangspunt voor het bestemmingsplan is dat de voor het beschermde stadsgezicht kenmerkende rooilijnen behouden moeten blijven. Dit betekent concreet dat de regeling zodanig moet zijn dat de plaatsing van een (hoofd)gebouw in de gevelwand bindend moet zijn. In het bestemmingsplan is dit als volgt geregeld:

  • de (bestaande) hoofdbebouwing, zijnde veelal de historische beeldbepalende en structuurbepalende panden zijn vastgelegd door middel van bouwvlakken en aanduidingen;
  • de situering van de hoofdbebouwing in een (gesloten) gevelwand is vastgelegd door het opnemen van een gevelbouwgrens waarbinnen de voorgevel van het betreffende gebouw gebouwd dient te worden.

Bescherming beeld- en structuurbepalende panden

De in bijlage 1 opgenomen lijst van beeld- en structuurbepalende panden zijn aangeduid op de verbeelding. Deze panden dienen vanwege de respectievelijke beeldwaarde en situeringswaarde te worden beschermd. Voor deze panden geldt daarom een omgevingsvergunning voor de activiteit slopen.

5.2.18 Waarde - Boom

De dubbelbestemming 'Waarde - Boom' is van toepassing op de bomen die ingevolge de lijst met monumentale bomen is vastgelegd in de Bomenverordening. Deze dubbelbestemming richt zich op het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de levensvatbaarheid en ruimtelijke, monumentale en ecologische betekenis van de als zodanig bestemde bomen. Bij de beoordeling van het behoud van de bomen dient ook rekening te worden gehouden met de gemeentelijke Bomenverordening. Binnen deze dubbelbestemming is een omgevingsverunningenstelstel van toepassing.

5.2.19 Waterstaat - Bebouwingsvrij

De bestemming 'Waterstaat - Bebouwingsvrij' betreft een dubbelbestemming voor de bescherming van waterschapsbelangen teneinde een grondstrook langs de betreffende leggerwaterloop zoveel mogelijk obstakelvrij te houden in verband met onderhoud en beheer van de waterloop door het waterschap. Deze dubbelbestemming voorziet in een bebouwingsvrije zone met een breedte van 5 meter aan weerszijden van de als 'Water' bestemde gronden en houdt daarmee een beperking in van bouwmogelijkheden van onderliggende bestemmingen. Deze regeling is niet van toepassing op bestaande bouwwerken.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Met de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten, indien sprake is van bouwplannen zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Hierbij valt te denken aan kosten voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor het bestemmingsplan. Daarnaast hebben gemeenten sturingsmogelijkheden, omdat in het geval van grondexploitatie door derden diverse eisen en regels gesteld kunnen worden.

Het bestemmingsplan is in hoofdzaak een consoliderend plan, waarbij nagenoeg uitsluitend perceelsgebonden ontwikkelingen mogelijk zijn. Ook vallen de nog te ontwikkelen woonkavels die al bestaan op basis van planologische rechten niet onder ontwikkelingen van een dusdanige omvang dat daarvoor gelet op het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening een exploitatieplan moet worden opgesteld.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven. De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat het bestemmingsplan maatschappelijk draagvlak heeft.

Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage aangeboden voor zienswijzen (artikel 3.8 Wro). Tijdens deze periode bestaat de mogelijkheid voor het indienen van zienswijzen door een ieder.

Eventueel ingekomen zienswijzen worden al dan niet verwerkt in het bestemmingsplan. Na ter inzage legging besluit de gemeenteraad over de vaststelling van het plan. De indieners van de zienswijzen worden hiervan op de hoogte gesteld. Uiteindelijk is tegen het bestemmingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.