direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied Hof van Twente, herziening Zonnepark ‘t Rikkerink
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1735.BGxzonnepark-VS10

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeente Hof van Twente heeft de ambitie om in 2035 25% van het totale energieverbruik in de gemeente op te wekken door middel van zonneparken in het vrije veld.

Initiatiefnemer, Twence, is voornemens om een zonnepark, met een oppervlakte van circa 16 hectare, op de locatie gelegen in Ambt Delden, aan de Rikkerinksweg te realiseren. Deze locatie was in het verleden in gebruik ten behoeve van vuilstort 't Rikkerink.

Met het voornemen wil initiatiefnemer bijdragen aan de duurzaamheidsambities van de gemeente Hof van Twente.

De voorgenomen ontwikkeling is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan. Een herziening van het bestemmingsplan is noodzakelijk. In voorliggend bestemmingsplan zal worden aangetoond dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Rikkerinksweg ten noordwesten van de kern Delden. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Ambt Delden, sectie P, perceelnummer 410. In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied (met paars omkaderd) globaal weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxzonnepark-VS10_0001.png"

Afbelding 1.1: Ligging van het plangebied in het buitengebied van Hof van Twente (Bron: Eelerwoude)

1.3 De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente, herziening Zonnepark ‘t Rikkerink" bestaat uit de volgende stukken:

  • verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.1735.BGxzonnepark-VS10) en een renvooi;
  • regels (met bijbehorende bijlagen).


Op de verbeelding zijn de bestemmingen binnen het bewuste plangebied aangegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en is een verplicht onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting is niet juridisch bindend.

1.4 Huidig planologisch regime

1.4.1 Algemeen

Het plangebied is gelegen binnen de begrenzing van het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente". Dit bestemmingsplan is op 7 maart 2017 gewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad van Hof van Twente. In afbeelding 1.3 is een uitsnede van de verbeelding van het geldend bestemmingsplan weergegeven. Het plangebied is met de rode contour globaal weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxzonnepark-VS10_0002.png"

Afbeelding 1.3: Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente" (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)

1.4.2 Beschrijving bestemmingen

Het plangebied heeft op basis van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente" de enkelbestemmingen "Agrarisch met waarden" en "Bos". Daarnaast zijn er archeologische dubbelbestemmingen op het plangebied van toepassing. Gezien de aard van de ontwikkeling is het niet relevant om uitgebreid stil te staan bij de van toepassing zijnde enkel- en dubbelbestemmingen en om hier individueel strijdigheden te benoemen.

Het aanleggen van een zonnepark op gronden met de enkelbestemmingen "Agrarisch met waarden" en "Bos" is niet toegestaan. Dit bestemmingsplan voorziet in de gewenste juridisch planologische kaders op basis waarvan de voorgenomen ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt.

1.4.3 Strijdigheid

Het realiseren van een zonnepark op de beoogde locatie is niet in overeenstemming met de gebruiks- en bouwregels van het geldende bestemmingsplan. Binnen de bestemmingen zijn geen bouwmogelijkheden voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde in de vorm van zonnepanelen en transformatorstations. Daarom moet het bestemmingsplan worden herzien. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.5 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie in het plangebied gegeven.

Hoofdstuk 3 bevat de planbeschrijving.

In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, provincie Overijssel en de gemeente Hof van Twente beschreven.

In hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieuthema's de revue.

Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten.

In de hoofdstukken 7 en 8 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid van het project.

Hoofdstuk 9 gaat in op de inspraak en vooroverleg.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

Het plangebied is gelegen ten noordwesten van de kern Delden, aan de Rikkerinksweg, in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door agrarische- en natuurgronden. Ten oosten en zuiden vormen respectievelijk de Seppenwooldsweg en de Rikkerinksweg de begrenzing. Ten westen wordt het plangebied begrensd door agrarische gronden en water.

‘t Rikkerink is een voormalige stortplaats die al enkele decennia buiten gebruik is. De stortplaats ligt langs het Zijkanaal naar Almelo, een aftakking van het Twentekanaal, in een verder agrarisch gebied.

Een weergave van de ligging, begrenzing en huidige situatie is hierna in afbeelding 2.1 weergegeven. Het plangebied is met rood omkaderd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxzonnepark-VS10_0003.png"

Afbeelding 2.1: Luchtfoto huidige situatie plangebied (Bron: Provincie Overijssel)

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

In hoofdstuk 2 is al ingegaan op de huidige situatie in het plangebied. In dit hoofdstuk wordt op de ontwikkeling zelf ingegaan.

3.1 Aanleiding

Duurzame energie is nu al een belangrijk item en wordt in de toekomst steeds belangrijker. Forse inspanningen op het gebied van energiebesparing en hernieuwbare energieopwekking zijn noodzakelijk om minder afhankelijk te zijn van fossiele grondstoffen zoals kolen, olie en gas. Om de doelstellingen van energietransitie te halen, zijn naast zonnepanelen op daken ook veldopstellingen van zonnepanelen noodzakelijk. Met het goedkoper worden van zonnepanelen en verruimde mogelijkheden in wet- en regelgeving zijn grote grondgebonden zonnevelden financieel steeds beter haalbaar. De ruimte om deze te realiseren ligt (vanwege de ruimtevraag en beperkte schaduwwerking) hoofdzakelijk in het buitengebied. Zo ook de in dit bestemmingsplan besloten locatie, die aan verschillende locatiecriteria voor een zonnepark voldoet. De locatie is voldoende groot, kan eenvoudig aangesloten worden op het energienet en kent weinig tot geen schaduwwerking. Daarnaast is initiatiefnemer voornemens de stroom aan het lokale net te gaan leveren. Hierdoor is er een balans tussen de productie en de afname van zonne-energie in de omgeving.

3.2 Voornemen

Aan de Rikkerinksweg, ten noordwesten van de kern Delden, is initiatiefnemer voornemens om een zonnepark te realiseren. Het zonnepark moet bijdragen aan de duurzaamheidsambities van de gemeente Hof van Twente.

Het zonnepark krijgt een omvang van circa 16 hectare, waardoor ter plaatse ruimte is voor circa 47.000 panelen van 270 Wp. Een zonnepark met een dergelijke omvang kan op jaarbasis circa 11.6756 kWh aan stroom produceren voor circa 3.200 huishoudens.

De locatie is te bereiken via de Rikkerinksweg. De locatie zelf zal bereikbaar zijn via de bestaande ontsluiting op de Rikkerinksweg. Momenteel bestaat het bovenste deel van de grond waar de zonnepanelen op zijn geprojecteerd grotendeels uit extensief beheerd grasland en laat de afdeklaag van de stortplaats hemelwater door, wat niet gewenst is in verband met het vervuild raken van dit hemelwater en dus ook de bodem. Daarom is initiatiefnemer voornemens een circa 1 meter dikke ondoorlatende laag aan te brengen en het schone hemelwater af te voeren richting de omgeving. In verband met de noodzakelijke waterdichte afwerking van het terrein ontstaat een geschikte ondergrond voor het plaatsen van zonnepanelen.

Enige hoogteverschillen blijven aanwezig na het afdekken. De exacte verschillen volgen uit het definitief ontwerp van de afdeklaag. De verschillende zonnevelden op het terrein worden mogelijk door dit reliëf gescheiden. In overeenstemming hiermee wordt het terrein gefaseerd aangelegd.

De bestaande technische installaties ten behoeve van het onderhoud van de voormalige stortplaats blijven bereikbaar. Daarnaast wordt het terrein momenteel omzoomd door een hekwerk met een tweetal toegangspoorten. Dit hekwerk blijft in functie.

Door middel van behoud van de bestaande randbeplanting (inheemse bomen en struiken), wordt het zicht op het zonnepark ontnomen. In afbeelding 3.1 is de gewenste situatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxzonnepark-VS10_0004.png"

Afbeelding 3.1: Inrichtingsschets zonnepark 't Rikkerink (Bron: Eelerwoude)

3.3 Landschap

Het plangebied betreft een voormalige vuilstortplaats. De uiterlijke verschijningsvorm is een heuvel die circa 15 tot 17 meter boven het omliggende landschap ligt, met redelijk steile taluds. Rondom het terrein is zoals gezegd beplanting aanwezig in de vorm van inheemse bomen en struiken, zoals de populier, esdoorn, berk, wilg en eik. De beplanting rondom moet zodanig onderhouden worden dat deze dicht blijft.

Om schaduwwerking van de beplanting op het zonnepark te voorkomen wordt rondom het zonnepark de beplanting zodanig onderhouden, dat deze niet hoger wordt dan circa vijf meter. Verder zijn voor het realiseren van het zonnepark geen extra kapwerkzaamheden nodig.

Gezien het bovenstaande zal het zonnepark ook vanuit het landschap goed ingepast zijn in de omgeving. Hiervoor wordt verder verwezen naar het in bijlage 1 opgenomen ontwikkelingsplan.

3.4 Verkeer en parkeren

Het ontsluiten van het zonnepark zal plaatsvinden via de bestaande ontsluiting op de Rikkerinksweg.

Het zonnepark kent een zeer beperkte verkeersaantrekkende werking. Er vinden verkeersbewegingen plaats die uitsluitend samenhangen met het beheer en onderhoud van het zonnepark. Het planvoornemen zal niet leiden tot een significante wijziging ten opzichte van de huidige situatie. De omliggende infrastructuur heeft voldoende capaciteit om de afwikkeling van de zeer beperkte toename van verkeer als gevolg van de ontwikkeling te kunnen verwerken. Het parkeren zal binnen het plangebied plaatsvinden. Hiervoor is voldoende ruimte beschikbaar. Vanuit verkeerskundig oogpunt zijn er geen bezwaren tegen de in dit plan besloten ontwikkelingen.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in dit bestemmingsplan afgewogen en doorvertaald op de verbeelding en in de regels.

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
4.1.1.1 Algemeen

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en heeft de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteits Aanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving vervangen. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

4.1.1.2 Rijksdoelen en regionale opgaven

In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk- economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.


Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland ( de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:

  • Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol;
  • Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw;
  • Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe);
  • Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet.

4.1.1.3 Duurzame energie

Het Rijk zet in op een transitie naar een duurzame, hernieuwbare energievoorziening en het geschikt maken van de elektriciteitsinfrastructuur op de langere termijn voor meer decentrale opwekking van elektriciteit. In de Structuurvisie wordt aangegeven dat het aandeel van duurzame energiebronnen als wind, zon, biomassa en bodemenergie in de totale energievoorziening omhoog moet. De ambitie is dat Nederland in 2040 een robuust internationaal energienetwerk kent en dat de energietransitie ver gevorderd is. Het is primair de taak van provincies en gemeenten om voldoende ruimte te bieden voor duurzame energievoorziening (zoals zonne-energie en biomassa). Het ruimtelijk rijksbeleid voor (duurzame) energie beperkt zich daarom enkel tot grootschalige windenergie op land en op zee, gelet op de grote invloed op de omgeving en de omvang van deze opgave. Voor andere energiefuncties is geen nationaal ruimtelijk beleid nodig, naast het faciliteren van ontwikkelingen door het aanpassen van wet- en regelgeving en het delen en ontwikkelen van kennis.

4.1.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking

In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument.

Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.

Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'.

In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor:

  • bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
  • stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´

Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).

4.1.2 Toetsing aan het rijksbeleid

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de structuurvisie. Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro).

Bij het realiseren van een zonnepark gaat het om het realiseren van een technische installatie ten behoeve van het opwekken van elektrische energie. Deze installatie bestaat uit een (serie) bouwwerken, te weten de stellages waar de zonnepanelen op gemonteerd zijn, die op het maaiveld staan. De ontwikkeling van een zonnepark betreft een nieuwe planologische mogelijkheid ten behoeve van stedelijke functies. Daarom wordt in voorliggend specifiek geval ervan uitgegaan dat het zonnepark binnen het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking onder de definitie van een stedelijke ontwikkeling valt. Daarom wordt in dit geval getoetst aan de ladder.

Beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling

Binnen de provincie Overijssel, als ook de gemeente Hof van Twente, bestaat er een behoefte aan duurzaam opgewekte energie. De provincie Overijssel heeft als doel om 20% duurzame energie op te wekken in 2023. De gemeente Hof van Twente onderstreept dit en heeft de doelstelling om in 2035 energieneutraal te zijn. Om dat te halen zijn verschillende vormen van energieopwekking nodig. Een zonnepark draagt bij aan deze doelstellingen.

Binnen of buiten bestaand stedelijk gebied

De behoefte aan de zonnepanelen is niet op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied. Binnen het bestaand stedelijk gebied van de gemeente Hof van Twente zijn er geen aaneengesloten gebieden van circa 16 hectare beschikbaar. Een locatie van kleinere omvang is ook niet aan de orde. De zonnepanelen hebben immers een grote ruimtevraag. Bij zonneparken is het totale veldoppervlakte immers niet bedekt met panelen, er is ruimte tussen de rijen voor onderhoud en voor de vermindering van schaduwwerking. Om voldoende energieproductie te genereren en te komen tot een gezonde exploitatie is een locatie met een kleinere oppervlakte redelijkerwijs geen optie. Locaties binnen de bebouwde kom zijn dan ook niet aan de orde.

Alternatieve locaties in bestaand stedelijk gebied voldoen niet aan verschillende locatiecriteria die gelden voor de realisatie van een zonnepark; voldoende groot, eenvoudige aansluiting op het energienet en geen schaduwwerking. Om binnen het stedelijk gebied voldoende zonne-energie op te wekken vallen namelijk veel gronden af, maar ook daken af. In veel gevallen zijn daken ongeschikt, te klein of is de economische levensduur van vastgoed niet voldoende om zonne-energie opwekking installaties te plaatsen. Het integreren van ecologische meerwaarde, meervoudig ruimtegebruik en zorgvuldige landschappelijke inpassing maakt zonneparken veelal een goed alternatief om tot de gewenste energiedoelstellingen te komen.

Geconcludeerd wordt dat er geen andere beschikbare plekken in bestaand stedelijk gebied beschikbaar zijn, die zowel kwantitatief als kwalitatief (beter) geschikt (te maken) zijn voor de beoogde realisatie van het zonnepark in deze omvang. Alles overwegende kan geconcludeerd worden dat de realisatie van het zonnepark op de beoogde locaties voldoet aan de ladder.

4.2 Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel, welke is verankerd in de Omgevingsverordening.

4.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De omgevingsvisie is het centrale provinciale beleidsplan voor het fysieke beleidsplan voor het fysieke leefmilieu in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. De beleidsambities worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden - duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit - waarvoor thema overstijgende kwaliteitsambities zijn geformuleerd.

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving van de provincie Overijssel. Voor onderliggend initiatief wordt op de belangrijkste rode draden en kwaliteitsambities in gegaan.

Duurzaamheid

Eén van de vier kwaliteitsambities die de koers bepalen van provinciale sturing op duurzaamheid is een duurzame energiehuishouding.

De provincie ambieert in Overijssel een duurzame energiehuishouding: hernieuwbare energie voor iedereen beschikbaar en betaalbaar. Ingezet wordt op het vergroten van het aandeel energie uit bronnen als zon, wind, biomassa en ondergrond. In 2023 moet 20% van de energiebehoefte uit hernieuwbare bronnen bestaan, de ambitie voor 2030 ligt op 30%. Dit wordt bereikt door ondernemers, bewoners en organisaties te stimuleren te investeren in het efficiënter gebruik van energie, de opwekking van hernieuwbare energie en het aanpassen van de energie-infrastructuur.

4.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

4.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel 2017

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • 1. Of – generieke beleidskeuzes;
  • 2. Waar – ontwikkelingsperspectieven;
  • 3. Hoe – gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.

4.2.3.1 Of - Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een maatschappelijke opgave. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Andere generieke beleidskeuzes betreffen het voorkomen van overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoorlocaties.

Ook wordt in deze fase de zogenaamde Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking gehanteerd. Deze Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden. Integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn beleidskeuzes die invulling geven aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking.

Voor specifieke gebieden in Overijssel geldt dat niet alle initiatieven mogelijk zijn. Dit heeft te maken met zwaarwegende publieke belangen, Gebiedsspecifieke beleidskeuzes om de zwaarwegende publieke belangen te borgen, zijn: reservering voor waterveiligheid en beperking wateroverlast, drinkwater/grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland, de Nationale Landschappen en het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen.

4.2.3.2 Waar - Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.

4.2.3.3 Hoe - Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Afbeelding 4.1 geeft dit schematisch weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxzonnepark-VS10_0005.png"

Afbeelding 4.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

4.2.4 Toetsing aan de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Overijssel 2009 en de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

4.2.4.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
4.2.4.1.1 Of - Generieke beleidskeuzes

Ten aanzien van de generieke beleidskeuzes zijn de artikelen 2.1.3 (Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), 2.1.5 (Ruimtelijke kwaliteit) en 2.1.8.2 (Realisatie zelfstandige opstelling zonnevelden) uit de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Hierna wordt nader op de artikelen ingegaan.

Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (Artikel 2.1.3)

lid 1:

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie;
  • dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

lid 2:

Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is;
  • dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel

Zoals reeds aangegeven in paragraaf 4.1.2 is de behoefte aan zonnepanelen niet op te vangen in het bestaand stedelijk gebied. Binnen het bestaand stedelijk gebied van de gemeente Hof van Twente zijn er geen aaneengesloten gebieden van circa 16 hectare beschikbaar. Daarnaast voldoen alternatieve locaties niet aan verschillende locatiecriteria die gelden voor de realisatie van zonneparken; voldoende groot, eenvoudige aansluiting op het energienet en geen schaduwwerking. Om binnen het stedelijk gebied voldoende zonne-energie op te wekken vallen namelijk veel gronden, maar ook daken af. In veel gevallen zijn daken ongeschikt, te klein of is de economische levensduur van vastgoed niet voldoende om zonne-energie-installaties te plaatsen. Geconcludeerd wordt dat het realiseren/uitbreiden van een zonneakker op de beoogde locatie in overeenstemming is met het gestelde in artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening.

Ruimtelijke kwaliteit (Artikel 2.1.5; leden 1, 2, 3 en 5)

1. In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.

2. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd.

3. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd.

5. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.5 (leden 1, 2, 3 en 5) van de Omgevingsverordening Overijssel

De ruimtelijke kwaliteit van de locatie blijft behouden door behoud en onderhoud van de rondom gelegen beplanting. Hierdoor wordt het zonnepark zo goed als volledig aan het zicht onttrokken. Toetsing aan het ontwikkelingsperspectief vindt plaats in de navolgende subparagraaf.

Realisatie zelfstandige opstelling zonnepanelen (Artikel 2.1.8.2)

  • 1. In de Groene Omgeving mogen zelfstandige opstellingen van zonnepanelen uitsluitend worden toegestaan als tijdelijk (mede)gebruik van de gronden.
  • 2. Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in de opstelling van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen in de Groene Omgeving als de maatschappelijke meerwaarde is aangetoond én is aangetoond dat het verlies van ecologische en/of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.
  • 3. De maatschappelijke meerwaarde als bedoeld in lid 2 dient te worden onderbouwd vanuit de volgende criteria:
    • a. de mate waarin sprake is van meervoudig ruimtegebruik;
    • b. maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken en/of te compenseren;
    • c. de mate waarin wordt aangesloten op de karakteristieken van het gebied;
    • d. de bijdrage die geleverd wordt aan maatschappelijke doelen.

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.8.2 van de Omgevingsverordening Overijssel

Het plangebied is in de toekomstige situatie ook te gebruiken voor agrarische doeleinden, enkel de mogelijkheid voor het realiseren van een zonnepark wordt toegevoegd. Op de wenselijkheid van het plan is in hoofdstuk 3 e paragraaf 4.1.2 uitvoerig ingegaan. Het plan kent daarnaast een grote maatschappelijke meerwaarde. De locatie kent geen ecologische en/of landschappelijke waarden die geschaad worden. Door behoud van beplanting langs de randen blijven de ecologische en landschappelijke waarden behouden. Van verlies van ecologische en/of landschappelijke waarden is dan ook geen sprake. Hiermee wordt voldaan aan artikel 2.1.8.2 van de Omgevingsverordening.

4.2.4.1.2 Waar - Ontwikkelingsperspectieven

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Met de ontwikkelingsperspectieven wordt de ruimtelijke ontwikkelingsvisie van de provincie Overijssel vorm gegeven. Hiervoor gelden de gebiedskenmerken als onderligger.

In dit geval zijn de ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving van belang. In de groene ruimte gaat het - kort door de bocht - om het behoud en de versterking van het landschap, het realiseren van een samenhangend netwerk van gebieden met natuur- en waterkwaliteit, ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, het toerisme en andere economische dragers, realisatie van waterkwaliteitsdoelen, het duurzaam beheer van drinkwatervoorraden én het opwekken van hernieuwbare energie. In de Groene Omgeving onderscheidt de provincie de volgende drie ontwikkelingsperspectieven:

  • de zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW);
  • agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap;
  • wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxzonnepark-VS10_0006.png"

Afbeelding 4.2: Uitsnede ontwikkelperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

Het plangebied behoort zoals te zien is in bovenstaande afbeelding tot de ontwikkelingsperspectieven 'Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap' en ´Watersysteem´.

"Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap"

Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.

In dit ontwikkelingsperspectief zijn ook plekken waar, door de ruimtelijke structuur van het landschap, de beschikbare milieuruimte of reeds aanwezige bebouwing, de ontwikkelruimte van agrarische bedrijven beperkt is. Hier liggen ontwikkelkansen voor andere vormen van bedrijvigheid (denk aan dienstverlenende zelfstandigen zonder personeel) die de ruimtelijke structuur versterken. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt.

"Watersysteem"

Het watersysteem – waaronder de waterlopen uit de Kaderrichtlijn Water en de waardevolle kleine wateren vormt de blauwe ruggengraat van de Zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW) en draagt bij aan de samenhang in het natuurnetwerk. De kwaliteitsambitie Continu en beleefbaar watersysteem staat hier centraal. Binnen het watersysteem ligt de nadruk op versterking van de (chemische en ecologische) waterkwaliteit en het vasthouden en bergen van water. Onze inzet is een veerkrachtig en klimaatbestendig watersysteem. Rond de waterlopen is ruimte voor initiatieven die hier aan bijdragen. Met functiecombinaties kunnen – door een goede locatiekeuze en inrichting – versterking van economie en watersysteem goed samengaan en inspanningen van waterschappen worden ondersteund.

Toetsing aan het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap'

Het plan, waarbij een zonnepark wordt gerealiseerd, past binnen de geldende ontwikkelingsperspectieven. Het plan voorziet in de opwekking van hernieuwbare energie, te weten zonne-energie. Daarnaast wordt het aanwezige watersysteem behouden. Voor de overige wateraspecten wordt verwezen naar hoofdstuk 6. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de ter plekke geldende ontwikkelingsperspectieven.

4.2.4.1.3 Hoe - gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De 'Stedelijke laag' en 'Laag van de beleving' worden in dit geval buiten beschouwing gelaten, aangezien voor het plangebied geen specifieke eigenschapen vanuit deze lagen gelden. Hierna wordt ingegaan op de relevante kenmerken ter plaatse van het plangebied.

1. De Natuurlijke laag

De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier 'van nature' op vestigt. Deze natuurlijke laag is het resultaat van de wisselwerking tussen abiotische (fysische) en biotische factoren en processen. Zo zorgden ijs-, wind- en waterstromen in Overijssel voor het ontstaan van een afwisselend landschap van stuwwallen, dekzandgronden, beekdalen en natte laagtes en bepaalden de stroomsnelheden van IJssel, Vecht, Regge of Dinkel waar et fijne (komgronden) en waar het grovere sediment (oeverwallen) werd afgezet. En ontwikkelde veen zich daar, waar het water maar moeilijk weg kon.

Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de 'Natuurlijke laag' aangeduid met het gebiedstype 'dekzandvlakte en ruggen' en ´Beekdalen en natte laagtes´. In afbeelding 4.3 is dit weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxzonnepark-VS10_0007.png"

Afbeelding 4.3: De Natuurlijke laag (Bron: Provincie Overijssel)

"Dekzandvlakte en ruggen"
De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied.

Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.

"Beekdalen en natte laagtes"

Het Overijsselse zandlandschap is van oorsprong kletsnat. In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het water. Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren.

Als ontwikkelingen plaats vinden in of in de directe nabijheid van beekdalen en natte laagtes, dan dragen deze bij aan extra ruimte voor de dynamiek van het stromende water en het vasthouden van water, aan versterking van de samenhang in het beeksysteem en aan vergroting van de zichtbaarheid, bereikbaarheid en beleefbaarheid van het water. Dit zijn uitgangspunten bij (her)inrichting.

Toetsing aan de 'Natuurlijke laag

De uiterlijke verschijningsvorm van het plangebied is een heuvel die circa 15 tot 17 meter boven het omliggende landschap ligt, met redelijk steile taluds waarlangs een beek is gelegen. De kenmerken van dit type landschap blijven binnen de voorgenomen ontwikkelingen behouden. De zichtbaarheid en beleefbaarheid van de genoemde hoogteverschillen en het watersysteem blijven ongewijzigd. De locatie is in de huidige situatie al goed ingepast in het landschap. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met het gestelde in de “Natuurlijke laag”.

2. De laag van het agrarische cultuurlandschap

In het agrarisch cultuurlandschap gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan.

Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart de “Laag van het agrarisch cultuurlandschap” aangeduid met het gebiedstype "Maten en flierenlandschap" en "Essenlandschap". In afbeelding 4.4 is dat weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxzonnepark-VS10_0008.png"

Afbeelding 4.4: Laag van het agrarisch cultuurlandschap (Bron: Provincie Overijssel)

"Oude hoevenlandschap"

Landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen ‘bezet’ waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond.

Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen.

Toetsing aan de "Laag van het agrarisch cultuurlandschap"

De kenmerkende kleinschalige structuur van het landschap is nog redelijk intact in de omgeving van het plangebied. Dit is gunstig in relatie tot inpassing van nieuwe ontwikkelingen. Behoud van de bestaande beplanting en structuren draagt bij aan het behoud van de bestaande landschapskenmerken van het Oude hoevenlandschap. Daarmee is de ontwikkeling in overstemming met het gestelde in de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'.

4.2.5 Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd kan worden dat de in het voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

4.3 Gemeentelijk beleid

Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste beleidsdocumenten die van toepassing zijn op de gewenste ontwikkeling worden hieronder in willekeurige volgorde behandeld.

4.3.1 Beleidsnota grootschalige duurzame energiebronnen (wind en zon)
4.3.1.1 Algemeen

De gemeente Hof van Twente heeft in het MUD (Meerjaren Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid) 2014-2017 vastgelegd dat zij in 2035 energie neutraal wil zijn. Vervolgens is in het coalitieprogramma 2014-2018 uitgesproken dat duurzaamheid en economie twee van de drie hoofdpijlers zijn van het beleid in de komende jaren. Zij dragen bij aan een leefbare en financieel gezonde gemeente op de lange termijn.

Het doel van deze beleidsnota is te komen tot een afwegingskader op basis waarvan verzoeken tot plaatsing van windturbines en zonneparken kunnen worden beoordeeld. Zodat met het realiseren van grootschalige productielocaties binnen de gemeente Hof van Twente invulling gegeven wordt aan de doelstelling een energieneutraal Hof van Twente in 2035.

4.3.1.2 Zonneparken

In de afgelopen jaren is zonne-energie met name gerealiseerd op daken van particulieren en ondernemers. De verwachting is dat dit ook in de komende jaren nog het geval zal zijn en dat met name ook op grote daken aanzienlijke oppervlaktes worden gerealiseerd. Ook in Hof van Twente is de verwachting dat in de komende jaren op daken nog een aanzienlijke hoeveelheid zonne-energie wordt gerealiseerd. In het voorbeeldschema in de routekaart gaat de gemeente uit van 50 miljoen kWh tot 2035. Om de doelstelling energieneutraal in 2035 te kunnen realiseren zullen er in Hof van Twente daarnaast ook een aantal zonneparken gerealiseerd moeten worden.

Het realiseren van grondgebonden zonnepanelen in de vorm van zonneparken heeft gevolgen voor het landschap, indien het park in het buitengebied of aan de rand van een kern wordt gesitueerd. Binnen de bebouwde kom kunnen grondgebonden zonnepanelen gevolgen hebben voor de kwaliteit en uitstraling van de openbare ruimte. De gevolgen zijn echter, in vergelijking tot grote windturbines, lokaal van aard. Een zonnepark laat zich bovendien, tot op zekere hoogte, inpassen door middel van beplanting, zeker als de zonnepanelen een beperkte hoogte hebben. De beplanting dient echter wel zodanig te zijn dat er geen schaduwwerking op de panelen kan plaatsvinden.

Het verkrijgen van draagvlak bij inwoners en het bieden van mogelijkheden tot participatie, zowel in de besluitvorming als in mede-eigendom en meedelen in de opbrengsten is essentieel. Iedere initiatiefnemer dient daarom aan een aantal voorwaarden te voldoen, zoals het in een zeer vroeg stadium betrekken van omwonenden bij het hele afwegingsproces en het maken van een 3D-visualisatie.

4.3.1.3 Toetsing

Vanwege de locatie die de zonnepanelen zullen innemen binnen het plangebied, en de bestaande omliggende beplantingsstructuren, zijn er met betrekking tot voorliggend plan geen gevolgen te verwachten voor de kwaliteit en uitstraling van het buitengebied. Het zicht van buitenaf op het zonnepark wordt door de bestaande beplanting ontnomen. Door onderhoud van beplanting aan de binnenzijde van de beplantingsrand wordt daarnaast schaduwwerking op de panelen zo veel mogelijk voorkomen. Initiatiefnemer heeft onderzoek laten verrichten naar mogelijkheden voor inwoners om te participeren en een 3D-visualisatie laten maken. Hiervoor wordt verder verwezen naar bijlage 1. Aan de hand van de onderzoeksresultavindt momenteel een nadere verkenning plaats naar de mogelijkheden om inwoners maximaal te kunnen laten participeren. Initiatiefnemer conformeert zich hiermee aan deze voorwaarden. Hier wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de 'Beleidsnota grootschalige duurzame energiebronnen (wind en zon)'.

4.3.2 Landschapsontwikkelingsplan Haaksbergen en Hof van Twente
4.3.2.1 Inleiding

In 2005 is een landschapsontwikkelingsvisie opgesteld en vastgesteld. Per landschapstype is aangegeven welk kenmerken dienen te worden behouden en/of versterkt. De uitwerking is gebaseerd op vier thema's:

  • behoud en versterking van waardevolle ensembles: Behoud, herstel, aanleg en onderhoud van een samenhangend patroon van landschapselementen (beplantingen inclusief lanen, historische elementen met name in het kampenlandschap, open essen en erfbeplantingen) is het speerpunt;
  • landschappelijke versterking van het watersysteem;
  • zorg voor het agrarisch werklandschap: Dit doel uit zich met name in het behouden van relicten van het voormalige kampenlandschap, zonder de patronen te willen herstellen;
  • inpassen van kernen en routes. Nieuwe ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan deze visie. Inrichtingsvoorstellen krijgen als leidraad deze visie mee.
4.3.2.2 Landschapsontwikkelingsvisie

De landschapsontwikkelingsvisie is vertaald in een overzichtelijk kaartbeeld. Een uitsnede van deze kaart wordt hieronder weergegeven. Het plangebied is indicatief met de rode cirkel weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxzonnepark-VS10_0009.png"

Afbeelding 4.6: Ligging van het plangebied in het LOP (Bron: gemeente Hof van Twente)

Het plangebied is gelegen in het ‘kampenlandschap’ waarbij behoud van de bestaande landschapselementen het uitgangspunt is.

4.3.2.3 Toetsing

Ondanks dat het terrein zelf door zijn bijzondere hoogteligging afwijkt van de omgeving, is het door de inpassing met begroeide hellingen goed ingepast in het kleinschalige landschap. Hierdoor is het terrein nauwelijks waarneembaar. Extra maatregelen ten behoeve van de landschappelijke inpassing of versterking zijn in relatie tot realisatie van het zonnepark niet noodzakelijk. Verder wordt verwezen naar het in bijlage 1 opgenomen ontwikkelingsplan. Het initiatief past binnen het LOP.

4.3.3 Archeologiebeleid
4.3.3.1 Algemeen

Op 1 januari 2010 is het gemeentelijke archeologiebeleid in werking getreden. Op de bijbehorende archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is aangegeven welke gebieden een lage, een middelhoge en een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben. Verder zijn ook de terreinen met bekende archeologische waarden in beeld gebracht (de archeologische monumenten). Afhankelijk van de verwachtingswaarde dient bij bouwplannen en ingrepen in de grond met een bepaalde omvang en diepte archeologisch vooronderzoek plaats te vinden.

  • Historische kern: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 50 m2 of meer;
  • Hoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 2.500 m2 of meer;
  • Middelhoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 5.000 m2 of meer;
  • Lage verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 10 ha of meer.

Dit beleid dient vertaald te worden in de planregels van de bestemmingsplannen die in procedure worden gebracht.

4.3.3.2 Toetsing

In paragraaf 5.7.1 wordt getoetst aan het gemeentelijke archeologiebeleid. Verwezen wordt naar deze paragraaf.

4.3.4 Bodembeleid
4.3.4.1 Algemeen

De gemeente heeft in het Bodembeleidsplan haar beleid ten aanzien van bodemverontreiniging uiteengezet. De ambitie van de gemeente is om bodemverontreinigingen te voorkomen en de bodem geschikt te houden voor toekomstige ontwikkelingen. Ten tweede heeft de gemeente de ambitie om bodemaspecten tijdig mee te nemen in planvorming.

De gemeente geeft prioriteit aan het opheffen van bodemverontreinigingen die actuele risico’s opleveren voor mensen of milieu. De gemeente besteedt in het bijzonder aandacht aan de mogelijke aanwezigheid van asbest in de bodem. Hiervoor wordt verwezen naar het asbestbeleid en de asbestsignaleringskaart.

4.3.4.2 Toetsing

In paragraaf 5.2 wordt het plan getoetst aan het aspect bodemkwaliteit. Kortheidshalve wordt verwezen naar deze paragraaf.

4.3.5 Nota Externe veiligheid
4.3.5.1 Algemeen

De gemeente heeft haar beleid ten aanzien van externe veiligheid vastgelegd in de nota “Bewuste veiligheid op maat”. Binnen de gemeente zijn een aantal risicovolle inrichtingen aanwezig. Op de site www.risicokaart.nl is een actueel overzicht van de risicovolle bedrijven te vinden. Ten aanzien van nieuwvestiging van zwaardere en risicovolle bedrijvigheid stelt de gemeente zich terughoudend op. Verder moet met name bij gevoelige functies, rekening gehouden worden met het vervoer van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor, het water of buisleidingen.

4.3.5.2 Toetsing

In paragraaf 5.4 wordt het plan getoetst aan het aspect externe veiligheid. Verwezen wordt naar deze paragraaf.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.

5.1 Geluid

5.1.1 Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen

5.1.2 Situatie plangebied

Een zonnepark vormt een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Een zonnepark is een type A-inrichting. De inrichting valt daarmee onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. Op voorhand kan worden geconstateerd dat deze inrichting geen relevante geluidbelasting veroorzaakt.

Als gevolg van de ontwikkeling is tevens geen sprake van een significante verkeersaantrekkende werking. Het zonnepark wordt incidenteel bezocht, uitsluitend ten behoeve van beheer en onderhoud.

Ook is een zonnepark geen geluidgevoelig object. Het plan voorziet dan ook niet in het toevoegen van een geluidsgevoelig object, waardoor onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder niet nodig is.

5.1.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.2 Bodemkwaliteit

5.2.1 Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740.

5.2.2 Situatie plangebied

Het uitvoeren van onderzoek naar de bodemkwaliteit doet zich voor in situaties waarin personen langdurig verblijven of aanwezig zijn. In voorliggend geval worden overwegend bouwwerken, geen gebouwen zijnde gerealiseerd waar zonnepanelen op bevestigd worden. Daarnaast worden kleine gebouwen (trafostations e.d.) gerealiseerd, echter wordt hierin niet langdurig door personen verbleven.

Tot slot wordt opgemerkt dat er geen grond uit het plangebied wordt afgevoerd (gesloten grondbalans) en dat er geen sprake is van een risicovolle activiteiten voor de bodem. Het uitvoeren van een nader onderzoek naar de bodemkwaliteit is in dit geval niet noodzakelijk.

5.2.3 Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.3 Luchtkwaliteit

5.3.1 Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan onder andere de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

5.3.2 Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van dit project en de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1, kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. In de aanlegfase vinden er alleen maar verkeersbewegingen plaats en in de gebruiksfase wordt het zonnepark incidenteel bezocht, uitsluitend in het kader van beheer en onderhoud. Er is dan ook geen sprake van significante verkeersaantrekkende werking. Vermindering van de luchtkwaliteit is daarom niet aan de orde en vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het zonnepark.

Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen'.

5.3.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.4 Externe veiligheid

5.4.1 Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi);
  • de Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's Zware Ongevallen (Brzo);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: 

  • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);
  • de Regeling basisnet;
  • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. De gemeente Hof van Twente heeft haar beleid ten aanzien van externe veiligheid vastgelegd in de nota “Bewuste veiligheid op maat”.

5.4.2 Situatie in en bij het plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond beide locaties. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxzonnepark-VS10_0010.png"

Afbeelding 5.1: Uitsnede Risicokaart (Bron: Nederland.risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie:

  • niet is gelegen binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen dan wel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
  • wel is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Opgemerkt wordt dat er direct ten zuiden van het plangebied een buisleiding voor het vervoer van gevaarlijke stoffen loopt. Dit bestemmingsplan staat echter geen nieuwe kwetsbare objecten toe. Dit betekent dat een nadere verantwoording van het persoonsgebonden/ en groepsrisico niet noodzakelijk is.

5.4.3 Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5 Milieuzonering

5.5.1 Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.

5.5.2 Situatie plangebied

Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol:

    • 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
    • 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

Een zonnepark betreft, in het kader van milieuzonering, geen milieugevoelige functie. Anderzijds brengt de functie geen milieubelasting met zich mee. Eventuele geluidhinder zou door trafostation(s) kunnen ontstaan. Het betreft in dat geval een trafostation die vergelijkbaar is aan die in woonwijken. Voor transformatorstations geldt een te hanteren afstand van 30 meter. De dichtstbijzijnde woning is gelegen op een afstand van circa 12 meter. Gezien de omvang van het plangebied is er echter voldoende ruimte om eventuele trafostations op een afstand van meer dan 30 meter ten opzichte van omliggende woonbestemmingen te realiseren. Middels een specifieke regel in de regels wordt dit gewaarborgd. Er is geen sprake van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

5.5.3 Conclusie

Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

5.6 Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet Natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet Natuurbescherming.

Eelerwoude heeft een Quickscan Flora/Fauna uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. De resultaten van het onderzoek worden hierna toegelicht. Voor het volledige onderzoeksrapport wordt verwezen naar bijlage 2.

5.6.1 Gebiedsbescherming
5.6.1.1 Natura 2000

Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied in het kader van de Wet natuurbescherming.

Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de 'Borkeld'. De onderliggende afstand is ruim meer dan 7 kilometer.

Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot de Natura 2000-gebieden wordt geconcludeerd dat er als gevolg van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling geen sprake is van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.

5.6.1.2 Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vormt de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxzonnepark-VS10_0011.png"

Afbeelding 5.2: Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN (Bron: Provincie Overijssel)

Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN. Direct grenzend aan het plangebied is echter wel sprake van gronden die zijn aangemerkt als NNN gronden. Echter gezien de aard van de voorgenomen ontwikkelingen waarbij het zonnepark wordt aangelegd aan de binnenzijde van de bestaande omringende groenstructuren, en waarbij deze groenstructuren vanwege functionele en esthetische redenen behouden blijven, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

5.6.2 Soortenbescherming

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.

Op basis van de quickscan wordt geconstateerd dat het onderzoeksgebied een potentiële habitat biedt voor een aantal beschermde soorten. Hoewel er geen gerichte veldinventarisatie heeft plaatsgevonden, is op basis van de beschikbare literatuurgegevens en een veldbezoek (alsmede een veldbezoek in 2016) vastgesteld dat het terrein mogelijk van belang is voor enkele algemeen beschermde soorten met een landelijke vrijstelling en voor enkele beschermde broedvogels, vleermuizen, steenmarters en eekhoorns. Met de realisatie van een zonnepark op het bovenvlak van de voormalige stortlocatie worden echter geen negatieve effecten op deze soort(groepen) verwacht.

De ingreep zal naar verwachting leiden tot een zeer beperkt en tijdelijk verlies van leefgebied van enkele overige beschermde soorten. Hiervoor zijn door de provincie vrijstellingen opgesteld. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten, omdat het plangebied geschikt blijft als leefgebied en het relatief algemene soorten betreft. Voor deze soorten geldt dan ook een vrijstelling. Een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk.

Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende), vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Indien toch in het broedseizoen door gewerkt of gestart wordt, moet vóór het broedseizoen (uiterlijk in februari) contact gelegd worden met de begeleidend ecoloog. In samenspraak met de ecoloog moeten eventuele nadere acties bepaald worden, zoals vroegtijdig kappen van bomen, of maaien van beplanting. Het voorliggende zonneproject wordt pas uitgevoerd nadat de afdichtingslaag is aangebracht. De kans op broedende vogels op de afdichtingslaag is heel gering.

In het kader van de zorgplicht zijn de volgende maatregelen noodzakelijk:

  • tijdens de uitvoering dient men bijvoorbeeld alert te zijn op aanwezigheid van fauna en deze, indien noodzakelijk, te verplaatsen;
  • bij onvoorziene situaties dient daarnaast contact opgenomen te worden met een ter zake kundige.
5.6.3 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader soort- of gebiedsbescherming.

5.7 Archeologie & Cultuurhistorie

5.7.1 Archeologie
5.7.1.1 Algemeen

Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

5.7.1.2 Situatie plangebied

Op basis van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart heeft het plangebied de aanduiding 'lage verwachting' en 'hoge verwachting in zone om historisch element'. In afbeelding 5.3 is een uitsnede opgenomen van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart ter plaatse van het plangebied (groene omlijning), tevens is het beleidsadvies opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxzonnepark-VS10_0012.png" Afbeelding 5.3: Uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart (Bron: Gemeente Hof van Twente)

Aangezien de beoogde bodemingrepen aanzienlijk kleiner zijn dan 2.500 m2, is op basis van het archeologie beleid van de gemeente Hof van Twente een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Daarnaast is het plangebied op basis van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente" bestemd met de dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologische verwachting 1', 'Waarde – Archeologische verwachting 2'en 'Waarde – Archeologische verwachting 3'. Ter bescherming van de archeologische waarden, worden deze dubbelbestemmingen in voorliggende bestemmingsplan overgenomen. Tot slot wordt hierbij nog opgemerkt dat met het aanbrengen van de ondoorlatende laag de bodem niet wordt aangetast en dat in verband met de voormalige vuilstort op deze locatie eventuele archeologische waarden veel dieper zijn gelegen dan de diepte tot waar eventuele bodemingrepen zullen plaatsvinden. Verlies van archeologische waarden is dan ook niet aan de orde.

5.7.2 Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

5.7.2.2 Situatie plangebied

Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In de directe nabijheid van het plangebied is geen sprake van gemeentelijke monumenten maar wel sprake van een gebouwd rijksmonument aan de Seppenwooldsweg 3. Echter gelet op de aard van voorgenomen initiatief is geen sprake van een ontwikkeling waarbij enige vorm van aantasting van dit rijksmonument of diens functie te verwachten is. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.

5.7.3 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.8 Besluit milieueffectrapportage

5.8.1 Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:

  • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);

Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.

  • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3);

Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).

  • Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4);

Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.

Een belangrijk element in het Besluit m.e.r., is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

5.8.2 Situatie plangebied

Voorliggend plan voorziet in het realiseren van een zonnepark van circa 16 hectare. Realisatie van projecten met zonne-energie worden niet in het Besluit milieu-effectrapportage (besluit m.e.r.) genoemd . Wel leiden grondgebonden zonneparken tot de herinrichting van een stuk landelijk gebied. In de D-lijst is de volgende activiteit opgenomen 'Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan'. Een zonneakker valt hieronder, waardoor toetsing aan de drempelwaarden dient plaats te vinden. De drempelwaarde voor landinrichtingsprojecten uit het Besluit m.e.r. is 125 hectare. Op basis van de omvang van het project, een zonnepark van ongeveer 16 hectare groot, is een m.e.r.- beoordeling of het doorlopen van een m.e.r.-procedure niet nodig.

Gelet op de omvang van het totale project (circa 16 hectare), de kenmerken van het project (zonnepark) en de aard van de effecten (zeer beperkt), wordt geconcludeerd dat het uitvoeren van een m.e.r- beoordeling of het doorlopen van een m.e.r-procedure niet aan de orde is.

5.8.3 Conclusie

Dit plan is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan.

Hoofdstuk 6 Wateraspecten

6.1 Vigerend beleid

6.1.1 Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

6.1.2 Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).

6.1.3 Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

6.1.4 Waterschap Vechtstromen

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld.

Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld.

In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het:

  • voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte;
  • beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem;
  • het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.
6.1.5 Waterplan Hof van Twente

Het waterplan is een overkoepelend beleidsstuk over het waterbeheer in de gemeente Hof van Twente dat ook door de waterbeheerders – de waterschappen Regge en Dinkel en Rijn en IJssel en drinkwaterleidingbedrijf Vitens is vastgesteld. Het waterplan geeft een visie hoe het watersysteem binnen de gemeente over ongeveer 25 jaar er uit ziet en welke maatregelen er op korte en lange termijn daarvoor nodig zijn. De visie wordt op basis van drie invalshoeken beschreven, te weten:

  • Twents landschap: Water speelt een belangrijke rol in het gevarieerde en kleinschalige landschap. Het water is zo ingericht dat meerdere functies tegelijk kunnen vervullen. Het waterbeheer sluit zoveel mogelijk aan bij de natuurlijke omstandigheden, zoals hoogteligging, grondwaterstroming en bodemsoort.
  • Ruimte voor water: De visie is gericht op het ontwikkelen van een robuust en veerkrachtig watersysteem met als doel wateroverlast en verdroging zoveel mogelijk te voorkomen. Om dit te bereiken is er voldoende ruimte nodig voor het vasthouden en tijdelijk bergen van water. Voor de verbetering van de waterkwaliteit dienen de vervuilende lozingen te worden beperkt. Door het afkoppelen van schoon hemelwater van de riolering wordt de emissie door lozingen vanuit riooloverstorten en rioolwaterzuiveringen gereduceerd.
  • Beleving van water: In de woon- en werkomgeving is water zichtbaar, bereikbaar en veilig voor bijvoorbeeld vissers en wandelaars. Zichtbaar water dat beleefd wordt, is er niet alleen om van te genieten, maar ook er van bewust van te zijn. Om dit te bereiken wordt het hemelwater bij voorkeur met bovengrondse voorzieningen ingezameld en geïnfiltreerd.

6.2 Waterparagraaf

6.2.1 Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

6.2.2 Watertoetsproces

Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). Voor het watertoetsresultaat wordt verwezen naar bijlage 3 van deze toelichting. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de voor het plangebied de 'normale procedure' van toepassing is. Om deze reden is contact geweest met het waterschap. De volledige reactie van het waterschap is opgenomen in bijlage 4 bij deze toelichting.

In de nabijheid van het plangebied ligt, waterloop WL 01760- en WL-BVR 1040 van waterschap Vechtstromen. De waterloop heeft een belangrijke aan-, af-, en doorvoer functie. Voor het onderhoud van deze waterlopen is een obstakelvrije zone van 5 meter vanaf de insteek noodzakelijk. Bovendien bevinden zich duikers aan de NW zijde van uw plan ( DK 10914). In deze obstakelvrije zone mag niet zonder toestemming van het waterschap worden gebouwd.

6.2.3 Afwateringsplan

De voormalige stortlocatie ’t Rikkerink veroorzaakt een verontreiniging van bodem en grondwater en daarmee ook het afstromende oppervlaktewater. Eigenaar en beheerder hebben besloten vrijwillig saneringsmaatregelen te treffen. Daarvoor wordt het bovenvlak van de stortplaats voorzien van een afdichtingsconstructie. Die constructie verhindert dat vanuit het bovenvlak hemelwater in het gestorte afval kan dringen en verontreinigingen meeneemt naar het grondwater. Tevens wordt verwacht dat de opbolling van het grondwater onder de stortplaats verminderd, waardoor minder afval direct in aanraking is met het grondwater. De verharding van het bovenoppervlak veroorzaakt een versnelde afvoer van het hemelwater, waarbij afvoerpieken kunnen ontstaan.

Voor de uitvoering van de afdichtingconstructie is door de Gemeente Hof van Twente een omgevingsvergunning verleend (17 januari 2017, kenmerk 2016/1984). Daarin zijn onder meer de volgende voorschriften opgenomen:

  • 1. 1. Tenminste 3 weken voor aanvang van de werkzaamheden moet een afwateringsplan ter goedkeuring worden ingediend bij de afdeling Publiekscentrum, team Fysieke leefomgeving;
  • 2. 2. De werkzaamheden mogen niet eerder starten dan nadat het afwateringsplan is goedgekeurd door de gemeente Hof van Twente en het waterschap Vechtstromen;

Inmiddels is het afwateringsplan goedgekeurd door de gemeente Hof van Twente en het waterschap Vechtstromen. Het volledige afwateringsplan is opgenomen in bijlage 5 bij deze toelichting.

Hoofdstuk 7 Juridische planopzet

7.1 Inleiding

De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

7.2 Opbouw van de regels

7.2.1 Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.

De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels;
  • 2. Bestemmingsregels;
  • 3. Algemene regels;
  • 4. Overgangs- en slotregels.
7.2.2 Inleidende regels
7.2.2.1 Begrippen

In Artikel 1 zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

7.2.2.2 Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten (Artikel 2) uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt de digitale verbeelding.

7.2.3 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a:

  • Bestemmingsomschrijving: Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies.
  • Bouwregels: In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd.
  • Afwijken van de bouwregels: Op basis van deze regels hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels in het plan.
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: Omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden.

In paragraaf 7.3 wordt de bestemmingen nader toegelicht en wordt aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze bestemming is gekozen.

7.2.4 Algemene regels
  • Anti-dubbeltelregel (Artikel 9): deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld;
  • Algemene bouwregels (Artikel 10): Dit artikel bevat diverse regels omtrent bestaande maatvoering, dakhelling van gebouwen, situering van woningen, herbouw of nieuwbouw van gebouwen in geval van calamiteit en situering van bijgebouwen en paardenbakken.
  • Algemene gebruiksregels (Artikel 11): in deze regel is aangegeven wat onder verboden gebruik wordt verstaan. Deze regel gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming.
  • Algemene aanduidingsregels (Artikel 12): in de algemene aanduidingsregels zijn zones aangegeven waarvoor bijzondere regels gelden. Deze zones zijn weergegeven op de verbeelding.
  • Algemene afwijkingsregels (Artikel 13): in deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
  • Algemene wijzigingsregels (Artikel 14): In deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om het plan op ondergeschikte punten te wijzigen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
  • Algemene procedureregels (Artikel 15): In deze regels zijn algemene procedurele eisen opgenomen om de uitvoerbaarheid van de in dit plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid te waarborgen.
7.2.5 Overgangs- en slotregels

In Hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3 Bestemmingen

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.

Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Zij zijn het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

'Agrarisch met waarden'

Ter plaatse van de gronden waar het zonnepark is beoogd, is de bestemming 'Agrarisch met waarden' opgenomen. Gronden met deze bestemming zijn onder andere bedoeld voor het behoud van de aanwezige landschapswaarden, de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, hobbymatig agrarisch gebruik en extensieve dagrecreatie.

Om het zonnepark planologisch mogelijk te maken is de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - zonnepark' over deze gehele bestemming gelegd.

Om de bouw van de grondgebonden zonnepanelen toe te staan is in de bouwregels opgenomen dat ter plaatse van de genoemde aanduiding een bouwhoogte van 4,5 meter is toegestaan.

'Bos'

Gronden met deze bestemming zijn onder andere bestemd boor bos en multifunctionele bosbouw. Om de bouw en aanleg van voorzieningen ten behoeve van het aangrenzend gelegen zonnepark mogelijk te maken zijn hiervoor specifieke regels opgesteld. Hierbij is wel een maximaal oppervlakte aan gebouwen bepaald.

Dubbelbestemmingen en overige aanduidingen

Op het plangebied zijn in de bestaande situatie meerdere dubbelbestemmingen, gebiedsaanduidingen en functieaanduidingen van toepassing. Het betreffen de dubbelbestemmingen 'Leiding - brandstof', 'Waarde- Archeologische verwachting 1', 'Waarde- Archeologische verwachting 2' en 'Waarde- Archeologische verwachting 3', de gebiedsaanduidingen 'luchtvaartverkeerzone', 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' en 'vrijwaringszone - radar' en de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - voormalige vuilstort'.

Bovenstaande dubbelbestemmingen, gebiedsaanduidingen en functieaanduidingen zijn behouden met dien verstande dat de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' is verwijderd omdat deze aanduiding niet relevant is voor het plangebied.

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

In het voorliggende geval is een exploitatieovereenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Hof van Twente. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

Hoofdstuk 9 Vooroverleg, inspraak en zienswijzen

Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

9.1 Vooroverleg

9.1.1 Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

9.1.2 Provincie Overijssel

In voorliggend geval wordt het bestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Overijssel.

9.1.3 Waterschap Vechtstromen

Het waterschap is geïnformeerd door middel van de digitale watertoets. Er worden waterschapsbelangen geraakt. Nader overleg met het waterschap is hiermee noodzakelijk. Dit overleg heeft plaatsgevonden en geleidt tot de in 6.2 opgenomen waterparagraaf.

9.2 Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In voorliggend geval wordt geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.

9.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 14 juni 2018 tot en met 25 juli 2018, gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens de inzagetermijn heeft iedereen met een zienswijze op het bestemmingsplan kunnen reageren. Binnen deze termijn zijn geen zienswijzen binnengekomen.