direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied Hof van Twente, herziening Blokstegenweg 3/3a Ambt Delden
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1735.BGxBloksteg2018-OP10

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voor de locatie Blokstegenweg 3/3a in Ambt Delden, buurtschap Azelo, is een plan ontwikkeld ten behoeve van BS Green en Het Erfgoed Bouw en Handelsonderneming BV. Het betreft een onderneming die ruimte nodig heeft voor de opslag van windmolen onderdelen en een aannemersbedrijf met minder dan 1000 m2 BVO. Het vigerende bestemmingsplan maakt overige bedrijvigheid mogelijk, waarbij maximaal 3100 m2 ten behoeve van vishandel, kweek, opslag van vis mag worden bebouwd. Het gewenste gebruik is in strijd met de bestaande situatie, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Ligging

Het plangebied bestaat uit het perceel kadastraal bekend als nummer 647, sectie B in de gemeente Ambt Delden, aan de Blokstegenweg 3/3a in Ambt Delden. Het plangebied ligt ca.1.7 kilometer ten westen van Borne en 3.8 kilometer ten noorden van Delden. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxBloksteg2018-OP10_0001.png"

Figuur 1.1: Ligging plangebied rode locatie (bron: atlasvanoverijssel.nl)

Begrenzing

De begrenzing van het plangebied is in figuur 1.2 weergegeven (rood omkaderd). In dit figuur is een kadastrale kaart weergegeven waarop het plangebied te zien is. De plangrens komt overeen met de kadastrale lijnen van perceelnummer 647. Zie de digitale verbeelding voor de exacte begrenzing van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxBloksteg2018-OP10_0002.png"

Figuur 1.2: Begrenzing plangebied rode lijn (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Voor de Blokstegenweg 3/3a in Ambt Delden geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente'. Het bestemmingplan 'Buitengebied Hof van Twente' is door de gemeenteraad van de gemeente Hof van Twente op 09-12-2015 vastgesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxBloksteg2018-OP10_0003.png"

Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Aan het plangebied is de bestemming 'Agrarisch met waarden' en 'Bedrijf' toegekend met een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 2' , 'Waarde - Ehs' en de aanduiding specifieke vorm van bedrijf - overige bedrijvigheid. Daarnaast zijn er twee gebiedsaanduidingen 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied en vrijwaringszone - radar. De gronden zijn daarmee in eerste instantie bestemd voor 'specifieke vorm van bedrijf - overige bedrijvigheid': de ter plaatse gevestigde overige bedrijvigheid als bedoeld in bijlage 4a kolom “aard bedrijvigheid”, in dit geval 'Vishandel, kweek en opslag van vis, verstrekken van informatie en het geven van rondleidingen'.

Het geldende bestemmingsplan biedt daarmee geen mogelijkheden voor een bedrijf met opslag van windturbine-onderdelen en een aannemersbedrijf kleiner dan 1000 m2 BVO . Een herziening van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk.

1.4 De bij het plan behorende stukken

Het onderhavige bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente, herziening Blokstegenweg 3/3a Ambt Delden' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken.

  • Verbeelding, schaal 1:2000 (identificatie NL.IMRO.1735.BGxBloksteg2018-OP10);
  • Bijlagen bij de toelichting;
  • Regels;
  • Bijlagen bij de regels.

1.5 Leeswijzer

De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

Hoofdstuk 2 Het plan

2.1 Huidige situatie

In de huidige situatie is er aan de Blokstegenweg 3/3a in het buitengebied van Ambt Delden sprake van een bedrijfsperceel met een bedrijfswoning en enkele opstallen. In onderstaande afbeelding is een luchtfoto opgenomen van het bedrijfsperceel en bijbehorende gronden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxBloksteg2018-OP10_0004.png"

Figuur 2.1: Huidige situatie plangebied (bron: atlasvanoverijssel.nl)

Op het perceel is een hal aanwezig ten behoeve van het bedrijf ter plaatse. Aan de zuidzijde van de hal is een bedrijfswoning aanwezig met bijgebouw. Ten westen van de bestaande bedrijfshal is een vijver aanwezig. Er zijn meerdere houtopstanden aanwezig zoals te zien is op bovenstaande luchtfoto. Het bedrijfsperceel wordt via de zuidzuide van het perceel, langs de bedrijfswoning, ontsloten via de Blokstegenweg die aansluit op de Bornerbroeksestraat richting de A1.

2.2 Toekomstige situatie

Initiatiefnemers zijn voornemens ter plaatse van de Blokstegenweg 3/3a het bedrijfsperceel te herontwikkelen ten behoeve van de opslag van windmolenonderdelen alsmede een aannemersbedrijf met een oppervlak van minder dan 1000 m2. Op het terrein zal een nieuwe bedrijfshal worden gebouwd ten westen van de reeds bestaande bedrijfshal.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxBloksteg2018-OP10_0005.png"

Figuur 2.2: Toekomstige situatie (bron: Damink Tuin en Landschap)

In bovenstaande figuur is de toekomstige situatie afgebeeld. Momenteel ligt ter plaatse van de nieuwe te bouwen hal een vijver die bedrijfsmatig door de vishandel wordt gebruikt om water te ledigen. De eventuele ontstane natuurwaarden ter plaatse van de vijver worden voldoende gecompenseerd met het versterken van de landschappelijke structuren binenn het plangebied. De houtsingel aan de noordzijde van de bedrijfsbestemming zal worden doorgetrokken en er zullen meerdere solitaire bomen worden toegevoegd. Hierdoor zullen de landschappelijke structuren aanzienlijk worden versterkt.

Daarnaast geeft de figuur de locatie van de opslaghal, opslagterrein en bedrijfshal weer. Het bedrijfsperceel geeft ruimte aan 3100 m2 bedrijfsbebouwing. De bedrijfshal ten behoeve van aannemersbedrijf heeft een oppervlakte van 975 m². De oppervlakte van het aannemersbedrijf is kleiner dan 1000 m2 en valt daarmee onder een categorie 2 bedrijf. Daarnaast zullen er opslagmogelijkheden gecreëerd worden ten behoeve van het windmolenbedrijf op het terrein.

De bestaande woning bij het bedrijf zal door de nieuwe eigenaar in gebruik worden genomen als bedrijfswoning met kantoor. Onlangs is door de gemeente een vergunning verleend voor het vergroten van de woning tot en met een inhoud van 1304 m3. Deze inhoud van de woning is ontstaan door de bestaande inhoud van de woning in de boerderij, de ontheffingsmogelijkheid in het huidige bestemmingsplan om inpandige bedrijfsruimte te gebruiken voor woondoeleinden, aangevuld met de aangekochte sloopmeters.

Er sprake is van functionele gebondenheid doordat de eigenaar van BS-Green de woning gebruikt (door o.a. een inpandig kantoor) voor de duurzame bedrijfsvoering van BS-Green en het ontvangen van zakelijke relaties. De werkzaamheden kunnen efficient worden verricht doordat woon-, kantoor- en bedrijfsfunctie direct bij elkaar zijn gegroepeerd. Bovendien is bewoning van de bedrijfswoning functioneel gebonden doordat direct toezicht op de (inpandige) opslag van onderdelen van windturbines gewenst is. Toezicht op het bedrijf door menselijke waarneming en aanwezigheid is van belang om een preventieve werking te verschaffen zodat inbraken, diefstal en vernieling voorkomen kunnen worden.

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:

  • Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol;
  • Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw;
  • Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe);
  • Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet.

Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit deze Structuurvisie heeft het Rijk op basis van de Wet ruimtelijke ordening, twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschillend van elkaar in aard (beleidsmatig versus procesmatig):

  • Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk beleid te borgen.
  • Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij verschillende overheden.

Conclusie

Voorliggend bestemmingsplan heeft geen raakvlakken met de nationale belangen zoals deze benoemd zijn in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Derhalve wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd.

De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand.

De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

Onderhavig plan

Het bedrijf beschikt op deze locatie reeds over bestaande bedrijfsgebouwen. Op deze locatie zijn de planologische mogelijkheden voor de totale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen niet geheel ingevuld. Het vigerende bestemmingsplan maakt overige bedrijvigheid mogelijk, waarbij maximaal 3100 m2 ten behoeve van vishandel, kweek, opslag van vis mag worden bebouwd. Het maximaal bebouwd oppervlak in m2 zal gelijk blijven.

Het al dan niet toenemen van het ruimtebeslag is een belangrijk criterium voor het aanmerken van een ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indien er wel sprake is van een (geringe) toename van bouwmogelijkheden, dan is doorgaans sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarmee is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling ter plaatse van de Blokstegenweg 3/3a en toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking kan achterwege blijven.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel 2017 geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie is op 12 april 2017 vastgesteld en op 1 mei 2017 in werking getreden.

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

De ambities in het kader van duurzaamheid zijn: klimaatbestendigheid, het realiseren van een duurzame energiehuishouding, het sluiten van kringlopen (circulaire economie) en het beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit wordt ingezet op het vergroten van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is daarbij van belang, waarbij een vitaal en samenhangend stelsel van gebieden met een hoge natuur- en waterkwaliteit wordt ontwikkeld. Ook de ontwikkeling van een continu en beleefbaar watersysteem, het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen en het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken, zijn ambities op het gebied van ruimtelijke kwaliteit. Het zorgvuldig inpassen van nieuwe initiatieven heeft als doel om de samenhang in en de identiteit van een gebied te versterken en nieuwe kwaliteiten te laten ontstaan. Een zichtbaar en beleefbaar landschap en het behouden en waar mogelijk verbreden van het bestaande aanbod aan woon-, werk- en mixmilieu's betreffen ruimtelijke kwaliteitsambities.

De ambitie van de provincie Overijssel is dat elk project bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving en dat nieuwe initiatieven worden verbonden met bestaande kwaliteiten. De Catalogus Gebiedskenmerken, die per gebiedstype beschrijft welke kwaliteiten behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden, is daarbij een instrument om te sturen op ruimtelijke kwaliteit. Ten aanzien van sociale kwaliteit is het koesteren en het gebruik maken van 'noaberschap' de ambitie, evenals het stimuleren van culturele identiteit van de provincie Overijssel, zowel lokaal als regionaal. Duurzame ontwikkeling van cultureel erfgoed (bijv. herbestemmen/hergebruik monumenten en karakteristieke bebouwing) hoort hier bij. Het realiseren van sociale kwaliteit wordt gedaan door het actief betrekken van bewoners bij projecten en het bieden van ruimte aan initiatieven van onderop.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel 2017. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2017 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • generieke beleidskeuzes;
  • ontwikkelingsperspectieven;
  • gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.

Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.

Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.

Gebiedskenmerken 

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxBloksteg2018-OP10_0006.png"

Figuur 3.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel 2017 (Bron: provincie Overijssel)

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

Generieke beleidskeuzes

Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Hierbij is onder andere het principe van 'zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik' (artikel 2.1.3) van belang die er voor staat dat in eerste instantie bestaande bebouwing en stedelijk gebied wordt benut, voordat er nieuwbouw in de groene omgeving plaatsvindt. In dit geval wordt er middels dit bestemmingsplan een reeds bestaande bedrijfslocatie hergebruikt door twee bedrijven. Zo wordt vindt er geen extra ruimtebeslag plaats in de Groene omgeving dan dat reeds mogelijk was in het bestaande bestemmingsplan .

Bovendien wordt onderbouwd met het landschappelijke ontwerp en de bijbehorende landschappelijke inpassing dat de nieuwe ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit conform de geldende gebiedskenmerken. Hier is tevens het artikel 2.1.6 verordening compensatie door investeringen ter versterking van ruimtelijke kwaliteit in de omgeving gericht dienen te zijn op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap

Ontwikkelingsperspectieven

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke omgeving van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxBloksteg2018-OP10_0007.png"

Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd (bron: provincie Overijssel)

Binnen het plangebied zijn twee ontwikkelperspectieven voor de Groene Omgeving aanwezig: (geruit groen) de zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW) en (licht groen) wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap. Het te verplaatsen bouwvlak en de bedrijfsbestemming zal ten westen van de bestaande bedrijfshal worden gesitueerd zoals reeds in hoofdstuk 2 uiteengezet is. Het NNN (donker groen) zal daarbij behouden blijven en de nieuw te ontwikkelen bedrijfshal zal ter plaatse van de zone ONW worden gerealiseerd. Ter compensatie van deze uitbreiding zal het erf landschappelijk worden ingepast en worden landschappelijke elementen toegevoegd aan het erf. Het overige gedeelte van de bedrijfsgronden liggen in het kleinschalige mixlandschap. Het plan sluit aan bij het kleinschalige mixlandschap als bedrijfslocatie in een gebied met een mix van functies.

Het plan van de initiatiefnemers doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied en leveren geen extra belemmeringen op voor omliggende functies in de omgeving.

Gebiedskenmerken

Natuurlijke laag

De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'Dekzandvlakte en ruggen' (zie figuur 3.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxBloksteg2018-OP10_0008.png"

Figuur 3.3: Natuurlijke laag, omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd.

In de occupatiegeschiedenis zijn de dekzandgebieden voor het overgrote deel in cultuur gebracht als essenlandschap, oude hoevenlandschap en heideontginningslandschap. Kenmerkend reliëf is op veel plaatsen vervlakt, b.v. door egalisaties ten behoeve van de landbouw. Op deze locatie is van dit laatste sprake. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan de ambities die horen bij het gebied met de kenmerken van dekzandvlaktes en ruggen.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap

De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'jong heide- en broekontginningslandschap' aan het gebied toe. In figuur 3.4 is een fragment van de betreffende kaart weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxBloksteg2018-OP10_0009.png"

Figuur 3.4: Laag van het agrarische cultuurlandschap, omgevingsvisie Overijssel (bron: provincie Overijssel)

Kenmerkend voor het jonge heide- en broekontginningslandschap was oorspronkelijk de grote oppervlakte aan (voormalige) natte en droge heidegronden. Deze waren functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap. In het jonge heide- en broekontginningslandschap werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal. Veel heidegebieden en nattere delen van het landschap zijn ontgonnen en/of vergaand ontwaterd. Daarmee is een nieuw landschap ontstaan. De dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende grote ruimtematen bepalen nu het beeld. Het oude hoevenlandschap heeft in de basis hetzelfde patroon als het essenlandschap, maar is wat jonger en kleinschaliger, opgebouwd vanuit individuele erven.

De ontwikkelingen in het onderhavig plan doen geen afbreuk aan de kenmerken van het agrarisch cultuurlandschap. Door de landschappelijke inpassing wordt recht gedaan aan de bestaande structuren en opbouw van het landschap.

Stedelijke laag

De 'Stedelijke laag' heeft binnen het plangebied geen specifieke kenmerken en blijft daarom verder buiten beschouwing.

Laag van de beleving

De 'Laag van de beleving' heeft binnen het plangebied geen specifieke kenmerken en blijft daarom verder buiten beschouwing.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Landelijk gebied Hof van Twente

In de structuurvisie landelijk gebied Hof van Twente staat de ontwikkeling van het landelijk gebied voor de komende 10 jaar centraal. De structuurvisie vormt vooral een integratiekader voor het bestaande beleid van de gemeente ten aanzien van de verschillende functies en waarden in het gebied. Dit integratiekader schetst de bredere achtergrond van beleid dat voor specifieke thema's (bijvoorbeeld recreatie, rood voor rood en vrijkomende agrarische bebouwing) is uitgewerkt.
Daarnaast beschrijft de visie de algemene strategie van de gemeente Hof van Twente ten aanzien van verschillende functies en waarden.Deze strategie geeft richting aan de latere toetsing van verschillende initiatieven die bij de gemeente worden ingediend, en bij het bepalen van het beleid dat in dit bestemmingsplan buitengebied wordt uitgewerkt.


De structuurvisie benoemt de volgende kernkwaliteiten van het landelijk gebied in Hof van Twente:

  • een sterke agrarische structuur, bestaande uit bedrijven die door schaalvergroting actief anticiperen op een wereldwijde marktwerking, of hun risico's spreiden door diensten te verlenen op het gebied van natuur en landschap en recreatieve functies of andere bedrijvigheid aan het bedrijf toe te voegen;
  • een grote mate van ondernemerschap, waardoor verspreid over het gehele landelijk gebied nieuwe bedrijvigheid wordt gestart;
  • een breed scala aan landelijke woonmilieus, variërend van kernen en buurtschappen tot individuele erven, dat qua kwaliteit aansluit bij actuele behoefte van de woonconsument;
  • een gevarieerd en aantrekkelijk landschap, met als bijzondere parels 23 archeologische monumenten, twee rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten (Den Haller en Stokkum) en acht rijksbeschermde historische buitenplaatsen;
  • een robuust ecologisch netwerk, dankzij een combinatie van grote natuurgebieden en talrijke verbindingen via beken en kleine natuurelementen;
  • een sterk ontwikkelde recreatieve (infra)structuur;
  • een goede regionale infrastructuur.

Over bestaande niet-agrarische bedrijven wordt het volgende gezegd in de structuurvisie. In het buitengebied zijn diverse niet-agrarische bedrijven gevestigd.
Een groot aantal van deze bedrijven hebben zich vanuit een voormalig agrarisch bedrijf geleidelijk ontwikkeld. Dit vloeit voort uit de sterke ondernemersgeest die in het gebied aanwezig is en die gekoesterd wordt. Op enkele plekken in het landelijk gebied bevindt zich een grootschalig niet-agrarisch bedrijf. De bedrijvigheid wordt positief gewaardeerd vanwege de bijdrage aan een sterke plattelandseconomie en de werkgelegenheid. Vanwege hun sponsoractiviteiten dragen ze bij aan het lokale verenigingsleven. Echter, om het karakter van het landelijk gebied te behouden kan er maar beperkt ruimte worden geboden voor groei van niet-agrarische bedrijvigheid.

Voor iedere uitbreiding geldt dat het terrein zorgvuldig dient te worden ingepast, waarbij aansluiting wordt gezocht met de identiteit van het omringende landschap. Er wordt aansluiting gezocht bij de in de provinciale Omgevingsvisie genoemde Kwaliteitsimpuls Groene omgeving. In aanvulling op de landschappelijke inpassing van het bedrijf kan bij een uitbreiding een bijdrage worden gevraagd in het gemeentelijk landschapsfonds.

Toets

De ontwikkeling bestaat uit hergebruik van een bedrijfslocatie en de bijbehorende bedrijfsgebouwen door een niet-agrarisch bedrijf. Daarnaast wordt er geïnvesteerd in het landschap. Middels deze herziening worden de bouwmogelijkheden echter niet verruimt. De bedrijvigheid in het buitengebied wordt positief gewaardeerd. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de 'Structuurvisie Landelijk gebied Hof van Twente'.

3.3.2 Toekomstvisie 'zicht op 2030'

In 2010 heeft de gemeente Hof van Twente de toekomstvisie voor haar grondgebied vastgesteld. Het doel van deze toekomstvisie is om de grote lijnen te schetsen: wat kenmerkt de gemeente nu en straks? Daarnaast geeft de toekomstvisie een mogelijk toekomstperspectief, met vernieuwende ideeën en kansrijke oplossingsrichtingen. De politiek en de burgers zullen de toekomstvisie een verdere concrete invulling geven. Dit kan in de komende jaren gestalte krijgen door de visie te gebruiken als toetsingskader voor sectorale beleidsontwikkeling (beleidsplannen) en meerjarige planvorming (programmabegrotingen).

Voor de gemeente Hof van Twente is het van belang voor meerdere sectoren het veelzijdige landschap te behouden, te herstellen en te ontwikkelen. De landschappelijke kwaliteit bij ontwikkelingen is dan ook van belang. Daarnaast draagt de ontwikkeling bij aan werkgelegenheid in het buitengebied.

Toets

Met dit initiatief is sprake van een ontwikkeling in het buitengebied. De ontwikkeling wordt zorgvuldig geïntegreerd in het landschap. Voor de ontwikkeling is daarom een erfinrichtingsplan opgesteld (zie bijlage 1 bij de regels). Hiermee wordt de ontwikkeling op een zorgvuldige wijze in het landschap geïntegreerd. Het initiatief is niet in strijd met het toekomstperspectief van de gemeente.

Conclusie gemeentelijk beleid

Het gemeentelijk beleid vormt het kader waarbinnen de ontwikkeling plaats kan vinden. Het voornemen is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2).

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag.

Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld.

Toets

Er wordt middels dit bestemmingsplan een bedrijfsvestiging mogelijk gemaakt ter plaatse van de Blokstegenweg 3/3a te Ambt Delden. De ontwikkeling is concreet beschreven in hoofdstuk 2. Ter plaatse is reeds een bedrijfsbestemming aanwezig, echter specifiek voor een vishandel bedoeld.

Het begrip 'industrieterrein' is beperkter dan het begrip 'bedrijventerrein' dat voor de wijziging van het Besluit m.e.r. in 2011 in deze categorie was opgenomen. Blokstegenweg 3/3a betreft geen industrieterrein waardoor categorie D11.3 niet van toepassing is. Voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie D 11.2) kan volgens de voorzieningenrechter van de Afdeling (Vzr. ABRvS, ECLI:NL:RVS:2016:3279, d.d. 7 december 2016) aansluiting worden gezocht bij de definitie van het begrip 'stedelijke ontwikkeling' in art. 1.1.1, eerste lid onder i. van het Besluit ruimtelijke ordening. Deze definitie luidt als volgt: "stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Daarnaast blijkt uit jurisprudentie dat als een project voorziet in een gedeeltelijke functiewijziging, maar de bebouwde oppervlakte hetzelfde blijft, geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. Echter kan van een stedelijk ontwikkelingsproject wel sprake zijn indien geen nieuwe voorzieningen en andere bebouwing mogelijk worden gemaakt, maar het toegestane gebruik zodanig wijzigt dat het nieuwe plan voorziet in een gewijzigde activiteit die wezenlijk andere en aanzienlijke milieueffecten kan hebben ten opzichte van de huidige situatie (ABRvS 201503801/1/R2, d.d. 1 juni 2016).

Gezien de functiewijziging van een categorie 3.1 bedrijf naar een categorie 2 bedrijf waarbij de beschikbare buiten ruimte met name wordt gebruikt voor opslag en de werkzaamheden met betrekking tot het repareren van onderdelen alleen in de bedrijfshal wordt uitgevoerd, zal de nieuwe functie geen aanzienlijke milieueffecten hebben ten opzichte van het huidige gebruik door het vishandelbedrijf. Dit wordt ook onderbouwd door de onderzochte omgevingsaspecten in de onderstaande paragrafen. Op basis van het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling aan de Blokstegenweg 3/3a niet aan te merken is als een stedelijk ontwikkelingsproject en dus is beoordeling niet aan de orde.

4.2 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxBloksteg2018-OP10_0010.png"

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering

Toets

In het voorliggende geval is er sprake van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied'. De bedrijvigheid die plaats zal vinden op de bedrijfslocatie zal bestaan uit het opslaan en repareren van windmolen onderdelen. De opgeslagen onderdelen zullen worden ingezet ten behoeve van de handel en ten behoeve van de eigen windmolens van het bedrijf. Het gaat zowel om nieuwe onderdelen als gebruikte onderdelen die verkregen zijn door demontage van windmolens. Demontage van de windmolens vindt overigens niet plaats op de Blokstegenweg, maar op de locatie waar de f zich bevinden.

Gelet op de aard en omvang van de werkzaamheden is het bedrijf qua aard en omvang vergelijkbaar met een categorie bedrijf 2 zoals genoemd in de Staat van Bedrijven. De VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft voor categorie 2 bedrijven een grootste afstand van 30 meter. In dit geval zal het aspect geluid enige milieuhinder kunnen veroorzaken. Binnen een straal van 30 meter van het bestemmingsvlak worden echter geen nieuwe gevoelige functies ontwikkeld. Voor de woningen aanwezig ten zuiden van het bedrijf zal de bestemming 'Bedrijf' verder van de woningen komen te liggen. Op basis van het vorenstaande is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

Daarnaast zal een aannemersbedrijf zich vestigen op het genoemde adres. Het aannemersbedrijf heeft een maximum oppervlak van 1000 m2 wat betekent dat er tevens sprake is van een categorie 2 bedrijf met een grootste richtafstand van 30 m voor geluid, gebaseerd op de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering'. Binnen 30 meter van het bedrijfsvlak zijn geen gevoelige objecten aanwezig. Voor wat betreft bedrijven en milieuzonering blijft sprake van een aanvaardbare situatie.

4.3 Bodem

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.


Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de eventuele bodemsaneringskosten en de verwerkingskosten voor verontreinigde grond worden opgenomen.


Verkennend bodemonderzoek en nader (asbest)onderzoek - Algemeen


Op het terrein aan de Blokstegenweg 3 zijn in het verleden diverse bodemonderzoeken en - saneringen uitgevoerd.


Voor de beoordeling van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de meest recent beschikbare bodemonderzoeken, een verkennend bodemonderzoek en nader (asbest)onderzoek (projectcode 17077016 , d.d. januari 2018, Kruse Milieu en Advies) om ter plaatse de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen, zie Bijlage 1 voor de volledige rapportage. Aanvullend is er een onderzoek uitgevoerd ter plaatse van een voormalige stortlocatie (projectcode JKI/b/18/507, d.d. 12 oktober 2018, Kruse Milieu en Advies), zie Bijlage 2. Dit onderzoek is uitgevoerd omdat op een deel van de locatie een aantal boringen in het eerste onderzoek waren gestaakt en omdat er signalen waren dat er op de locatie in het verleden afval gestort is waarover duidelijkheid gewenst was.


Verkennend en nader asbestbodemonderzoek Kruse Milieu en Advies (januari 2018).


Het bodemonderzoek van Kruse is opgesplitst in een aantal deellocaties. Aanleiding voor het bodemonderzoek is de voorgenomen bestemmingsplanwijziging (deellocatie A) en de voorgenomen uitbreiding van de woning (deellocatie C). De onderzochte terreindelen (deellocatie A en C) hebben een oppervlakte van circa 2050 en 25 m². Deellocaties A en C zijn momenteel onbebouwd en grotendeels onverhard. Uit het bodemonderzoek blijkt dat de bestemmingsplanwijziging (financieel) uitvoerbaar is.


Het onderzoek op deellocatie B kon vanwege aanwezige puinlagen niet volledig worden onderzocht en is op een beperkt deel van het terrein gestaakt, nadat bleek dat er puinlagen aanwezig zijn die niet handmatig te doorboren waren. Op dit deel van het terrein is al eerder bodemonderzoek en - asbestsanering uitgevoerd. Het gesaneerde deel is met een puinlaag afgewerkt. Op basis van het evaluatierapport van de uitgevoerde sanering was bekend is dat er verontreiniging in de puin/bodem laag is achter gebleven op meer dan 0,5 m onder maaiveld. Onderzoek en sanering is uitgevoerd in het kader van de Saneringsregeling Asbestwegen fase 3 en voldeed aan het Besluit asbestwegen.


Omdat het bestemmingsplan niet voorziet in bebouwingsmogelijkheden maar alleen opslag op dit deel van het perceel (deellocatie B), is het bestemmingsplan uitvoerbaar.


Aanvullend bodemonderzoek stortlocatie (Kruse Milieu en Advies)


Vanwege de gewenste duidelijkheid over meldingen en over het mogelijk aanwezig zijn van een vuilstort op een deel van het perceel, is aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Belangrijke vraag hierbij was of mogelijke verontreiniging van het grondwater zich verspreidt richting de omgeving. De onderzoeksresultaten zijn verwerkt in een briefrapportage (Kruse Milieu en Advies, 12 oktober en kenmerk JKI/b/18/507).


Uit het onderzoek blijkt dat op een deel van het perceel (deellocatie B) (al lang geleden) bouw- en sloopafval gestort is. In het grondwater zijn, in een aantal peilbuizen, verhoogde concentraties van verschillende stoffen gemeten. Hierop is het instrumentarium van de Wet bodembescherming van toepassing.


Op basis van het aanvullende onderzoek en de toetsing die heeft plaatsgevonden, kan dit deel van de locatie worden gebruikt voor opslag van materialen en goederen.

4.4 Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen.

De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies:

  • Woningen.
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies.

Toets

In opdracht van BS Green Group heeft Munsterhuis Geluidsadvies een akoestisch prognose onderzoek uitgevoerd naar de geluidemissie van de toekomstige situatie bij BS Green Group, gevestigd aan de Blokstegenweg 3a te Azelo. Daarnaast is de geluidbelasting ten gevolge van het Aannemersbedrijf in beschouwing genomen. Zie Bijlage 3 voor het volledige akoestische onderzoek.

Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd conform de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai 1999. De relevante geluidbronnen die in beschouwing zijn genomen betreffen vaste bronnen zoals de afstralende relevante geveldelen tijdens gebruik van houtbewerkingsmachines in een deel van de bedrijfshal, en mobiele geluidbronnen zoals vrachtwagens, een telescoopkraan, een elektrisch aangedreven heftruck, bestelwagens en personenauto’s.

Het onderzoek is gebaseerd op een inventarisatie van de bedrijfsvoering, leveranciergegevens, literatuurgegevens en Munsterhuis Geluidsadvies -expertise. Aan de hand van de verkregen gegevens is een akoestisch rekenmodel vervaardigd waarmee de geluidniveaus zijn berekend.

Op basis van onderhavig akoestisch onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

  • De woningen die zich in de gebiedstypering “rustige buitengebied” zijn gesitueerd in de omgeving van de twee bedrijven (categorie 2), bevinden zich op een richtafstand van minimaal 30 meter.
  • Er wordt voldaan aan de richtafstand uit Bedrijven en milieuzonering (stap 1).
  • Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, ten gevolge van BS Green Group, bedraagt ter plaatse van de nabij gelegen (toekomstige) woningen maximaal 39 en 17 dB(A) in de dag en avondperiode.
  • De ambitiewaarde uit het geluidbeleid wordt niet overschreden en de geluidnormen uit het activiteitenbesluit wordt ter plaatse van woningen van derden eveneens niet overschreden.
  • Het maximale geluidniveau, ten gevolge van BS Green Group, bedraagt ter plaatse van de nabij gelegen (toekomstige) woningen maximaal 61 en 49 dB(A) in de dag en avondperiode waarbij de telescoop kraan en de personenauto de maatgevende geluidbron is.
  • De geluidnormen uit het activiteitenbesluit worden niet overschreden.
  • Als gevolg van het indirecte geluidhinder afkomstig van BS Green Group bedraagt het equivalente geluidniveau LAeq maximaal 29 dB(A). Het blijkt dat de voorkeurswaarde niet wordt overschreden.
  • Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, ten gevolge van het Aannemersbedrijf, bedraagt ter plaatse van de nabij gelegen (toekomstige) woningen maximaal 36 en 17 dB(A) in de dag en avondperiode.
  • De ambitiewaarde uit het geluidbeleid wordt niet overschreden en de geluidnormen uit het activiteitenbesluit wordt ter plaatse van woningen van derden eveneens niet overschreden.
  • Het maximale geluidniveau, ten gevolge van het Aannemersbedrijf, bedraagt ter plaatse van de nabij gelegen (toekomstige) woningen maximaal 61 en 49 dB(A) in de dag en avondperiode waarbij de vrachtwagen en de personenauto de maatgevende geluidbron is.
  • De geluidnormen uit het activiteitenbesluit worden niet overschreden.
  • Als gevolg van het indirecte geluidhinder afkomstig van het Aannemersbedrijf bedraagt het equivalente geluidniveau LAeq maximaal 28 dB(A). Het blijkt dat de voorkeurswaarde niet wordt overschreden.

Op basis van het bovenstaande kan gesteld worden dat het aspect ‘Geluid’ geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.5 Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

Besluit gevoelige bestemmingen 

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

Toets

Het in gebruik nemen van de bedrijfslocatie door het windmolen opslag bedrijf en het aannemersbedrijf <1000 m2 geeft extra verkeersbewegingen met zich mee. Er wordt echter geen extra verkeer verwacht ten opzichte van het huidige gebruik. Handel in levensmiddelen vergt immers een frequenter gebruik van vervoersmiddelen dan onbedervelijke handelswaren. Het aantal verkeersbewegingen voor het windmolenbedrijf kan gesteld worden op 26 per dag en het aantal verkeersbewegingen voor het aannemersbedrijf op 18 per dag. Een totaal van 44 verkeersbewegingen per dag. Deze verkeersbewegingen zullen voornamelijk bestaan uit personen auto's.

Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario in weinig stedelijk gebied, waarbij het aantal gestelde verkeersbewegingen naar boven in tientallen wordt afgerond, kan het aantal verkeersbewegingen op 50 per dag gesteld worden. Er zal sprake zijn van vrachtverkeer voor de toevoer en vervoer van materiaal ten behoeve van de categorie 2 bedrijven, waardoor het percentage vrachtverkeer op 30% gezet kan worden. In figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven met 50 extra voertuigbewegingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxBloksteg2018-OP10_0011.png"

Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl)

Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.

4.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

  • Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
  • Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico.

Risicokaart

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

Toets

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxBloksteg2018-OP10_0012.png"

Figuur 4.3: uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl).

Op de risicokaart van de provincie Overijssel is te zien dat er in de nabijheid van het plangebied aan de Blokstegenweg 3/3a geen externe veiligheidsrisico's aanwezig zijn (zie afbeelding 4.3), anders dan drie aardgastransportleiding ter hoogte van de A1 en de rijksweg A1 zelf. De gasleidingen liggen op circa 320 meter afstand van het plangebied. Het betreffende gasleidingen A-508 met een maximale druk van 66,2 bar, A-646 met maximaal 79,9 bar en de A-670 met maximaal 79,9 bar. De risicokaart toont dat er geen sprake is van een PR 10-6/jaar contour buiten de leiding. Het plaatsgebonden risico voldoet. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de gasleidingen.

Het basisnet-wegtraject betreft de A1/A35 tussen knooppunt Azelo - knooppunt Buren. Het PR-plafond betreft 1 meter, het GR-plafond betreft 82 meter en er is een plasbrandaandachtsgebied aanwezig. Het plangebied ligt niet binnen deze afstanden. Uit de berekening van de groepsrisico's in het bestemmingsplan 'Buitengebied Hof van Twente' blijkt bovendien dat de curven van de A1 en A35 de oriëntatiewaarden van de groepsrisico's niet overschrijden.

Als gevolg van de ligging binnen deze 100%-letaliteitsgrens geldt een verantwoordingsplicht voor de gevolgen op het groepsriscio. Aannemelijk kan gemaakt worden dat de ontwikkeling ter plaatse van de Blokstegenweg 3/3a geen significante invloed heeft op het groepsrisico. In onderhavig plan is er sprake van een functieverandering. Deze functieverandering brengt geen extra aanwezigheid van mensen met zich mee. De populatie en/of persoonsdichtheid (en daarmee het groepsrisco) ter plaatse neemt zodoende niet toe. Er is geen sprake van een verhoogd groepsrisco als gevolg van het plan.

Het plangebied zal voornamelijk bestaan uit bedrijvigheid waarbij aangenomen kan worden dat deze groep mensen zelfredzaam is. Daarnaast wordt er met het plan geen kwetsbaar object toegevoegd. Aangezien in en in de nabijheid van het plangebied risicobronnen in de vorm van o.a. hogedruk aardgasleidingen aanwezig zijn, is de zelfredzaamheid van de mensen echter wel van belang. Er zijn echter voldoende wegen om van de risicobron af te vluchten.

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.7 Water

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de SVIR en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.

Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.

Waterbeheerplan 2016-2021

Watersysteem

In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe "eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren" is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.

Afvalwaterketen

Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe "eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren" een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.

Watertoetsproces

Op 11-10-2018 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie Bijlage 4. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. De bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het waterschap Vechtstromen geeft een positief wateradvies.

4.8 Ecologie

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening).

Toetsing 

Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaarden [projectnummer 1675, versie 1.0], zie ook Bijlage 1. De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen.

Natura 2000-gebied

Het plangebied ligt niet in of direct grenzend aan beschermd natuurgebied zoals een Natura 2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, Lonnekermeer, ligt op een afstand van 10 kilometer van het plangebied. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal. Dat wil zeggen dat er geen negatief effect op natuurgebied buiten het onderzoeksgebied op treedt. Gelet op de invloedsfeer en de ligging op enige afstand van Natura 2000-gebied, wordt gesteld dat de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied niet negatief beïnvloed wordt. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.

Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS))

Het plangebied behoort deels tot het Natuurnetwerk Nederland en behoort deels tot de zone 'Ondernemen met natuur en water buiten het Natuurnetwerk Nederland', maar ligt op enige afstand van Natura2000-gebied. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt bos, welke een beschermde status heeft in de Wet natuurbescherming, mogelijk gerooid. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten, neemt het areaal bos af. Voor het rooien en elders herplanten van bos dient een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming verkregen te worden. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Omgevingsverordening Overijssel inzichtelijk te krijgen, wordt geadviseerd om een nadere effect-analyse op te stellen. De Omgevingsverordening staat kleinschalige ontwikkelingen in het Natuurnetwerk toe, mits voldaan wordt aan de gestelde criteria. Geadviseerd wordt om de uitkomsten van nader onderzoek naar bijzondere amfibieen af te wachten en eventuele compenserende maatregelen (aanleg vervangende vijver indien van toepassing) erbij te betrekken.

Soortenbescherming

De voorgenomen activiteiten worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden, verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te mogen beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.

Het plangebied behoort vermoedelijk tot het functionele leefgebied van verschillende vogel-, amfibieen-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er ieder broedseizoen vogels in het plangebied en bezetten verschillende grondgebonden zoogdier- en amfibieensoorten er een rust- en/of voortplantingslocatie. Van de vogelsoorten die in het plangebied nestelen, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden.

Voor de grondgebonden zoogdiersoorten, die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden en verwonden' en het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties (of de soort is niet beschermd). Voor sommige amfibieensoorten, die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden en verwonden' en het 'beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties', maar deze vrijstelling geldt niet voor de poelkikker en de kamsalamander. Gelet op de inrichting en beheer van het plangebied en de ligging nabij actueel verspreidingsgebied, kan op basis van het uitgevoerde onderzoek de aanwezigheid van deze soorten in het plangebied niet uitgesloten worden. Omdat deze dieren en hun functionele leefgebied beschermd is, is nader onderzoek noodzakelijk om de wettelijke consequentie van de voorgenomen activiteiten volledig inzichtelijk te krijgen. Nader onderzoek dient uitgevoerd te worden in het voorjaar.

Conclusie

Geadviseerd wordt om een effectanalyse op te stellen in het kader van gebiedsbescherming (specifiek Natuurnetwerk Nederland en behoud areaal bos) indien er sprake is van het rooien van houtopstanden op het terrein. Verwacht wordt dat dit niet noodzakelijk is voor de voorgenomen ontwikkelingen. Voorgenomen activiteit heeft geen negatief effect op Natura2000-gebied.

Negatieve effecten op enkele soortgroepen zijn niet uit te sluiten. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van en het gebruik van de planlocatie door (strikt) beschermde soorten is daarom noodzakelijk voorafgaande aan de beoogde ingrepen. Om de functie van het plangebied voor kamsalamander en poelkikker duidelijk te krijgen is aanvullend onderzoek vereist. Dit wordt uitgevoerd in het voorjaar 2019. Indien deze soorten er voorkomen, dient een ontheffing verkregen te worden om de dieren te verstoren, verwonden, doden en het functionele leefgebied aan te tasten. De lijn van de ontheffing zal zijn dat er vervangend biotoop aangelegd moet worden. Daarvoor liggen in de directe omgeving goede kansen waardoor de kans van het verkrijgen van een ontheffing reëel is. Op voorhand wordt de Wet natuurbescherming niet als een belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten beschouwd.

4.9 Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet.

Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Archeologie

De archeologische verwachtingskaart van de gemeente Hof van Twente geeft aan dat de locatie een middelhoge verwachting heeft.

 afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxBloksteg2018-OP10_0013.png"

Figuur 4.4: uitsnede archeologische verwachtingenkaart (bron: gemeente Hof van Twente)

Toets

Het plangebied heeft een middelhoge verwachting voor het aspect archeologie. Bij ingrepen dieper dan 40 cm en met een oppervlakte groter dan of gelijk aan 5000 m² is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Omdat op deze locatie ter plaatse van de te bouwen schuur de bodem in het verleden al verstoord is, wordt een archeologisch onderzoek hier niet noodzakelijk geacht.

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.

Toets

Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat in het plangebied zelf geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten aanwezig zijn. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.10 Verkeer / parkeren

Het plangebied wordt ontsloten via de Blokstegenweg. De weg betreft een 60 km/h erftoegangsweg die toegang geeft tot meerdere woningen en agrarische percelen. Een beperkte toename van 50 verkeersbewegingen, bestaande uit zowel personen auto's, bestelwagens en vrachtwagens kunnen eenvoudig via de huidige weg worden afgewikkeld. Echter wordt verwacht dat er, ten opzichte van de voorgaande bestemming, geen toename van verkeer zal plaatsvinden. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan.

Het parkeren vindt plaats op eigen terrein, waar voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien voor de verscheidenheid aan voertuigen die gebruikt worden door de bedrijven. Tevens is er voldoende ruimte om te laden en lossen op eigen terrein waarbij de voertuigen voldoende ruimte hebben om te manoeuvreren en te parkeren. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek

De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Toelichting op de regels

5.2.1 Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht.

Inleidende regels

  • Begrippen

In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

  • Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

Bestemmingsregels

De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:

  • bestemmingsomschrijving:

De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;

  • bouwregels:

In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart);

  • afwijken van de bouwregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken;

  • specifieke gebruiksregels:

In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies;

  • afwijken van de gebruiksregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen;

  • wijzigingsregels

In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

Algemene regels

  • Anti-dubbeltelregel:

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld;

  • Algemene bouwregels:

In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen;

  • Algemene gebruiksregels:

Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin;

  • Algemene aanduidingsregels:

In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven;

  • Algemene afwijkingsregels:

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

  • Algemene wijzigingsregels:

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

Overgangs- en slotregels

  • Overgangsrecht:

Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet;

  • Slotregel: 

Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.2.2 Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen:

Bestemmingen

Agrarisch met waarden

De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarische gronden met een landschappelijk waarde. De bestemming zal worden gebruikt voor de agrarische gronden rondom de bedrijfslocatie.

Bedrijf

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven met categorieën 1 en 2 van de als bijlage 2 bij de regels toegevoegde “Staat van Bedrijven”. Er wordt in dit geval specifiek ruimte gegeven aan het windmolen opslag bedrijf en tevens voor het aannemersbedrijf <1000 m2. Deze zullen aangeduid worden specifiek voor deze functies.

Groen

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor onder andere groenvoorzieningen en waterpartijen. De robuuste landschappelijke elementen worden aangegeven met de bestemming 'Groen'. Deze groenvoorzieningen worden behouden of aangelegd in het kader van de landschappelijke inpassing van de Blokstegenweg 3/3a te Ambt Delden.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden
naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

Provincie Overijssel

Conform het door de provincie Overijssel gehanteerde beleid is het plan voor vooroverleg verzonden aan de provincie. In de reactie van 22 november geeft de provincie aan dat het plan niet in strijd is met het provinciale ruimtelijk beleid. Indien het plan ongewijzigd in procedure wordt gebracht ziet de provincie vanuit het provinciale belang geen beletselen voor het verdere vervolg van deze procedure.  

Hiermee is, voor zover het de provinciale diensten betreft, voldaan aan het ambtelijke vooroverleg als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening.

Waterschap Vechtstromen
Op 11-10-2018 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van ......... voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn ......... zienswijzen binnengekomen.