direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied Hof van Twente, herziening Potdijk 7, Markelo
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Potdijk 7, Klompmakersweg 7 en Rietdijk 5 en Enkelaarsweg 5, allen gelegen in het buitengebied van Markelo in de gemeente Hof van Twente, zijn voormalig agrarische erven aanwezig. Op alle locaties zijn de agrarische bedrijfsactiviteiten beëindigd. De bebouwing op de erven heeft geen vervolgfunctie, waardoor niet langer in het onderhoud van de bebouwing geïnvesteerd wordt. De agrarische bedrijfsbebouwing is inmiddels dan ook sterk verouderd. Het is daarom wenselijk deze landschapsontsierende bebouwing in het kader van de Rood voor Rood regeling te slopen.

De gemeente Hof van Twente is voornemens medewerking te verlenen aan het project, indachtig de beleidsnota 'Grond voor gebruik' waarin het Rood voor Rood beleid is opgenomen.

Het voornemen bedraagt om de landschapsontsierende bebouwing aan de Potdijk 7, met een totale oppervlakte van 551m2, te slopen.

Daarnaast wordt er aan de Klompmakersweg 7 totaal 315m2 gesloopt en wordt er aan de Rietdijk 5 totaal 828m2 gesloopt.

Aan de Enkelaarsweg 5 is 1.945m2 aan landschapsontsierende bebouwing aanwezig. Op deze locatie wordt middels een separaat wijzigingsplan reeds een compensatiewoning toegestaan. Hiervoor wordt 1.000m2 van de te slopen bebouwing aangewend. De overige 945m2 wordt ingezet ten behoeve van de in onderhavig bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

In totaal maakt dit een sloop van 2.639m2 aan landschapsontsierende bebouwing in het kader van dit bestemmingsplan.

In ruil voor de sloop van de landschapsontsierende bebouwing wordt het recht op de bouw van twee compensatiewoningen verkregen. Concreet bestaat de ontwikkeling uit de bouw van een compensatiewoning van 750m3 met een bijgebouw van 150m2 en de bouw van een compensatiewoning van 1000m3, welke geschikt zal zijn voor dubbele bewoning. Beide woningen worden gerealiseerd op het perceel Potdijk 7 te Markelo.

De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling bestaat in hoofdlijnen uit:

  • sloop van 551m2 aan landschapsontsierende bebouwing aan de Potdijk 7;
  • sloop van 315m2 aan landschapsontsierende bebouwing aan de Klompmakersweg 7;
  • sloop van 828m2 aan landschapsontsierende bebouwing aan de Rietdijk 5;
  • sloop van 1.945m2 aan landschapsontsierende bebouwing aan de Enkelaarsweg 5 (waarvan 945m2 wordt ingezet voor dit bestemmingsplan);
  • sanering van asbest en overtollige erfverharding op voorgenoemde locaties;
  • realisatie van twee compensatiewoningen met bijgebouwen aan de Potdijk 7 in het kader van de Rood voor Rood regeling;
  • het zorgvuldig landschappelijk inpassen van de nieuwe kavels;
  • het zorgvuldig landschappelijk inpassen van alle slooplocaties.

Het perceel aan de Enkelaarsweg 5 wordt middels een separate wijzigingsprocedure bestemd met een woonbestemming. In het vervolg van dit bestemmingsplan wordt deze locatie dan ook buiten beschouwing gelaten.

Het perceel aan de Potdijk 7 heeft reeds een woonbestemming. Op dit perceel zullen er drie woningen worden toegestaan. Het betreft één compensatiewoning van 750m3, één dubbele compensatiewoning van 1000m3 en de bestaande (te herbouwen) voormalige bedrijfswoning, die zal worden omgezet naar een reguliere woning.

De agrarische percelen aan de Klompmakersweg 7 en de Rietdijk 5 zullen worden wegbestemd. De voormalige bedrijfswoningen krijgen reguliere woonbestemmingen. Belangrijk om te vermelden is dat de landschapsontsierende bebouwing aan de Klompmakersweg 7 reeds in het kader van onderhavig Rood voor Rood project is gesloopt.

Op alle locaties wordt de sloop van de bebouwing, landschappelijke inpassing van de compensatiewoningen en de landschappelijke inpassing van de slooplocaties gewaarborgd door een voorwaardelijke verplichting.

De ontwikkelingen zijn niet in overeenstemming met de geldende bestemmingsplannen 'Buitengebied Hof van Twente' en 'Buitengebied Hof van Twente, herziening regels KGO'. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de gewenste juridisch-planologische kaders. In deze toelichting zal worden aangetoond dat het voornemen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

1.2 Ligging van het plangebied

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op een drietal locaties, namelijk de Potdijk 7, de Klompmakersweg 7 en de Rietdijk 5, gelegen in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente. Alle locaties zijn gelegen rondom Markelo. In figuur 1.1 is de ligging van de locaties ten opzichte van de kern Markelo en de directe omgeving weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0001.png"  
Figuur 1.1: Ligging van het plangebied ten opzichte van Markelo en de directe omgeving (Bron: ArcGIS)  

1.3 De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente, herziening Potdijk 7, Markelo" bestaat uit de volgende stukken:

  • verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10) en een renvooi;
  • regels (met bijbehorende bijlagen).


Op de verbeelding zijn de bestemmingen binnen het bewuste plangebied aangegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en is een verplicht onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting is niet juridisch bindend.

1.4 Huidig planologisch regime

1.4.1 Algemeen

Het plangebied is gelegen binnen de begrenzing van de bestemmingsplannen "Buitengebied Hof van Twente'' (vastgesteld op 9 december 2015) en het ''Buitengebied Hof van Twente, herziening regels beleid KGO'' (vastgesteld op 7 maart 2017). Hierna wordt de planologische situatie voor alle locaties toegelicht. In figuur 1.2 is een uitsnede van de vigerende bestemmingsplannen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0002.png"  
Figuur 1.2: Uitsnede vigerende bestemmingsplannen (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)  

1.4.2 Beschrijving bestemmingen en strijdigheid
1.4.2.1 Potdijk 7, Markelo

Huidige bestemming

Dit deel van het plangebied betreft het woonperceel aan de Potdijk 7. Op de locatie aan de Potdijk 7 te Markelo gelden de volgende bestemmingen en aanduidingen:

  • Enkelbestemming 'Wonen'
  • Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1'
  • Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3'
  • Gebiedsaanduiding 'milieuzone - intrekgebied'
  • Gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied'
  • Gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - radar'

Gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor maximaal één woning per bestemmingsvlak, aan huis verbonden beroepen, caravanstalling in aanwezige bebouwing, bed & breakfast, ontsluitingsvoorzieningen en ontsluitingsvoorzieningen voor naastgelegen bestemmingen, met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, groenvoorzieningen, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, tuinen en erven.

Ter plaatse van de bestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3' zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - intrekgebied' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater in verband met de drinkwatervoorziening, met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Voor de gronden met de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied gelden specifieke regels, opgenomen in de functieomschrijving van de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden'.

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - radar' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een radarverstoringsgebied. In de bouwregels is bepaald dat bij de daar voorkomende bestemmingen niet hoger mag worden gebouwd dan 45 meter.

Strijdigheid

Het realiseren van compensatiekavels is niet in overeenstemming met de woonbestemming, gezien er maximaal één woning is toegestaan, het woonperceel dient te worden gesplitst en vergroot in drie percelen, waarvan één daarvan bedoeld is voor dubbele bewoning.

Er is dan ook een bestemmingsplanherziening noodzakelijk om de gewenste Rood voor Rood-ontwikkeling mogelijk te maken.

Met de deelname aan de Rood voor Rood-ontwikkeling worden op deze locatie twee compensatiewoningen gerealiseerd (één woning van 750m3 en één woning van 1000m3, die geschikt zal zijn voor dubbele bewoning). In de toekomstige situatie zullen er op het erf drie woningen zijn toegestaan. Het betreffen de bestaande woning (welke zal worden herbouwd) en twee compensatiewoningen, waarbij één van de compensatiewoningen een inhoud van 1000m3 mag hebben. De sloop van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen zal juridisch-planologisch moeten worden geborgd.

1.4.2.2 Klompmakersweg 7, Markelo

Huidige bestemming

Dit deel van het plangebied betreft het bouwvlak van het voormalig agrarische bedrijf. Op de locatie aan de Klompmakersweg 7 gelden de volgende bestemmingen en aanduidingen:

  • Enkelbestemming 'Agrarisch'
  • Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1'
  • Gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied'

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, met dien verstande dat uitsluitend één bouwlaag mag worden gebruikt voor het houden van dieren. Binnen de bestemming zijn verscheidene nevenfuncties toegestaan. Voor deze functies zijn tenslotte bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, tuinen en erven toegestaan.

Ter plaatse van de bestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

Voor de gronden met de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied gelden specifieke regels, opgenomen in de functieomschrijving van de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden'.

Strijdigheid

Het uitvoeren van het Rood voor Rood project is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan, aangezien het perceel een agrarische bestemming heeft.

Op dit perceel zijn de agrarische bedrijfsactiviteiten volledig beëindigd. De sloop van de bebouwing heeft reeds plaatsgevonden. Wel dient er op het perceel nog een woonbestemming te worden opgenomen. De overige gronden binnen het voormalige bouwvlak zullen een agrarische gebiedsbestemming krijgen (zonder bouwvlak).

1.4.2.3 Rietdijk 5, Markelo

Huidige bestemming

Dit deel van het plangebied betreft het bouwvlak van het voormalige agrarische bedrijf. Op de locatie aan de Rietdijk 5 gelden de volgende bestemmingen en aanduidingen:

  • Enkelbestemming 'Agrarisch'
  • Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1'
  • Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2'
  • Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3'
  • Gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied'
  • Gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - straalpad'

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, met dien verstande dat uitsluitend één bouwlaag mag worden gebruikt voor het houden van dieren. Binnen de bestemming zijn verscheidene nevenfuncties toegestaan. Voor deze functies zijn tenslotte bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, tuinen en erven toegestaan.

Ter plaatse van de bestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1', 'Waarde - Archeologische verwachting 2' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3' zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

Voor de gronden met de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied gelden specifieke regels, opgenomen in de functieomschrijving van de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden'.

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - straalpad' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een straalverbinding. Ter bescherming van deze straalverbinding is in het plangebied een maatvoering gelegen, welke bepaald dat de maximale bouwhoogte 88 meter bedraagt.

Strijdigheid

Het uitvoeren van het Rood voor Rood project is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan, aangezien het perceel een agrarische bestemming heeft.

Op dit perceel zijn de agrarische bedrijfsactiviteiten volledig beëindigd. Na deelname aan de Rood voor Rood regeling zal de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen juridisch-planologisch moeten worden geborgd. Ter plaatse van de (voormalige) bedrijfswoning zal een woonbestemming worden opgenomen. De overige gronden binnen het voormalige bouwvlak zullen een agrarische gebiedsbestemming krijgen (zonder bouwvlak).

1.5 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie in het plangebied gegeven.

Hoofdstuk 3 bevat de planbeschrijving.

In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, provincie Overijssel en de gemeente Hof van Twente beschreven.

In hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieuthema's de revue.

Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten.

In de hoofdstukken 7 en 8 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid van het project.

Hoofdstuk 9 gaat in op de inspraak en vooroverleg.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

Zoals hiervoor beschreven bestaat het plangebied uit een viertal locaties. Alle plandelen worden hierna separaat beschreven. Tevens wordt kort ingegaan op de locatie aan de Enkelaarsweg 5.

2.1 Potdijk 7

De locatie aan de Potdijk 7 ligt in het buitengebied, ten noordoosten van Markelo. Het perceel is direct aan de rand van de kern Markelo gelegen. Kenmerkend aan het gebied is de ligging in de dorpsrandzone van Markelo. Hierdoor is er een verscheidenheid aan functies gelegen rondom het perceel.

Het erf wordt aan de oostzijde begrensd door de Potdijk, direct aan de overzijde van de Potdijk ligt camping en bungalowpark 'Hessenheem'. Aan de noordzijde wordt het erf begrenst door het Beukenlaantje, aan de zuid- en westzijde liggen een aantal agrarische percelen met daaromheen een bomenrij en wat onderbegroeiing. Ten zuiden van deze bomenrij, aan de zuidzijde van het erf, ligt het openbare zwembad 'De Vijf Heuvels'.

De planbegrenzing bestaat uit het huidige woonperceel en zuidelijk gelegen agrarische gronden. Op het erf staan een woning met drie schuren en een aantal aanbouwen. De schuren zijn allen uit steen opgetrokken, waarbij deels ook gebruik is gemaakt van damwandplaten. Een deel van de schuren is in de loop van de jaren vanuit functioneel oogpunt meerdere keren uitgebreid. Het grootste deel van de schuren is voorzien van een asbestbedekking. Tussen de bebouwing is erfverharding gelegen. Het overige deel van het perceel is ingericht als tuin behorende bij de woning. Het erf wordt aan de oostzijde door vier in- en uitritten ontsloten op de Potdijk.

De ligging en begrenzing van het plandeel wordt weergegeven op een luchtfoto en een straatbeeld in figuur 2.1 en 2.2. Opgemerkt wordt dat de planbegrenzing indicatief is. Voor de exacte planbegrenzing wordt verwezen naar de verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0003.png"  
Figuur 2.1: Luchtfoto van de Potdijk 7 (Bron: Provincie Overijssel)  

 
Figuur 2.2: Straatbeeld van de Potdijk (Bron: Google Streetview)  

2.2 Klompmakersweg 7

De locatie aan de Klompmakersweg 7 ligt in het buitengebied, ten zuiden van Markelo. De functionele structuur van dit gebied bestaat voornamelijk uit verspreid liggende agrarische bedrijven en woonpercelen. Belangrijke ruimtelijke structuurdragers bestaan uit de Bolksbeek aan de zuidzijde (welke tevens de grens tussen Overijssel en Gelderland vormt) en het Twentekanaal met de daaraan parallel lopende N346 aan de noordwestzijde.

De planbegrenzing bestaat uit het huidige agrarische bouwvlak. Op het erf staan een woning met bijgebouw en drie voormalige agrarische gebouwen. Tussen de bebouwing is erfverharding aanwezig. Het overige deel van het plangebied is ingericht als tuin behorende bij de woning. Het erf wordt aan de noordzijde middels drie in- en uitritten ontsloten op de Klompmakersweg. Aan alle overige zijden zijn agrarische gronden gelegen.

De ligging en begrenzing van het plandeel wordt weergegeven op de luchtfoto en het straatbeeld in figuur 2.3 en 2.4. Opgemerkt wordt dat de planbegrenzing indicatief is. Voor de exacte planbegrenzing wordt verwezen naar de verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0004.png"  
Figuur 2.3: Luchtfoto van de Klompmakersweg 7 (Bron: Provincie Overijssel)  

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0005.png"  
Figuur 2.4: Straatbeeld van de Klompmakersweg 7 (Bron: Google Streetview)  

2.3 Rietdijk 5

De locatie aan de Rietdijk 5 ligt in het buitengebied, ten westen van Markelo. De functionele structuur van dit gebied bestaat voornamelijk uit verspreid liggende agrarische bedrijven, bospercelen en enkele erven met burgerwoningen. Belangrijke ruimtelijke structuurdragers zijn de Rietdijk en de noordelijk gelegen Schipbeek.

De planbegrenzing bestaat uit het huidige agrarische bouwvlak. Op het erf staan een woning met tuin en een aantal voormalige agrarische gebouwen. Tussen de bebouwing is erfverharding aanwezig. Het overige deel van het plangebied is ingericht als agrarisch bouwland (zuidelijk gedeelte) en een gedeelte wordt gebruikt als tuin behorende bij de woning. Het erf wordt aan de noordzijde middels een in- en uitrit ontsloten op de Rietdijk. Aan de westzijde is het perceel van een agrarisch bedrijf gelegen. Aan alle overige zijden zijn agrarische gronden gelegen.

De ligging en begrenzing van het plandeel wordt weergegeven op de luchtfoto en het staatbeeld in figuur 2.5 en 2.6. Opgemerkt wordt dat de planbegrenzing indicatief is. Voor de exacte planbegrenzing wordt verwezen naar de verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0006.png"  
Figuur 2.5: Luchtfoto van de Rietdijk 5 (Bron: Provincie Overijssel)  

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0007.png"  
Figuur 2.6: Straatbeeld van de Rietdijk 5 (Bron: Google Streetview)  

2.4 Enkelaarsweg 5

De locatie aan de Enkelaarsweg 5 ligt in het buitengebied, ten westen van Markelo. De functionele structuur van dit gebied bestaat voornamelijk uit verspreid liggende agrarische bedrijven, bospercelen en enkele erven met burgerwoningen. Belangrijke ruimtelijke structuurdragers bestaan uit de Enkelaarsweg, de zuidelijk gelegen Schipbeek en de (noord)oostelijk gelegen Dingspelberg en de Markelose berg. Aan de zuidoostzijde ligt camping 'de Kattenberg'.

De begrenzing bestaat uit het huidige agrarische bouwvlak. Op het erf staan een woning met tuin en drie voormalige agrarische gebouwen (twee kippenschuren en een kapschuur). Tussen de bebouwing is erfverharding aanwezig. Het overige deel van het plangebied is ingericht als agrarisch bouwland en een gedeelte wordt gebruikt als tuin behorende bij de woning. Het erf wordt aan de noordwestzijde middels twee in- en uitritten (één voor de woning en één voor het voormalig agrarisch bedrijf) ontsloten op de Enkelaarsweg. Aan de zuidzijde staan kerstdennen. Aan alle overige zijden zijn agrarische gronden gelegen.

De ligging en begrenzing worden weergegeven op de luchtfoto's in figuur 2.7 en 2.8. Opgemerkt wordt dat de planbegrenzing indicatief is.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0008.png"  
Figuur 2.7: Luchtfoto van de Enkelaarsweg 5 (Bron: provincie Overijssel)  

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0009.png"  
Figuur 2.8: Vogelvlucht van de Enkelaarsweg 5 (Bron: Bureau Takkenkamp)  

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Algemeen

Belangrijk uitgangspunt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is het doel van de Rood voor rood-regeling: verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Om een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit te bereiken, wordt landschapsontsierende bebouwing gesloopt en zal de te behouden en nieuwe bebouwing op een landschappelijk verantwoorde manier worden ingepast in het landschap.

Zoals in het voorgaande hoofdstuk aangegeven bevinden zich op de locaties landschapsontsierende bedrijfsgebouwen. Omdat deze opstallen geen vervolgfunctie hebben, wordt ook niet meer geïnvesteerd in het onderhoud van deze gebouwen. Hierdoor is de staat van de bebouwing aan het verslechteren. Initiatiefnemer is voornemens de bebouwing (incl. asbesthoudende materialen) te slopen. Het gezamenlijk te slopen oppervlakte, in het kader van Rood voor Rood, bedraagt 2.631m2. Aangezien er 639m2 'extra' wordt gesloopt, is het mogelijk om één grotere woning te realiseren. Eén woning (aan de Potdijk) zal dan ook een inhoud van 1000m3 hebben, waarmee deze geschikt is voor dubbele bewoning.

Hierna wordt per locatie ingegaan op de voorgenomen ontwikkelingen.

3.2 Potdijk 7

3.2.1 Ontwikkeling

Op het perceel aan de Potdijk 7 staan verscheidene landschapsontsierende gebouwen. Geen van deze schuren is nog in agrarisch gebruik. Het totale oppervlakte van deze landschapsontsierende bebouwing bedraagt 551m2. Deze bebouwing zal in het kader van de Rood voor Rood regeling worden gesloopt. Op deze locatie zullen twee compensatiekavels voor totaal twee woningen worden gerealiseerd, waarvan één bestemd is voor dubbele bewoning. Daarnaast zal de bestaande woning worden gesloopt en herbouwd. De ontwikkeling bestaat samengevat uit het volgende:

  • de sloop van drie landschapsontsierende bebouwing met een totale oppervlakte van 551m2;
  • het saneren van de asbestplaten;
  • het realiseren van twee compensatiekavels voor 2 woningen (waarvan één bedoeld voor dubbele bewoning) in het kader van Rood voor Rood;
  • het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning;
  • het zorgvuldig landelijk inpassen van het vernieuwde erf.

In figuur 3.1 is vorenstaande visueel weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0010.png"  
Figuur 3.1: Situatie Potdijk 7 (Bron: Provincie Overijssel)  
3.2.2 Landschappelijke inpassing
3.2.2.1 Kenmerken landschap

Kenmerkend aan het landschap rond het erf aan de Potdijk 7 is dat het gelegen is in de dorpsrand van Markelo, waardoor het als het ware als een overgangsgebied tussen dorp en landelijk gebied kan worden gezien. Er is daardoor een verscheidenheid aan functies aanwezig, waaronder een recreatiepark, een zwembad, een horecagelegenheid en verscheidene woonpercelen gelegen. Kenmerkend is de kleinschaligheid van het landschap.

3.2.2.2 Erfinrichting

Voor het geheel is een erfinrichtingsplan opgesteld. In figuur 3.2 en 3.3 is dit visueel weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0011.png"  
Figuur 3.2: Ontwerp van het vernieuwde erf aan de Potdijk (Bron: Eelerwoude)  

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0012.png"  
Figuur 3.3: Landschapsmaatregelen op het erf aan de Potdijk (Bron: Eelerwoude)  

Uitgangspunt bij de totstandkoming van het ontwerp is de erfgedachte. Ruimtelijk gezien wordt er één nieuw erf toegevoegd, waarin de 3 nieuwe woningen zijn opgenomen. Naast de erfgedachte vormt de realisatie van een groene buffer tussen zwembad 'De Vijf Heuvels' en de omgeving een belangrijke basis.

Voor de versterking van het landschap zijn op de locatie de basis-ingrediënten reeds aanwezig; de bestaande bomen langs de Potdijk en de smalle groenstrook bij het zwembad. Door de smalle groenstrook te verbreden en uit te breiden met een heesterrand wordt een stevige groene buffer gecreëerd tussen de gebouwen en het parkeerterrein van het zwembad en het landschap in de omgeving.

Door het nieuwe erf ten opzichte van de huidige situatie verder naar achteren te situeren komt de grootste nadruk op de groene aankleding te liggen. Aan de achterzijde van de woningen komen een aantal boomgroepen terug, Dit brengt diepte in het landschap en voorkomt tevens dat de woningen als blikvanger in het landschap gelegen zijn.

Wat betreft de inritten geldt dat de bestaande inritten blijven gehandhaafd. De maximaal toegestane breedte wordt daarbij in acht genomen.

3.3 Klompmakersweg 7

3.3.1 Ontwikkeling

Op het perceel aan de Klompmakersweg 7 hebben verscheidene landschapsontsierende gebouwen gestaan. Deze zijn in het kader van dit Rood voor Rood project reeds gesloopt. De totale oppervlakte van de gesloopte bebouwing bedraagt 315m2. De slooplocatie is reeds landschappelijk ingepast. Op deze locatie zal ter plaatse van de woning, het behouden bijgebouw en bijbehorende tuin een woonbestemming worden opgenomen. Ter plaatse van de overige gronden zal een agrarische gebiedsbestemming (zonder bouwvlak) worden opgenomen.

De (reeds uitgevoerde) ontwikkeling bestaat samengevat uit het volgende:

  • de sloop van drie landschapsontsierende bebouwing met een totale oppervlakte van 315m2;
  • het saneren van de asbestplaten;
  • het zorgvuldig landelijk inpassen van het vernieuwde erf.

In het kader van dit bestemmingsplan zal er ter plaatse een woonbestemming worden toegekend.

In figuur 3.4 is vorenstaande visueel weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0013.png"  
Figuur 3.4: Situatie Klompmakersweg 7 (Bron: Provincie Overijssel)  

3.3.2 Landschappelijke inpassing

Ter plaatse van de gesloopte bebouwing is er gras in combinatie met een weidemengsel ingezaaid. In figuur 3.5 is de huidige situatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0014.png"  
Figuur 3.5: Het vernieuwde erf aan de Klompmakersweg 7 (Bron: Eelerwoude)  

3.4 Rietdijk 5

3.4.1 Ontwikkeling

Op het perceel aan de Rietdijk 5 staan verscheidene landschapsontsierende gebouwen Deze zullen in het kader van dit Rood voor Rood project worden gesloopt. De totale oppervlakte van de te slopen bebouwing bedraagt 828m2. De slooplocatie zal na de sloop landschappelijk worden ingepast. Op deze locatie zal er ter plaatse van de woning, het behouden bijgebouw en bijbehorende tuin een woonbestemming worden opgenomen. Ter plaatse van de overige gronden zal een agrarische gebiedsbestemming (zonder bouwvlak) worden opgenomen.

De ontwikkeling bestaat samengevat uit het volgende:

  • de sloop van drie landschapsontsierende bebouwing met een totale oppervlakte van 828m2;
  • het saneren van de asbestplaten;
  • het zorgvuldig landelijk inpassen van het vernieuwde erf.

In het kader van dit bestemmingsplan zal er ter plaatse een woonbestemming worden toegekend.

In figuur 3.6 is vorenstaande visueel weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0015.png"  
Figuur 3.6: Situatie Rietdijk 5 (Bron: Provincie Overijssel)  

3.4.2 Landschappelijke inpassing

Ter plaatse van de te slopen bebouwing en erfverharding zal er een weidemengsel worden ingezaaid ten behoeve van het vergroten van de noordelijk gelegen hobbyweide. In figuur 3.7 is de huidige situatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0016.png"  
Figuur 3.7: Gewenste situatie aan de Rietdijk 5 (Bron: Eelerwoude)  

3.5 Verkeer en parkeren

3.5.1 Algemeen

Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 317 (oktober 2012)’ van het CROW. In de CROW wordt er uitgegaan van minimale en maximale normen, dit is de bandbreedte. Bij de berekening van de parkeernormen zal er een gemiddelde worden genomen.

Uitgaande van volgende uitgangspunten:

  • Functie: wonen, koop, vrijstaand en twee-onder-één-kap (dubbele bewoning);
  • Verstedelijkingsgraad: weinig stedelijk / gemeente Hof van Twente (Bron: CBS Statline);
  • Stedelijke zone: buitengebied;
  • Parkeerbehoefte: 2,4 parkeerplaatsen voor de vrijstaande woningen en 2,2 parkeerplaatsen voor de twee-onder-één-kap-woning (dubbele bewoning);
  • Verkeersgeneratie: 8,2 vervoersbewegingen voor de vrijstaande woningen en 7,8 verkeersbewegingen voor de twee-onder-één-kap woning (dubbele bewoning);

3.5.2 Potdijk 7

Op het perceel aan de Potdijk 7 is er sprake van de toevoeging van drie woningen. Het betreft één woning geschikt voor dubbele bewoning en een vrijstaande woning. Het parkeren ten behoeve van de nieuwe woningen vindt plaats op eigen terrein. Hier is op het terrein voldoende ruimte voor. Er wordt voor de compensatiewoningen gebruik gemaakt van een bestaande in- en uitritten. Deze in- en uitritten zijn reeds op een overzichtelijke en veilige wijze ontsloten op de Potdijk. De extra verkeersgeneratie bedraagt 24,2 vervoersbewegingen per etmaal. Gezien deze beperkte verkeersgeneratie, de ontsluiting van het erf en de capaciteit van de Potdijk kan worden gesteld dat het plan met betrekking tot de verkeersgeneratie geen belemmeringen oplevert.

3.5.3 Slooplocaties aan de Klompmakersweg 7 en Rietdijk 5

De locaties aan de Klompmakersweg 7 en de Rietdijk 5 betreffen enkel slooplocaties. De bestaande in- en uitritten blijven ongewijzigd. Het parkeren ten behoeve van de bestaande woningen wijzigt niet en vindt plaats op eigen erf.

De agrarische functie komt met dit plan te vervallen, waardoor er vanuit planologisch oogpunt per saldo sprake zal zijn van een lichte afname aan verkeersbewegingen.

3.5.4 Conclusie

Gezien vorenstaande kan worden gesteld dat het aspect 'Verkeer en parkeren' geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in dit bestemmingsplan afgewogen en doorvertaald op de verbeelding en in de regels.

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
4.1.1.1 Algemeen

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en heeft de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteits Aanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving vervangen. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

4.1.1.2 Rijksdoelen en regionale opgaven

In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk- economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.


Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland ( de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:

  • Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol;
  • Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw;
  • Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe);
  • Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet.
4.1.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

In de SVIR is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigt en geoptimaliseerd instrument.

Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.

Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'.

In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor:

  • bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
  • stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´

Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).

4.1.2 Toetsing aan het rijksbeleid

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de structuurvisie. Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro). Er zijn inmiddels meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over deze begripsdefinitie.

Op het realiseren van woningen zijn ondermeer de uitspraken ABRvS 27 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3223 en ABRvS 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2077 van toepassing. Uit deze uitspraken blijkt dat het realiseren van respectievelijk 4 en 7 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, Bro. In voorliggend geval is de ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet van toepassing aangezien sprake is van een toevoeging van twee nieuwe woningen (waarvan één voor dubbele bewoning). Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

4.2 Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel, welke is verankerd in de Omgevingsverordening.

4.2.1 Omgevingsvisie Overijssel (2017)

De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is gericht op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren.

De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit.

  • Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien.
  • Ruimtelijke kwaliteit is datgene wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit gaan vooral over 'goed': mooi, functioneel en toekomstbestendig.
  • Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. In de omgevingsvisie gaat het over het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving.

4.2.2 Omgevingsverordening Overijssel (2017)

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.

4.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel 2017

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2017 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • 1. Of - generieke beleidskeuzes;
  • 2. Waar - ontwikkelperspectieven;
  • 3. Hoe - gebiedskenmerken.

Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, etcetera kun je aan de hand van deze drie stappen bepalen of een initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe het uitgevoerd kan worden. De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan. Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. In figuur 4.1 is het Uitvoeringsmodel weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0017.png"  
Figuur 4.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)  

4.2.3.1 Of - Generieke beleidskeuzes

Maatschappelijke opgaven zijn leidend in het handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd.

De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening.

4.2.3.2 Waar - Ontwikkelingsperspectieven

Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. De Omgevingsvisie onderscheid zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.

De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging ten aanzien van functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen.

4.2.3.3 Hoe - Gebiedskenmerken

Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype verstaan. Voor alle gebiedstypen in Overijssel beschrijft de Catalogus Gebiedskenmerken welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden.

De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn in de omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken, mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet.

4.2.4 Toetsing aan de uitgangspunten van de Omgevingsvisie Overijssel 2009 en de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

4.2.4.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
4.2.4.1.1 Of - Generieke beleidskeuzes

Bij de afwegingen in de eerste fase "generieke beleidskeuzes" zijn de artikelen 2.1.3 (Principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), 2.1.5 (Ruimtelijke kwaliteit), 2.1.6 (Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving) en 2.2.2 (Realisatie nieuwe woningen) van belang.

Principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik (Artikel 2.1.3)

lid 1:

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de Groene Omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie;
  • dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

lid 2:

Bestemmingsplannen voor de Groene Omgeving voorzien uitsluitend in ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen anders dan de uitleg van steden en dorpen wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • dat (her)benutting van bestaande erven en/of bebouwing in de Groene Omgeving in redelijkheid niet mogelijk is;
  • dat mogelijkheden voor combinatie van functies op bestaande erven optimaal zijn benut.

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel

Door het toepassen van de Rood voor Rood-regeling, neemt de hoeveelheid landschapsontsierende bebouwing in het buitengebied af en worden er drie compensatiewoningen teruggebouwd. Per saldo is geen sprake van extra ruimtebeslag door bouwen en verharden in de groene omgeving, maar juist een afname. Samenvattend wordt geconcludeerd dat in voldoende mate rekening is gehouden met het gestelde in artikel 2.1.3.

 

Principe van ruimtelijke kwaliteit (Artikel 2.1.5; leden 1,2,3 en 5)

1. In de toelichting op bestemmingsplannen wordt onderbouwd dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken.

2. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan het Uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) die in de Omgevingsvisie Overijssel is neergelegd.

3. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief die in de Omgevingsvisie Overijssel voor het gebied is neergelegd.

5. In het kader van de toelichting als bedoeld in lid 1 wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze toepassing is gegeven aan de vier-lagenbenadering die onderdeel uitmaakt van het Uitvoeringsmodel en op welke wijze de Catalogus Gebiedskenmerken is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.

Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (Artikel 2.1.6 lid 1)

  • 1. Bestemmingsplannen voor de Groene omgeving kunnen -met in achtneming van het bepaalde in artikel 2.1.3. en artikel 2.1.4. en het bepaalde in artikel 2.1.5.- voorzien in nieuwvestiging en grootschalige uitbreidingen van bestaande functies in de Groene omgeving, uitsluitend indien hier sociaaleconomische en/of maatschappelijke redenen voor zijn én er is aangetoond dat het verlies aan ecologisch en/of landschappelijk waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving.

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.5 (leden 1,2,3 en 5) en 2.1.6 (lid 1) van de Omgevingsverordening Overijssel

Het voorliggende plan leidt tot een kwaliteitsimpuls in de groene omgeving (buitengebied) van de gemeente Hof van Twente. Deze meerwaarde vertaalt zich in:

  • Het slopen van landschapsontsierende bebouwing; door het toepassen van de Rood voor Rood regeling en het slopen van in totaal 2.631m2 aan voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, neemt de hoeveelheid landschapsontsierende bebouwing in het buitengebied af;
  • Het versterken van de landschappelijke kwaliteit (zie ook Hoofdstuk 3), door de vernieuwde erven conform de gebiedskenmerken landschappelijk in te passen.

Realisatie nieuwe woningen (lid 1)

  • 1. Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw.

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.2.2 (lid 1)

Voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van twee compensatiewoningen op basis van het gemeentelijke Rood voor Rood beleid. De woningen voldoen aan de kwalitatieve behoefte in de markt en wordt gebouwd voor de lokale behoefte, voor een nadere toetsing hieraan wordt verwezen naar paragraaf 4.3. Voorliggend bestemmingsplan is dan ook in overeenstemming te achten met artikel 2.2.2 uit de Omgevingsverordening Overijssel. Bij de overige afwegingen in de eerste fase ‘Of - generieke beleidskeuzes’ zijn er verder geen aspecten die bijzondere aandacht verdienen.

De investeringen in de ruimtelijke kwaliteit staan in verhouding tot de geboden ontwikkelingsmogelijkheden. Hiermee wordt voldaan aan het beleid van de Provincie Overijssel met betrekking tot de impuls in de groene omgeving. In paragraaf 4.2.4.1.2 wordt beschreven dat het project past binnen de ontwikkelingsperspectieven.

Voor het overige zijn er in het kader van de 'generieke beleidskeuzes' geen aspecten die nadere onderbouwing behoeven.

4.2.4.1.2 Waar - Ontwikkelingsperspectieven

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Met de ontwikkelingsperspectieven wordt de ruimtelijke ontwikkelingsvisie van de provincie Overijssel vorm gegeven. Hiervoor gelden de gebiedskenmerken als onderligger.

In dit geval zijn de ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving van belang. In de groene ruimte gaat het - kort door de bocht - om het behoud en de versterking van het landschap, het realiseren van een samenhangend netwerk van gebieden met natuur- en waterkwaliteit, ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, het toerisme en andere economische dragers, realisatie van waterkwaliteitsdoelen, het duurzaam beheer van drinkwatervoorraden én het opwekken van hernieuwbare energie. In de Groene Omgeving onderscheidt de provincie de volgende drie ontwikkelingsperspectieven:

  • de zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW);
  • agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap;
  • wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap.

Omdat de compensatiekavels worden gerealiseerd aan de Potdijk 7 en op de overige locaties enkel wordt gesloopt, wordt er bij de toetsing aan de ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken met name ingegaan op deze locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0018.png"  
Figuur 4.2: Uitsnede ontwikkelperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)  

De locatie is gelegen in het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap'.

"Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap"

Het ontwikkelingsperspectief Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid.

In dit ontwikkelingsperspectief zijn ook plekken waar, door de ruimtelijke structuur van het landschap, de beschikbare milieuruimte of reeds aanwezige bebouwing, de ontwikkelruimte van agrarische bedrijven beperkt is. Hier liggen ontwikkelkansen voor andere vormen van bedrijvigheid (denk aan dienstverlenende zelfstandigen zonder personeel) die de ruimtelijke structuur versterken. Binnen dit ontwikkelingsperspectief kunnen nieuwe functies een plek krijgen op bestaande vrijkomende erven waar dit tevens maatschappelijke opgaven als behoud en ontwikkeling van cultuurhistorie, natuur en landschap ondersteunt. Zo worden vitaliteit en omgevingskwaliteit in samenhang versterkt.

Toetsing aan het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap'

Het erf aan de Potdijk 7 heeft reeds een woonbestemming. Op dit erf zullen twee compensatiewoningen worden gerealiseerd, de bestaande woning wordt herbouwd. Het erf zal op een adequate wijze landschappelijk worden ingepast. Vorenstaande is passend binnen het perspectief ‘mixlandschap’, waar ruimte is voor een verscheidenheid aan functies. De karakteristieke gevarieerde opbouw van het cultuurlandschap wordt versterkt door de uitvoering van landschapsmaatregelen. Door de realisatie van de woningen en de sloop van landschapsontsierende bebouwing op verscheidene locaties wordt de vitaliteit en de omgevingskwaliteit van het landelijk gebied vergroot. Het initiatief is in overeenstemming met de ontwikkelingsperspectieven.

4.2.4.1.3 Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. In voorliggend geval worden de stedelijke laag en de laag van de beleving buiten beschouwing gelaten, gezien de locaties op basis van deze kenmerken geen specifieke eigenschappen kennen.

1. De Natuurlijke laag

De natuurlijke laag is de laag van de bodem, het reliëf, het watersysteem en de natuur die zich hier ‘van nature’ op vestigt. Deze natuurlijke laag is het resultaat van de wisselwerking tussen abiotische (fysische) en biotische factoren en processen. Zo zorgden ijs-, wind- en waterstromen in Overijssel voor het ontstaan van een afwisselend landschap van stuwwallen, dekzandgronden, beekdalen en natte laagtes en bepaalden de stroomsnelheden van IJssel, Vecht, Regge of Dinkel waar het fijne (komgronden) en waar het grovere sediment (oeverwallen) werd afgezet. En ontwikkelde veen zich daar, waar het water maar moeilijk weg kon.

In figuur 4.3 wordt een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart van de 'natuurlijke laag' weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0019.png"  
Figuur 4.3: De Natuurlijke laag (Bron: Provincie Overijssel)  

De locatie is op de gebiedskenmerkenkaart 'de Natuurlijke laag' aangeduid met het gebiedstypen "Stuwwallen".

"Stuwwallen"
De stuwwallen zijn tijdens de ijstijd opgestuwde aardlagen. Door de vaak grote hoogteverschillen zijn ze nu nog steeds goed zichtbaar. Op een aantal plekken zijn de ruggen al van verre zichtbaar; bovenop staand bieden ze spectaculaire zichten over de provincie. De stuwwalen hebben als regionale inzijggebieden een belangrijke functie in het watersysteem. Het zijn de ‘ingangen’ van regionale en lokale stelsels van grondwaterstromen. De ambitie is het eigen karakter van de afzonderlijke stuwwalen te behouden en versterken. De inzet is het reliëf daarbij ruimtelijk beeldbepalend te laten zijn. Door bijvoorbeeld de overgangen naar andere landschappen te accenturen en door de zichten erop én er vanaf te versterken.

Toetsing aan de 'Natuurlijke laag'

Op deze locatie zijn de kenmerken van het oorspronkelijke landschap nauwelijks meer waarneembaar. Dit komt hoofdzakelijk doordat het gebied in cultuur is gebracht ten behoeve van de landbouw. Daarnaast wordt middels het erfinrichtingsplan de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkelingen op een landschappelijk verantwoorde wijze ingepast in het landschap. Hiermee sluiten de woonpercelen goed aan bij de gebiedskenmerken van omliggend landschap en wordt het initiatief op een passende wijze ingepast in het landschap. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met het gestelde in de “Natuurlijke laag”.

2. De laag van het agrarische cultuurlandschap

De tweede laag beschrijft het palet van agrarische cultuurlandschappen met hun dragende structuren en nederzettingsvormen. Deze laag is het resultaat van de wisselwerking tussen verschillen in de natuurlijke ondergrond en de manier waarop gebieden in cultuur werden – en worden – gebracht. Door de eeuwen heen is een geschakeerd patroon van akkers, weiden, hooiland en bebouwing (hoeven, kernen en dorpen) gegroeid. Vanouds kennen de nederzettingen een sterke ruimtelijke en functionele relatie met het omliggende landschap.

Het agrarisch cultuurlandschap is bij uitstek een gebruikslandschap. Bij de ontwikkeling ervan hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we het agrarisch cultuurlandschap in de loop van de tijd gaan waarderen. Het heeft als ‘consumptielandschap’ voor bewoners, recreanten en toeristen nieuwe betekenis gekregen. Veel mensen hechten aan de rust, de ruimte, de mogelijkheden om te fietsen, wandelen, etcetera. En aan de kwaliteit: vooral de herkenbaarheid, de contrasten en de afwisseling van verschillende landschapstypen worden gewaardeerd. De landschappelijke structuren zijn belangrijke dragers van de biodiversiteit. In figuur 4.4 wordt een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart van de 'laag van het agrarisch cultuurlandschap' weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0020.png"  
Figuur 4.4: Laag van het agrarisch cultuurlandschap (Bron: Provincie Overijssel)  

De locatie is op de gebiedskenmerkenkaart 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap ' aangeduid met het gebiedstype "Oude hoevenlandschap".

"Oude hoevenlandschap"

Het oude hoevenlandschap betreft een landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen 'bezet' waren. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Het landschap is contrastrijk met veel variatie op de korte afstand. Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen.

Toetsing aan de "Laag van het agrarisch cultuurlandschap"

Ook voor de cultuur-agrarische laag geldt dat de nieuwe bebouwing op zorgvuldige wijze wordt ingepast in het landschap. Hiervoor is een erfinrichtingsplan opgesteld. In de planbeschrijving (Hoofdstuk 3) is hier nader op ingegaan. Door de zorgvuldige landschappelijke inpassing van de compensatiekavels wordt het kleinschalig landschap van houtwallen, singels en bossen behouden. Op de slooplocatie wordt het erf ingericht naar de kenmerken van het oude hoevenlandschap. De ontwikkeling is in overeenstemming met de gebiedskenmerken van de ‘Laag van het agrarisch cultuurlandschap’.

4.2.5 Reconstructieplan Salland-Twente

Op 1 april 2002 is de Reconstructiewet concentratiegebieden in werking getreden. Hoofddoel van de wet is het bevorderen van een goede ruimtelijke structuur van het concentratiegebied. In het bijzonder met betrekking tot landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie en toerisme, water, milieu en infrastructuur, alsmede ter verbetering van een goed woon-, werk- en leefklimaat en van de economische structuur. Via het Reconstructieplan is het reconstructiegebied ingedeeld in drie zones: landbouwontwikkelingsgebied, verwevingsgebied en extensiveringsgebied.

Het plangebied aan de Potdijk 7 is gelegen in het verwevingsgebied. De hoofdlijn in het verwevingsgebied is het ruimte bieden en handhaven van meerdere functie (wonen, recreatie, economie, natuur, landschap etc.) naast elkaar en in combinatie met elkaar. Het plan sluit hier goed op aan. Op de overige locaties wordt enkel gesloopt, deze worden dan ook buiten beschouwing gelaten.

4.2.6 Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

4.3 Gemeentelijk beleid

Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste beleidsdocumenten die van toepassing zijn op de gewenste ontwikkeling worden hieronder in willekeurige volgorde behandeld.

4.3.1 Strategische Visie
4.3.1.1 Algemeen

In "Hof van Twente, zicht op 2030" is het beleid van de gemeente voor de komende twintig jaar in hoofdlijnen vastgesteld. De gemeenteraad heeft de strategische visie op 1 juni 2010 definitief  vastgesteld. De visie bevat naast een overzicht van te verwachten trends en ontwikkelingen voor de komende jaren ook informatie over de gewenste identiteit voor Hof van Twente. Over deze gewenste identiteit is in januari 2009 meegedacht door ruim 60 inwoners uit allerlei geledingen van de gemeente en daarbuiten. In 20 streefbeelden geeft het gemeentebestuur aan in welke richting het beleid voor de komende jaren moet worden ontwikkeld. Streefbeeld 10 is voornamelijk van belang. Deze wordt hierna behandeld.

4.3.1.2 Streefbeeld: Unieke landschappelijke en cultuurlandschappelijke kwaliteiten verder ontwikkeld

Het landschap, de parel van Hof van Twente, heeft in 2030 nog altijd een belangrijke plaats. De structuur van het landschap, met deelgebieden stuwwal/verzamelgebied (westelijk), dekzandgebied (midden) en plateau (oostelijk), maar ook het reliëf en het watersysteem zijn leidend. In de waardevolle ensembles (landschap met natuur- en cultuurhistorische waarden) wordt behoud, onderhoud en herstel van cultuurhistorische en ecologische waarden in praktijk gebracht. Voltooiing van de ecologische hoofdstructuur is eveneens een herkenbaar resultaat. In 2030 is deze een feit. Bestaande natuurgebieden zijn binnen de gemeente en daarbuiten verbonden met elkaar, waardoor duurzame instandhouding van flora en fauna mogelijk is geworden.

De reconstructieplannen die aan het begin van de eeuw zijn gemaakt, zijn uitgevoerd. Dit betekent dat ruimtelijke knelpunten, zoals agrarische bedrijven in de directe nabijheid van natuur of milieuhinderveroorzakende bedrijven in het buitengebied, zijn opgelost. Voor nieuwe inrichting van het landschap door functiewijziging zijn oorspronkelijke landschapstypen richtinggevend.

Landgoederen hebben in 2030 hun ruimtelijke visies uit het begin van de eeuw uitgevoerd en de Bovenregge slingert weer als vanouds door het landschap. Dit lint van water door het landschap refereert aan de historie. Het project Bovenregge van Schipbeek tot Elsenerbroek visualiseert de verbinding tussen stad en landelijk gebied.

4.3.1.3 Toetsing

De gewenste ontwikkeling betekent een impuls in de ruimtelijke kwaliteit. Een grote oppervlakte aan landschapsontsierende schuren verdwijnt in het buitengebied op verschillende locaties. De 'vernieuwde erven' worden op een landschappelijke wijze ingepast, waardoor de ruimtelijke kwaliteit in sterke mate wordt vergroot. De compensatiewoningen worden op een passende wijze ingepast, waarbij de nieuwe inrichting aansluit bij het oorspronkelijke landschapstype.

4.3.2 Structuurvisie Landelijk Gebied
4.3.2.1 Algemeen

In 'Structuurvisie Landelijk gebied' van de gemeente Hof van Twente staat de ontwikkeling van het landelijk gebied voor de komende 10 jaar centraal. Een visie op de ontwikkeling van de gemeente als geheel en op de langere termijn is ontwikkeld in de Strategische visie Hof van Twente.

De structuurvisie vormt vooral een integratiekader voor het bestaande beleid van de gemeente ten aanzien van de verschillende functies en waarden in het gebied. Een dergelijk 'integratiekader' schetst de bredere achtergrond van beleid dat voor specifieke thema's (bijvoorbeeld recreatie, rood-voor-rood en vrijkomende agrarische bebouwing) is uitgewerkt. Daarnaast beschrijft deze structuur de algemene strategie van de gemeente Hof van Twente ten aanzien van verschillende functies en waarden. Deze strategie geeft richting aan de latere toetsing van verschillende initiatieven die bij de gemeente worden ingediend, en bij het bepalen van het beleid dat in het bestemmingsplan buitengebied wordt uitgewerkt.

4.3.2.2 Rood voor rood

Om de karakteristiek van het landelijk gebied te behouden, geldt als uitgangspunt dat zo min mogelijk niet functioneel aan het buitengebied gebonden bebouwing wordt toegevoegd. Dit kan ten koste gaan van de aanwezige landschapswaarden. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan het toevoegen van nieuwe woningen door het realiseren van geheel nieuwe solitair gelegen woningen. Het omvormen van voormalige agrarische erven naar woonerven wordt ondersteund, mits er tevens een aantoonbare verbetering van de ruimtelijke kwaliteit plaatsvindt. De verbetering van de ruimtelijke kwaliteit komt hoofdzakelijk tot uitdrukking in de sloop van landschapsontsierende voormalige bedrijfsgebouwen, de realisatie van nieuwe landschapselementen rond het erf en het behoud van cultuurhistorische bebouwing. Ten tweede wordt gestreefd naar het ondersteunen van de leefbaarheid op het platteland door een leegloop te voorkomen.

Uitgangspunt is dat de nieuwe woningen worden gerealiseerd op het erf waar ook sloop plaatsvindt. Indien dit ruimtelijk niet gewenst is, kan bij uitzondering de nieuwe woning elders in het buitengebied worden gerealiseerd.

4.3.2.3 Toetsing

Voorliggend plan wordt mogelijk gemaakt op basis van de ''beleidsnotitie grond voor gebruik'' zoals beschreven en getoetst in paragraaf 4.3.3. Op deze plek wordt geconstateerd dat wordt bijgedragen aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door de sloop van landschapsontsierende bebouwing en inpassing van de nieuwe bebouwing.

4.3.3 Beleidsnotitie grond voor gebruik
4.3.3.1 Algemeen

De gemeente Hof van Twente staat voor een enorme opgave als het gaat om het behoud van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Tot 2030 komt naar verwachting meer dan 300.000m2 aan agrarische bebouwing leeg te staan. Deze vrijkomende erven bieden volop kansen voor nieuwe ontwikkelingen. Om een objectieve en eenduidige toepassing van instrumentarium mogelijk te maken is een duidelijke integrale benadering van nieuwe initiatieven van belang. In het bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente is een aantal regelingen opgenomen die ontwikkelingen in het buitengebied eenvoudig mogelijk maken en het versterken van ruimtelijke kwaliteit (sloop en nieuwe functies) als doel hebben. Voor grootschalige projecten is echter een bestemmingsplanprocedure (herziening of wijziging) nodig. In voorliggend geval is een herziening van het bestemmingsplan benodigd, aangezien er meerdere locaties betrokken zijn bij het Rood voor Rood project (er kan daarom niet van de wijzigingsbevoegdheid gebruik worden gemaakt). De beleidsnotitie 'grond voor gebruik' voorziet in de kaders om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken. Deze beleidsnotitie voorziet in de kaders met betrekking tot het VAB-beleid, Rood voor Rood beleid, beleid omtrent veldschuren, landgoederen en niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied. In dit geval zijn de kaders omtrent het Rood voor Rood beleid van belang.

4.3.3.2 Rood voor Rood

In het Rood voor Rood beleid zijn verschillende uitgangspunten opgenomen waar aan moet worden voldaan om Rood voor Rood ontwikkelingen mogelijk te maken.

  • 1. ter compensatie van de sloop van minimaal 1.000m2 landschapsontsierende bedrijfsgebouwen kan onder voorwaarden één bouwkavel voor een woning worden toegekend, indien een groter oppervlakte wordt gesloopt, kan de extra oppervlakte worden ingezet voor het vergroten van de compensatiewoning, de bestaande woning of een woning elders in het buitengebied;
  • 2. de maximale inhoud voor de te realiseren woning op de compensatiekavel bedraagt 750m3;
  • 3. er dient te worden voldaan aan de algemene welstandscriteria;
  • 4. de compensatiekavel wordt bij voorkeur toegekend op de locatie waar het meest wordt gesloopt en wordt gesitueerd in de directe omgeving van de te handhaven bedrijfswoning;
  • 5. de compensatiekavel mag nabijgelegen (agrarische) bedrijven niet hinderen in hun bedrijfsvoering;
  • 6. het erf en de tuin worden samen met de nieuwe woning en het daarbij behorende bijgebouw op de compensatiekavel gerealiseerd;
  • 7. het bijgebouw heeft een grootte van 150m2;
  • 8. de regeling gaat uit van de sloop van het gehele complex aan voormalige agrarische gebouwen, erfverhardingen, mestplaten, mestsilo's, mestkelders, kassen voor hobby en nevenactiviteiten en sleufsilo's, in specifieke situaties kan een gebouw blijven staan voor het uitoefenen van een hobby of economische activiteit, ook als het gebouw niet direct karakteristiek is;
  • 9. de landschapsontsierende bebouwing dient binnen de gemeente Hof van Twente te liggen;
  • 10. de ruimtelijke kwaliteit moet voor alle betrokken locaties zijn gewaarborgd, de ruimtelijke kwaliteit moet worden weergegeven in een door een deskundige op te stellen uitgewerkt landschapsplan;
4.3.3.3 Toetsing van het initiatief aan de beleidsnotitie 'Grond voor gebruik'
  • 1. in voorliggend geval is er sprake van de sloop van 2.639m2 aan landschapsontsierende bedrijfsgebouwen, waarmee wordt voldaan aan de minimale sloopeis voor de realisatie van 3 kavels. Aangezien er 639m2 'extra' wordt gesloopt, is het mogelijk om een grotere woning te realiseren. Eén woning zal dan ook een inhoud van 1000m3 hebben, waarmee deze geschikt is voor dubbele bewoning.
  • 2. de inhoud van de vrijstaande compensatiewoningen bedraagt maximaal 750m3, de woning met een inhoud van 1000m3 is geschikt voor dubbele bewoning, vorenstaande is vastgelegd in de bestemmingsregels;
  • 3. het plan wordt ter toetsing voorgelegd aan de welstandscommissie, met dien verstande dat het plan voor de Enkelaarsweg 5 reeds is getoetst en akkoord is bevonden door de stadsbouwmeester. Voor verdere toetsing hieraan wordt verwezen naar paragraaf 4.3.5;
  • 4. de compensatiekavels worden gerealiseerd op twee van de slooplocaties, het geheel vormt na uitvoering één erf samen met de te handhaven (bedrijfs)woningen;
  • 5. de compensatiekavels liggen op voldoende afstand van omliggende (agrarische) bedrijven, voor een nadere toetsing hierop wordt verwezen naar paragraaf 5.5 en paragraaf 5.6;
  • 6. de erven en de tuinen worden samen met de nieuwe woningen en de daarbij behorende bijgebouwen op de compensatiekavels gerealiseerd;
  • 7. de bijgebouwen bij de compensatiewoningen zijn niet groter dan 150m2, dit zal in de bouwregels van de bijbehorende bestemming worden vastgelegd;
  • 8. op alle locaties is er sprake van de sloop van het gehele complex aan voormalige agrarische bebouwing, met uitzondering van de locatie aan de Rietdijk 5, hier een aantal gebouwen staan. De gebouwen zullen worden aangewend ten behoeve van hobbymatig agrarisch gebruik;
  • 9. alle locaties liggen binnen de gemeente Hof van Twente;
  • 10. middels een landschapsplan wordt de ruimtelijke kwaliteit voor alle locaties gewaarborgd, middels een voorwaardelijke verplichting in de regels wordt de uitvoering van de in dit landschapsplan besloten maatregelen gewaarborgd.

Gezien vorenstaande kan worden geconcludeerd dat het in dit bestemmingsplan besloten initiatief in overeenstemming is met de beleidsnotitie 'Grond voor gebruik' en specifiek voor het beleid omtrent Rood voor Rood.

4.3.4 Landschapsontwikkelingsplan Haaksbergen en Hof van Twente
4.3.4.1 Inleiding

In 2005 is een landschapsontwikkelingsvisie opgesteld en vastgesteld. Per landschapstype is aangegeven welk kenmerken dienen te worden behouden en/of versterkt. De uitwerking is gebaseerd op vier thema's:

  • behoud en versterking van waardevolle ensembles: Behoud, herstel, aanleg en onderhoud van een samenhangend patroon van landschapselementen (beplantingen inclusief lanen, historische elementen met name in het kampenlandschap, open essen en erfbeplantingen) is het speerpunt;
  • landschappelijke versterking van het watersysteem;
  • zorg voor het agrarisch werklandschap: Dit doel uit zich met name in het behouden van relicten van het voormalige kampenlandschap, zonder de patronen te willen herstellen;
  • inpassen van kernen en routes. Nieuwe ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan deze visie. Inrichtingsvoorstellen krijgen als leidraad deze visie mee.

4.3.4.2 Landschapsontwikkelingsvisie

De landschapsontwikkelingsvisie is vertaald in een overzichtelijk kaartbeeld. Een uitsnede van deze kaart wordt hieronder weergegeven. De locatie is met de rode stip weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0021.png"  
Figuur 4.5: Ligging van het plangebied in het LOP (Bron: gemeente Hof van Twente)  

Potdijk 7:

Het plangebied is gelegen in het gaaf kampenlandschap. Kenmerkend voor dit landschap zijn het onregelmatig patroon van singels, houtwallen, zandpaden en bosjes rond de omsloten kampen. Deze dienen te worden onderhouden en waar nodig te worden hersteld. Binnen dit verdichte landschap kunnen kleinschalige vernieuwingen worden ingepast (niet-agrarische functies).

De locatie is tevens in de nabijheid van een beek gelegen. Voor beken en beekzones geldt dat deze worden ontwikkeld tot dragende structuurlijnen in het landschap die kerngebieden voor landschap, cultuurhistorie, recreatie en natuur met elkaar verbinden. Beken zijn ook potentiele structuurdrager van de oude landschapstypen die grotendeels veranderd zijn door de landbouwfunctie en ruilverkavelingen.

4.3.4.3 Toetsing

Middels het opgestelde erfinrichtingsplan blijven de voor het gebied kenmerkende landschapselementen behouden en worden deze aanzienlijk versterkt. Hierdoor gaat het vernieuwde erf goed op in het waardevolle, omliggende landschap en is er sprake van een aanzienlijke kwaliteitsimpuls in het landschap. Kortheidshalve wordt verwezen naar Hoofdstuk 3, waarin onder andere de inrichtingsmaatregelen worden beschreven.

4.3.5 Welstandsnota
4.3.5.1 Algemeen

De gemeenteraad van Hof van Twente heeft voor de hele gemeente een welstandsnota vastgesteld met criteria voor de welstandstoets. Daarbij zijn zowel het buitengebied als de kernen ingedeeld in verschillende gebieden aan de hand van karakteristieken van de bestaande bebouwing. Per gebied zijn criteria opgesteld die door de welstandscommissie worden gebruikt bij het beoordelen van aanvragen om vergunning. Daarbij wordt onder andere gelet op de plaats, de hoofdvorm en de detaillering. Er zijn geen welstandsvrije gebieden. Naast de gebiedscriteria zijn objectgerichte criteria opgesteld die niet voor een gebied, maar voor een bouwwerk gelden. Het gaat dan om regels voor bijvoorbeeld monumenten, landgoederen en serrestallen.

4.3.5.2 Kampen en essen

Het plangebied is gelegen in het welstandsgebied 'kampen en essen'. Voor dit gebied gelden de volgende welstandseisen:

  • plaatsing:
    • 1. in lijn met de huidige opbouw is de opzet van erven losjes;
    • 2. de nieuwbouw voegt zich in het ensemble van gebouwen;
    • 3. vanaf de omliggende wegen ligt nieuwbouw niet dominant in het zicht;
  • hoofdvorm:
    • 1. nieuwbouw moet in maat in een passende verhouding staan tot de bestaande bebouwing;
    • 2. de hoofdvorm dient aan te sluiten bij de oorspronkelijke architectuur van het gebied;
    • 3. het huis krijgt een dominante kap;
    • 4. huis, stal en schuur hebben een eenvoudige hoofdvorm;
    • 5. de stal en de schuur hebben een kap;
  • gevel:
    • 1. de gevel van het hoofdgebouw heeft een opbouw met verticale elementen;
    • 2. de huizen worden in baksteen en/of in hout gebouwd;
    • 3. de gevels van alle gebouwen zijn bescheiden en evenwichtig. Ze zijn harmonisch van opzet.
    • 4. de stal en de schuur kunnen in alle, mits deugdelijke, materialen worden uitgevoerd;
  • aan-, uit- en bijgebouwen en dakkapellen:
    • 1. de toevoegingen ondergeschikt houden aan het hoofdgebouw;
    • 2. aansluiten bij de architectuur van het hoofdgebouw;
    • 3. geen dakkapel op het bijgebouw;
  • detaillering:
    • 1. de gevels van alle gebouwen worden in gedekte kleuren gehouden;
    • 2. de daken van de huizen en boerderijen worden in matte gebakken pannen en/of in riet uitgevoerd;
    • 3. de daken van de stallen en schuren worden rood of donkergrijs gehouden.

4.3.5.3 Toetsing

Het schetsplan voor de Potdijk 7 wordt ter toetsing aan de welstandscommissie voorgelegd, waarbij het schetsplan zal worden getoetst.

4.3.6 Archeologiebeleid
4.3.6.1 Algemeen

Op 1 januari 2010 is het gemeentelijke archeologiebeleid in werking getreden. Op de bijbehorende archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is aangegeven welke gebieden een lage, een middelhoge en een hoge archeologische verwachtingswaarde hebben. Verder zijn ook de terreinen met bekende archeologische waarden in beeld gebracht (de archeologische monumenten). Afhankelijk van de verwachtingswaarde dient bij bouwplannen en ingrepen in de grond met een bepaalde omvang en diepte archeologisch vooronderzoek plaats te vinden.

  • Historische kern: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 50 m2 of meer;
  • Hoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 2500 m2 of meer;
  • Middelhoge verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 5000 m2 of meer;
  • Lage verwachting: bij verstoringen dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 10 ha of meer.

Dit beleid dient vertaald te worden in de planregels van de bestemmingsplannen die in procedure worden gebracht.

4.3.6.2 Toetsing

In paragraaf 5.8.1 wordt getoetst aan het gemeentelijke archeologiebeleid. Verwezen wordt naar deze paragraaf.

4.3.7 Bodembeleid
4.3.7.1 Algemeen

De gemeente heeft in het Bodembeleidsplan haar beleid ten aanzien van bodemverontreiniging uiteengezet. De ambitie van de gemeente is om bodemverontreinigingen te voorkomen en de bodem geschikt te houden voor toekomstige ontwikkelingen. Ten tweede heeft de gemeente de ambitie om bodemaspecten tijdig mee te nemen in planvorming.

De gemeente geeft prioriteit aan het opheffen van bodemverontreinigingen die actuele risico’s opleveren voor mensen of milieu. De gemeente besteedt in het bijzonder aandacht aan de mogelijke aanwezigheid van asbest in de bodem. Hiervoor wordt verwezen naar het asbestbeleid en de asbestsignaleringskaart.

4.3.7.2 Toetsing

In paragraaf 5.2 wordt de bodemkwaliteit beschreven aan de hand van de uitgevoerde onderzoeken. Kortheidshalve wordt verwezen naar deze paragraaf.

4.3.8 Nota Externe veiligheid
4.3.8.1 Algemeen

De gemeente heeft haar beleid ten aanzien van externe veiligheid vastgelegd in de nota “Bewuste veiligheid op maat”. Binnen de gemeente zijn een aantal risicovolle inrichtingen aanwezig. Op de site www.risicokaart.nl is een actueel overzicht van de risicovolle bedrijven te vinden. Ten aanzien van nieuwvestiging van zwaardere en risicovolle bedrijvigheid stelt de gemeente zich terughoudend op. Verder moet met name bij gevoelige functies, rekening gehouden worden met het vervoer van gevaarlijke stoffen via de weg, het spoor, het water of buisleidingen.

4.3.8.2 Toetsing

In paragraaf 5.4 wordt het plan getoetst aan het aspect externe veiligheid. Verwezen wordt naar deze paragraaf.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie en archeologie & cultuurhistorie.

Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op drie locaties, namelijk de locatie aan de Potdijk 7, de locatie aan de Klompmakersweg 7 en de locatie aan de Rietdijk 5, allen gelegen in het buitengebied van Markelo.

Aan de Potdijk 7 wordt landschapsontsierende bebouwing gesloopt en worden tevens compensatiewoningen gerealiseerd.

Aan de Klompmakersweg 7 en de Rietdijk 5 worden enkel landschapsontsierende gebouwen gesloopt. De agrarische bestemming wordt omgezet naar een woonbestemming. De bestaande woningen worden gehandhaafd. Deze herbestemming is vanuit milieukundig oogpunt dan ook niet relevant en wordt in beginsel buiten beschouwing gelaten. Uitsluitend daar waar relevant bevonden worden deze locaties expliciet genoemd.

In dit hoofdstuk zal dan ook met name in worden gegaan op de locatie aan de Potdijk 7.

5.1 Geluid

5.1.1 Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen.

5.1.2 Situatie plangebied

Het plan voorziet in de realisatie van twee geluidgevoelig objecten, namelijk de compensatiewoningen aan de Potdijk 7. De bestaande woningen op de locaties aan de Klompmakersweg 7 en Rietdijk 5 blijven ongewijzigd en worden daarom niet (opnieuw) getoetst. In artikel 76 van de Wgh is bepaald dat de geluidsbelasting van een aanwezige weg op bestaande woningen niet getoetst hoeft te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. Er wordt daarom enkel nader ingegaan op de compensatiekavels. De bestaande woning aan de Potdijk wordt op nagenoeg dezelfde locatie herbouwd, ook hier wordt toetsing niet noodzakelijk geacht. Overigens staat deze woning in dezelfde rooilijn als de compensatiewoningen, waardoor de geluidsbelasting naar verwachting gelijk zal zijn.

5.1.2.1 Industrielawaai

In de omgeving van het plangebied zijn geen gezoneerde bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de nieuwe woningen wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering).

5.1.2.2 Railverkeerslawaai

Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op ruime afstand van het plangebied is gelegen.

5.1.2.3 Wegverkeerslawaai

De geplande woningen ligt binnen de wettelijke geluidzone van de Potdijk en het Beukenlaantje (60 km/uur). De voorkeursgrenswaarde voor een woning bedraagt 48 dB in het kader van wegverkeerslawaai. De geluidbelasting ten gevolge van de prognose van 2030 van het gemeentelijk geluidsmodel (zie figuur 5.1) bedraagt voor de huidige bebouwing tussen de 0-43 dB. Dit is ruim onder de 48 dB voorkeurswaarde. Daarnaast is de intensiteit op de Potdijk matig en worden de woningen op circa 10 meter uit de as van de weg gebouwd. Daarmee zal ter plaatse van de compensatiewoning naar verwachting sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0022.png"  
Figuur 5.1: Uitsnede van het geluidsmodel van de gemeente Hof van Twente voor de locatie Potdijk 7 (Bron: Gemeente Hof van Twente)  

5.1.3 Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de realisatie voor de nieuwe woningen.

5.2 Bodemkwaliteit

5.2.1 Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, wordt doorgaans een bodemonderzoek verricht conform de richtlijnen NEN 5740.

5.2.2 Situatie plangebied

Om aan te kunnen aantonen dat de grond geschikt is voor de functie 'wonen met tuin' is een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 vereist. In dit geval zijn de compensatiekavels (deels) gelegen op de plaats waar momenteel nog de agrarische bebouwing staat. De kwaliteit van de bodem kan door de sloop van de gebouwen worden beïnvloed. Een verkennend bodemonderzoek zal dan ook na de sloop van de bebouwing worden uitgevoerd.

5.2.3 Conclusie

Het bodemonderzoek zal na de sloop van de bebouwing worden uitgevoerd.

5.3 Luchtkwaliteit

5.3.1 Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

5.3.2 Situatie plangebied

De Klompmakersweg 7 en de Rietdijk 5 zijn buiten beschouwing gelaten, aangezien er op deze locaties enkel bebouwing word gesloopt en er geen (gevoelige) objecten worden toegevoegd. Daarom wordt uitsluitend ingegaan op de te realiseren compensatiewoningen aan de Potdijk 7. Gelet op de aard van de ontwikkeling is het aan te merken als een project (de bouw van twee woningen) dat "niet in betekenende mate bijdraagt" aan luchtverontreiniging.

Tot slot wordt geconcludeerd dat een woning niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van luchtkwaliteit.

5.3.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.4 Externe veiligheid

5.4.1 Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi);
  • de Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's Zware Ongevallen (Brzo);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: 

  • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);
  • de Regeling basisnet;
  • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. De gemeente Hof van Twente heeft haar beleid ten aanzien van externe veiligheid vastgelegd in de nota “Bewuste veiligheid op maat”.

5.4.2 Situatie plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond beide locaties. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In figuur 5.2 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Er is uitsluitend ingegaan op de locatie aan de Potdijk 7, aangezien er enkel hier woningen gebouwd zullen worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0023.png"  
Figuur 5.2: Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)  

Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie:

  • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Buisleiding Gasunie B.V.

Ten zuiden van het plangebied ligt een hogedruk aardgasleiding (N557-57) van de Nederlandse Gasunie B.V. Het betreft een leiding met een werkdruk 40 bar en een uitwendige diameter van 114 mm. Bij dergelijke gasleidingen ligt de 1% letaliteitsgrens op 50 meter. Het plangebied ligt op circa 500 meter afstand van de hogedruk aardgasleiding en valt daarmee buiten groepsrisico-aandachtsgebied. Een nadere verantwoording is niet noodzakelijk.

5.4.3 Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5 Milieuzonering

5.5.1 Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.

5.5.2 Gebiedstypen

Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’.

Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.

Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

De plangebieden aan de Klompmakersweg 7 en de Rietdijk 5, zijn gelegen in het buitengebied, waar geen sprake is van een matige of sterke functiemenging. Er wordt in dit geval daarom voor deze locaties uitgegaan van het omgevingstype “rustige woonwijk”. De locatie aan de Potdijk 7 is gelegen in de dorpsrandzone van Markelo, waar er een verscheidenheid van functies (waaronder recreatie, wonen, horeca en agrarische functies) gelegen zijn. Voor deze locatie kan daarom worden uitgegaan van het gebiedstype 'gemengd gebied'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0024.png"

5.5.3 Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Hierbij spelen twee vragen en rol:

  • 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
  • 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking

Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. In dit geval wordt een compensatiewoning toegevoegd. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake.

5.5.3.3 Interne werking

Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. In voorliggend geval dienen de compensatiewoningen aangemerkt te worden als milieugevoelig objecten. In dit geval wordt ook ingegaan op de (voormalige bedrijfs)woningen op alle locaties.

In onderstaande tabel worden de activiteiten/functies benoemd welke zijn gelegen in de nabijheid van de verschillende locaties van het plangebied. Tevens is aangegeven tot welke milieucategorie deze activiteit of functie wordt gerekend, welke richtafstand (gebaseerd op de ligging in gemengd gebied) aangehouden moet worden tussen de gevel van de woning en het bestemmingsvlak van de betreffende milieubelastende functie en wat de daadwerkelijke afstand bedraagt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0025.png"  
Tabel 1: Milieubelastende functies in de nabijheid van de locaties (Bron: BJZ.NU)  

* Met uitzondering van het aspect 'geur'. Bij veehouderijen zijn niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend. In paragraaf 5.6 wordt nader op het aspect geur ingegaan.

Potdijk 7

In de nabijheid van de locatie aan de Potdijk 7 zijn twee milieubelastende functies aanwezig waarvan de richtafstand niet kan worden gehaald. Het betreffen in dit geval een zwembad en een vakantiepark.

Zwembad

De grens van het zwembad is gelegen op circa 35 meter vanaf de meest zuidelijke woonkavel aan de Potdijk 7. Voor een zwembad geldt volgens de VNG-uitgave 'bedrijven en milieuzonering' een grootste richtafstand van 200 meter voor geluid in het geval een openluchtzwembad betreft. Voor overdekte zwembaden geldt een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid. Deze richtafstanden worden niet gehaald. Er kan echter gemotiveerd van de richtafstand worden afgeweken.

In voorliggend geval betreft het een zwembad waar zowel openluchtbaden als binnenbaden gelegen zijn. De openluchtbaden zijn gelegen op circa 110 meter vanaf de meest nabijgelegen compensatiekavel. In dit geval wordt de richtafstand van 200 meter teruggebracht naar 100 meter, vanwege de ligging in een 'gemengd gebied'. Aan deze richtafstand kan dan ook worden voldaan. Tevens zijn tussen de openluchtbaden en de geplande woningen twee binnenzwembaden gelegen, de gebouwen waarin deze binnenbaden gelegen zijn, hebben een geluidsafschermende werking.

De binnenbaden zijn gelegen op een kortere afstand van het plangebied (circa 80 meter). Aan de richtafstand van 50 meter wordt in dit geval voldaan.

Aan de noordzijde van de binnenbaden (waar de afstand tot de kavels het kleinst is) is een parkeerterrein behorend bij het zwembad gelegen. De afstand van het parkeerterrein tot de dichtstbijzijnde kavel bedraagt circa 24 meter. Voor parkeerterrein geldt volgens de VNG-uitgave 'bedrijven en milieuzonering' een grootste richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. In voorliggend geval (gemengd gebied) mag deze richtafstand worden teruggebracht naar 10 meter. Aan deze richtafstand kan worden voldaan.

Planologisch gezien zou de afstand van de geluidsbelastende functies van het zwembad tot het plangebied kleiner kunnen worden, in het geval het terrein van het zwembad wordt heringedeeld, waarbij de voorzieningen (openluchtbaden, binnenbaden en parkeerterrein) kunnen worden verplaatst. Gezien de indeling van het terrein (openluchtbaden nabij de ligweide) en het feit dat het gehele zwembadcomplex in 2014 reeds opnieuw is ingericht, waarbij de twee binnenbaden zijn herbouwd, is dit niet aannemelijk.

Vakantiepark

Het vakantiepark is gelegen aan de oostzijde van de woningen. Een camping kan volgens de VNG-uitgave 'bedrijven en milieuzonering' het beste worden vergeleken met de functie 'kampeerterrein'. Voor een kampeerterrein geldt een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid. Gezien de ligging in gemengd gebied mag deze richtafstand worden teruggebracht naar 30 meter. Het kampeerterrein is echter gelegen aan de overzijde van de Potdijk, op 13 meter van de gewenste woningen. In voorliggend geval is een nuancering echter op zijn plaats. De daadwerkelijke milieubelasting (geluid) van campings en vakantiecentra ontstaat met name bij de centrale voorzieningen, zoals een receptie, parkeerterrein, speelvoorzieningen en dergelijke. Deze voorzieningen zijn allen centraal op het vakantiepark gelegen, op een ruime afstand (circa 200 meter) vanaf de (compensatie)woningen. Op een kortere afstand van de (compensatie)woningen zijn met name verhuureenheden (chalets) gelegen. Deze chalets zijn vanwege de aard, gelijk te stellen met de functie wonen en brengen niet tot nauwelijks milieubelasting met zich mee.

Gezien vorenstaande wordt aangenomen dat er ter plaatse van de woningen aan de Potdijk 7 sprake zal zijn van een aanvaardbar woon- en leefklimaat.

Klompmakersweg 7

Wat betreft de locatie aan de Klompmakersweg 7 kan worden gesteld dat, mits met betrekking tot het agrarische bedrijf het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten, aan alle richtafstanden kan worden voldaan. Bovendien gaat het in dit geval enkel om een planologische omzetting van een bedrijfswoning naar een reguliere woning. De feitelijke situatie blijft gelijk. Ter plaatse van deze locatie is er sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.

Rietdijk 5

Wat betreft de locatie aan de Rietdijk 5 kan worden gesteld de richtafstand tot naastgelegen agrarisch bedrijf niet wordt gehaald. In dit geval wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. De bedrijfswoning maakt in de huidige situatie al geen onderdeel uit van de naastgelegen inrichting en is daarmee reeds maatgevend. Door de planologische omzetting veranderd dit niet. Bij de omzetting van de bedrijfswoning naar een reguliere woning blijft deze afstand gelijk. Omgekeerd zal het agrarisch bedrijf niet verder worden belemmerd in de bedrijfsvoering dan momenteel reeds het geval is.

5.5.4 Conclusie

Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.

5.6 Geur

5.6.1 Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit.

De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden:

  • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en
  • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv.

Alle locaties zijn gelegen in het buitengebied, waardoor er bij elke locatie een afstand van 50 meter in acht dient te worden genomen.

5.6.2 Situatie plangebied
5.6.2.1 Potdijk 7

Het dichtstbijzijnde agrarische bouwvlak is gelegen aan het Beukenlaantje 6 ten zuiden van het plangebied. De afstand tot dit bouwvlak bedraagt 120 meter, waarmee ruimschoots aan de richtafstand wordt voldaan. Bovendien gaat het in dit geval om een bouwvlak waar de functieaanduiding 'cultuur en ontspanning' geldend is. Overige agrarische bedrijven bevinden zich allen op een ruimere afstand van het plangebied. Gesteld kan worden dat er in het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

5.6.2.2 Klompmakersweg 7

Het dichtstbijzijnde agrarische bouwvlak is gelegen op circa 140 meter van het plangebied. Hiermee wordt ruimschoots aan de richtafstand voldaan. Gesteld kan worden dat er in het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.

5.6.2.3 Rietdijk 5

Wat betreft de locatie aan de Rietdijk 5 kan worden gesteld de richtafstand tot naastgelegen agrarisch bedrijf niet wordt gehaald. In dit geval wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere woning. De bedrijfswoning maakt in de huidige situatie al geen onderdeel uit van de naastgelegen inrichting en is daarmee reeds maatgevend. De planologische omzetting veranderd hier niets aan. Door de omzetting van de bedrijfswoning naar een reguliere woning blijft deze afstand gelijk. Omgekeerd zal het agrarisch bedrijf niet verder worden belemmerd in de bedrijfsvoering dan momenteel reeds het geval is.

5.6.3 Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.

5.7 Ecologie

Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden.

5.7.1 Gebiedsbescherming
5.7.1.1 Natura 2000

Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied in het kader van de Wet natuurbescherming. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft ‘Borkeld'. Dit gebied is gelegen op een ruime afstand van alle locaties van het plangebied. In figuur 5.3 is dit weergegeven. Gezien de grote afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling wordt gesteld dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied.

5.7.1.2 Natuur Netwerk Nederland

Natuur Netwerk Nederland (NNN) vormt de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

Geen enkele locatie is gelegen binnen het concreet begrensde NNN. De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangemerkt als NNN liggen op circa 200 meter van het plangebied (ter plaatse van de Potdijk 7). Gezien de afstand tot het NNN en de aard en omvang van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0026.png"  
Figuur 5.3: Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied 'Borkeld' en ten opzichte van het Natuur Netwerk Nederland (Bron: Provincie Overijssel)  

5.7.2 Soortenbescherming

Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.

Om te beoordelen of de ontwikkeling in het kader van flora en fauna uitvoerbaar is, dient een quickscan natuurwaarden te worden uitgevoerd. De quickscan zal in het kader van een omgevingsvergunning voor het slopen worden bijgevoegd.

5.7.3 Conclusie

De quickscan zal in het kader van een omgevingsvergunning voor het slopen worden bijgevoegd.

5.8 Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1 Archeologie
5.8.1.1 Algemeen

Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

5.8.1.2 Situatie plangebied

Wat betreft het aspect 'archeologie' worden enkel de locaties aan de en de Potdijk 7 meegenomen, aangezien er op de andere locaties enkel sprake is van sloop van bebouwing. Hier zullen er geen bodemingrepen plaatsvinden.

De archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart geeft ter plaatse van de Potdijk 7 de aanduidingen 'lage verwachting' en 'hoge verwachting'. Hiervoor geldt (voor de hoge verwachting)dat bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 2500 m2 archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Voor de lage verwachting ligt de onderzoeksgrens nog hoger.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0027.png"  
Figuur 5.5: Uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart (Bron: gemeente Hof van Twente)  

De grenzen voor archeologisch onderzoek worden niet overschreden. Archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Ter bescherming van de (mogelijke) archeologische waarden zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3' opgenomen in de regels en op de verbeelding.

5.8.2 Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

5.8.2.2 Situatie plangebied

Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in de verschillende locaties van het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.

5.8.3 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

Hoofdstuk 6 Wateraspecten

6.1 Vigerend beleid

6.1.1 Europees- en rijksbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de

ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

6.1.2 Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De

doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009).

6.1.3 Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

6.1.4 Waterschap Rijn en IJssel

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze

waterschappen een Waterbeheerplan 2016-2021 vastgesteld.

In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het:

  • voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte;
  • beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem;
  • het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.

6.1.5 Gemeentelijk rioleringsplan 2017-2020

In de Waterwet en de Wet milieubeheer zijn de gemeentelijke watertaken geregeld. Deze taken hebben betrekking op de gemeentelijke zorgplicht voor:

  • inzameling en transport van stedelijk afvalwater.
  • het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater.
  • grondwater(maatregelen).

Het GRP beschrijft de beleidskaders (ambities)en de activiteiten voor de inzameling, transport en verwerking van stedelijk afval, hemel- en grondwater.

Het GRP gaat uit van de volgende principes (tritsen):

De trits “vasthouden --> bergen --> afvoeren” houdt in dat in eerste instantie getracht wordt het (gebiedseigen) water in de bodem te infiltreren. Indien dit niet mogelijk is dient het afstromend regenwater lokaal te worden geborgen in vijvers en watergangen. Pas in de laatste instantie kan overwogen worden het water (zo traag mogelijk) af te voeren naar de omgeving.

De trits “schoonhouden --> scheiden --> schoonmaken” omvat ten eerste het niet toelaten dat de kwaliteit van water verslechtert (schoon houden), vervolgens het gescheiden houden van schone en vuile waterstromen en als laatste het zuiveren (schoonmaken) van verontreinigd water. Door water schoon te houden en vuile waterstromen zoveel mogelijk gescheiden te houden kan de omvang van te zuiveren water worden beperkt en tevens het zuiveringsrendement worden verhoogd.

Ontvlechting vindt in principe plaats als dat doelmatig en kosteneffectief is.

Bij nieuwbouw is de aanleg van een gemeentelijk hemelwaterstelsel (riool of watergang) gebruikelijk, waar de particulier het hemelwater naartoe kan afvoeren. De infrastructuur wordt in principe zodanig ingericht dat de particulier in staat wordt gesteld het hemelwater (voor een deel) op eigen terrein te verwerken (lozen op aangrenzende sloot en/of infiltratie in de bodem). Is verwerking op eigen terrein niet mogelijk dan kan de particulier het hemelwater bovengronds afvoeren naar het gemeentelijk hemelwaterstelsel.

Bij de grondwaterzorgplicht hebben perceeleigenaren een eigen verantwoordelijkheid bij het voorkomen van grondwaterproblemen. Als de grondwaterstand echter te zeer wordt bepaald door factoren buiten het perceel van de grondeigenaar dan zal de gemeente, in samenspraak met waterbeheerder en provincie, maatregelen treffen om structurele grondwaterproblemen te voorkomen of te beperken.

Ten aanzien van de verwerking van grondwater bij nieuwbouw kan worden gesteld dat dit voldoende wordt ondervangen in het “watertoets proces”. Hierbij worden vooraf de waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze meegewogen bij de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties.

6.1.6 Klimaatadaptie

Hitte, droogte, watertekort en wateroverlast zijn aspecten die van wezenlijke invloed zijn bij het ontwerpen en bij de realisatie van plannen voor zowel inbreidings- als uitbreidingslocaties. Met deze aspecten wordt rekening gehouden door het principe van de meerlaagsveiligheid als bouwsteen van wezenlijk belang te hanteren bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen. Bestaande en nieuwe blauwe en groene elementen ondersteunen de klimaatadaptatie in het binnenstedelijk gebied en op bedrijven- en industrieterreinen. Afkoppelen van verhard oppervlak is niet een doel op zich. Doelmatigheid, haalbaarheid en betaalbaarheid van afkoppelmaatregelen worden meegewogen in ruimtelijke plannen. De samenhang met het beleid over klimaatadaptatie en overstromingsrisico wordt integraal beoordeeld.

Waterlopen met een beschermde status (Kaderrichtlijn water) staan vermeld op de verbeelding behorende bij een ruimtelijk plan. Informatie over de status van een KRW-lichaam en beoogde maatregelen verwoord in zogenaamde “factsheets”, wordt beschouwd als zwaarwegend belang waar slecht gemotiveerd van kan worden afgeweken door het treffen van mitigerende of compenserende maatregelen.

6.2 Waterparagraaf

6.2.1 Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

6.2.2 Watertoetsproces

Dit bestemmingsplan heeft betrekking op verschillende locaties. In het kader van de wateraspecten wordt enkel ingegaan op de bouwlocatie aan de Potdijk 7, aangezien er op de slooplocaties enkel sprake is van afname aan verharding. Door de afname van verhard oppervlakte, kan hemelwater beter infiltreren in de grond. Voorgenoemde ontwikkeling heeft een positieve invloed op de waterhuishouding.

Voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling worden de effecten van de ontwikkeling per waterthema afgewogen. De relevante waterthema's worden door middel van de watertoetstabel geselecteerd en dienen vervolgens, indien relevant, nader te worden toegelicht.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMKpotdijk7-OP10_0028.png"  
Figuur 6.1: Watertoetstabel (Bron: Waterschap Rijn en IJssel)  

Wateroverlast (oppervlaktewater en afvalwater)

Als gevolg van het plan is er sprake van een beperkte toename van het afvalwater. Het rioolstelsel is dusdanig ingericht dat het deze beperkte toename eenvoudig kan verwerken. Tevens wordt er veel bestaand verhard oppervlakte gesaneerd, wat een positief effect heeft op de waterafvoer. Het hemelwater zal op eigen terrein worden opgevangen en geïnfiltreerd. De toename van afvalwater brengt geen belemmeringen met zich mee.

Grondwaterkwaliteiten

Het plangebied is ter plaatse van de Potdijk 7 gelegen in een intrekgebied met stedelijke functies. De juridisch-planologische doorvertaling van de ligging in deze gebieden is opgenomen in Artikel 12 van de regels (Algemene aanduidingsregels). Bovendien vormt de functie 'wonen' geen risicovolle functie in het kader van intrekgebieden.

Hoofdstuk 7 Juridische planopzet

7.1 Inleiding

De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

7.2 Opbouw van de regels

7.2.1 Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. Dit bestemmingplan is opgesteld conform de normen van de SVBP 2012 (Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012). De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid.

Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels;
  • 2. Bestemmingsregels;
  • 3. Algemene regels;
  • 4. Overgangs- en slotregels.
7.2.2 Inleidende regels
7.2.2.1 Begrippen

In Artikel 1 zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

7.2.2.2 Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten (Artikel 2) uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt de digitale verbeelding.

7.2.3 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a:

  • Bestemmingsomschrijving: Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies.
  • Bouwregels: In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd.
  • Afwijken van de bouwregels: Op basis van deze regels hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels in het plan.
  • Specifieke gebruiksregels: In de specifiek gebruiksregels is bepaald welk gebruik van gronden en opstallen in elk geval strijdig is met of wordt toegestaan binnen deze bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd.
  • Afwijken van de gebruiksregels: Deze afwijking geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om met omgevingsvergunning af te wijken van functies die in eerste aanleg strijdig zijn met de bestemmingsomschrijving of de specifieke gebruiksregels;
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: Omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden.
7.2.4 Algemene regels
  • Anti-dubbeltelregel (Artikel 9): deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld;
  • Algemene bouwregels (Artikel 10): Dit artikel bevat diverse regels omtrent bestaande maatvoering, dakhelling van gebouwen, situering van woningen, herbouw of nieuwbouw van gebouwen in geval van calamiteit en situering van bijgebouwen en paardenbakken.
  • Algemene gebruiksregels (Artikel 11): in deze regel is aangegeven wat onder verboden gebruik wordt verstaan. Deze regel gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming.
  • Algemene aanduidingsregels (Artikel 12): in de algemene aanduidingsregels zijn zones aangegeven waarvoor bijzondere regels gelden. Deze zones zijn weergegeven op de verbeelding.
  • Algemene afwijkingsregels (Artikel 13): in deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
  • Algemene wijzigingsregels (Artikel 14): In deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om het plan op ondergeschikte punten te wijzigen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
  • Algemene procedureregels (Artikel 15): In deze regels zijn algemene procedurele eisen opgenomen om de uitvoerbaarheid van de in dit plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid te waarborgen.
  • Regels in verband met vrijkomende agrarische bebouwing (Artikel 16): In dit artikel worden afwijkings- en wijzigingsmogelijkheden gegeven met betrekking tot vrijkomende agrarische bebouwing.
7.2.5 Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3 Bestemmingen

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.

Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Zij zijn het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

'Agrarisch' (Artikel 3)

De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, water en voorzieningen voor de waterhuishouding en de bestaande nutsvoorzieningen. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. Uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan, met een maximale bouwhoogte van 1 meter. Tot slot zijn in de regels, ter bescherming van deze gronden, bepalingen opgenomen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.

'Agrarisch met waarden' (Artikel 4)

De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, water en voorzieningen voor de waterhuishouding en de bestaande nutsvoorzieningen. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. Uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan, met een maximale bouwhoogte van 1 meter. Tot slot zijn in de regels, ter bescherming van deze gronden, bepalingen opgenomen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.

'Wonen' (Artikel 5)

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor één woning per bestemmingsvlak. Voor de woningen geldt dat de bouwhoogte maximaal 10 meter en de goothoogte maximaal 4 meter bedraagt. De inhoud van de woningen mag per woning maximaal 750 m3 bedragen, tenzij op de verbeelding de specifieke bouwaanduiding 'dubbele bewoning' is opgenomen, in dat geval mag de inhoud van de woning 1.000m3 bedragen. Voor bijgebouwen is opgenomen dat de gezamenlijke oppervlakte maximaal 150 m2 bedraagt. Ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding 'inpandig bijgebouw' mag de inhoud van de woning 900m3 bedragen, met dien verstande dat hier enkel een inpandig bijgebouw mag worden gebouwd. De goot- en bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen zijn gelimiteerd tot 3 en 6 meter.

In de specifieke gebruiksregels van deze bestemming is de zogenaamde voorwaardelijke verplichting opgenomen. De voorwaardelijke verplichting voorziet in een borging van de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen zoals opgenomen in de Erfinrichtingsplannen (Bijlage 1 van de regels).

Tevens is in de specifieke gebruiksregels een voorwaardelijke verplichting voor de sloop van de voormalige agrarische bebouwing opgenomen. Deze voorwaardelijke verplichting voorziet in een borging van de sloop van de bebouwing zoals opgenomen in de sloopopgave (Bijlage 2 van de regels).

Archeologische waarden (Artikel 6, Artikel 7 en Artikel 8)
De gronden waar een archeologische waarde in een dubbelbestemming is opgenomen zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Ter bescherming van deze gronden zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

In het voorliggende geval wordt is een Rood voor rood overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemers en de gemeente Hof van Twente. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

Hoofdstuk 9 Vooroverleg en inspraak

Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

9.1 Vooroverleg

9.1.1 Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

9.1.2 Provincie Overijssel

Op basis van artikel 3.1.1, lid 2 heeft de provincie de mogelijkheid om plannen aan te wijzen waarvoor geen vooroverleg is vereist. Plannen/omgevingsvergunningen waarvoor de KGO van toepassing is, wanneer deze passen binnen een gemeentelijk beleidskader (vastgesteld door de raad) dat door de provincie is beoordeeld als zijnde in overeenstemming met de Omgevingsvisie Overijssel, Omgevingsverordening en Werkboek KGO. In dit beleidskader staat in ieder geval:

  • op welke wijze de balans tussen ontwikkelingsruimte en kwaliteitsprestaties wordt bepaald,
  • op welke wijze via het proces binnen de gemeentelijke organisatie geborgd wordt, dat de gewenste ruimtelijke kwaliteit wordt behaald.

Geconstateerd wordt dat de ontwikkeling passend is binnen het provinciaal kwaliteitskader en de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Voor het overige worden geen provinciale belangen geraakt. Nader overleg is niet noodzakelijk.

9.1.3 Waterschap Rijn en IJssel

In het kader van het vooroverleg heeft het waterschap gereageerd. Het waterschap heeft verzocht om de watertoetstabel op te nemen. Hierdoor wordt inzichtelijk welke onderdelen belangrijk zijn in dit plan en eventueel uitgewerkt moeten worden. Gezien de kleine omvang van het plangebied en er verder geen andere water aspecten een rol spelen is het waterschap het met de conclusie eens dat het plan waterhuishoudkundig geen belemmering vormt.

9.2 Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Bij dit plan wordt afgezien van het ter inzage leggen van een voorontwerpbestemmingsplan.